Mkz, Jona en de roep van ons vee (1)
2001-08-10
Mkz – ‘Mijn koning zorgt’ zei iemand vol overgave. Prachtig! Maar je zult er maar mee zitten – lege stallen, lege weiden en kinderen die hun lievelingsdieren missen. Terwijl de meeste Nederlanders al weer zijn overgegaan tot de orde van de dag bloedt het nog steeds in vele harten. ‘Was het allemaal wel nodig?’ Nu die vraag zelfs in Lelystad gesteld wordt, geeft het ons allemaal een onbeschrijflijk wrang gevoel. De vraag komt op: Wat wil de Here ons in dit alles zeggen?- Jaargang 45
- nummer 16
De zaak zelf is al vanuit allerlei gezichtspunten bekeken en goedkope woorden willen we terecht niet horen.
Zou er vanuit bijbels perspectief nog iets meer te zeggen zijn? Mijn uitgangspunt is dat wij naar de Here blijven uitzien en ons aan zijn Woord willen vasthouden. Ik zou daarom mijn impressie willen voorleggen in de hoop dat anderen erop willen inhaken. Als toonzetting viel mij een lied in waarvoor ik als melodie koos ‘Eén Naam is onze hope’.
Het 'oude liedje'?
Berusting?. Maar het andere uiterste, de toon van de barricaden, past ons als christen evenmin. Iets anders dan een ‘lied uit de diepte’ zou hier vals klinken.
Wat wil de Here God ons in dit alles zeggen? Worstelend met die vraag vond ik, denkend aan Jona, een spoor dat misschien een aanzet kan worden voor een goede gedachtenwisseling. Een direct antwoord valt moeilijk te geven. Wij kunnen, bij wijze van spreken, niet zomaar bij de Here God in de keuken kijken.
Om toch iets zinnigs te kunnen zeggen denk ik dat we onszelf eerst een dieperliggende vraag moeten stellen: Geloven wij nog echt dat God begaan is met heel zijn schepping?
Het heeft er alle schijn van dat ons bewustzijn dat God begaan is met de dieren tanende was. Melk en vlees komen in onze belevingswereld immers uit de supermarkt. In ons geëconomiseerde bestel hebben wij de gedachte dat God begaan is met de dierenwereld zoniet opgegeven, dan wel tussen haakjes geplaatst.
De ethische bezinning op de relatie tussen mens en dier in het licht van de Schrift is niet lang geleden nieuw leven ingeblazen door dr. J.G. Schenderling.
Hij pleit er onder meer voor het ‘heersen’ dat de mens in Psalm 8 wordt toevertrouwd te zien als het heersen van de messiaanse koning van Psalm 72. 1 Dat heersen heeft niets te maken met uitbuiten, tiranniseren en misbruiken.
Het wordt veeleer bepaald door Gods ontferming voor de arme en het zwakke.
Leengoed
Velen, met name melkveehouders, ervaren een bijzondere band met hun vee, ondanks de veelal opgedrongen schaalvergroting.
Die band werd onlangs nog beplakt met het etiket ‘emoties’.. Het zou onterecht zijn als we ons daarop blindstaren. Er is meer. De getroffen boeren, van wie een groot deel christen is, leven dichtbij de bron van het leven.
Zij beseffen, dat het leven zich niet naar onze hand laat zetten, dat het heilig is.
Als je jaar in jaar uit de melk van een beest hebt getapt, al gaat dat tegenwoordig niet meer handmatig, dan moet je als boer toch iets van ontzag krijgen. Bewust of intuïtief zal een boer aanvoelen dat ook het economisch benutte leven leengoed is dat ons is toevertrouwd en dat tegenover ons staat in zijn weerloosheid.
Boodschap aan Jona
Op het eind van het boek Jona lezen we van Gods erbarming met het vele vee van Ninevé.
Ninevé, de hoofdstad van het Assyrische rijk, stond voor een keihard en nietsontziend regiem. Jona moest hen in hun eigen stijl het oordeel aanzeggen, onverbiddelijk. Er is geen enkele aanwijzing dat God daar niet achter stond.
Alleen, toen er een reactie van bekering kwam die God tot genade bewoog, bleek Jona niet thuis. Niet thuis in Gods genade. Terwijl hij het bewijs van Gods menslievendheid dagelijks boven zijn hoofd voelde bleef hij onverbiddelijk toekijken. Gods genade bleef hem letterlijk een wonderboom, een wortel uit dorre aarde.
Zoals zo vaak stond Gods perspectief haaks op menselijke patronen en berekeningen.
We zijn zo gewend aan de afkeuring die Jona tenslotte ten deel viel, dat we de boodschap van deze profeet tegen-wilen-
dank ons nauwelijks aantrekken.
Het pleidooi voor erbarming voor mens en dier valt ons dan nauwelijks op.
Door vooral de afkeuring in Gods reactie te horen vervallen we in dezelfde fout als Jona. Nog op andere, geleerde manieren kunnen we de boodschap van Jona op afstand houden. Zo kan Jona gezien worden als een ‘spiegelverhaal dat particularisme of zelfgenoegzaamheid bij het volk van God aan de kaak wil stellen’. Ook is Jona wel gezien als voorloper van het universele zendingsperspectief van het N.T. Zo zien wij de oordeelsboodschap van Jona al gauw over het hoofd. Maar die oordeelsboodschap was niet zijn idee! Hij was er zelfs voor weggevlucht. En toen hij eenmaal bereid was moest hij de prediking brengen ‘die Ik (de HEER) tot u spreken zal’ (3:2).
Waar draait het om?
De spits van het boek Jona lijkt mij te liggen in Gods uitnodiging om in te stemmen met zijn genade voor mens en dier. De bekende woorden ‘benevens veel vee’ aan het slot zijn meer dan een aanhangsel ter wille van het literaire effect. De dieren staan hier op één lijn met de onschuldigen ‘die het onderscheid niet kennen tussen rechts en links’. ‘De mensen die de politiek niet kunnen bijbenen’ zouden wij zeggen.
Bijbels gesproken staan ze in de hoek van de armen, die God bijzonder ter harte gaan. Als de gedachte aan al die mensen je dan niet tot mildheid kunnen stemmen, Jona, denk dan eens aan al die dieren. Barmhartigheid roemt tegen het oordeel, is dat de boodschap van het boek Jona? Of is er meer?
Het vee werd in Israël niet tussen haakjes geplaatst. Omdat het deelde in de gemeenschap van het volk, had het vee evengoed recht op sabbatsrust. Er was oog voor dierenwelzijn. Als met de sabbat de hand werd gelicht zou ook het vee getroffen worden door de vloek die mensen over zich haalden (Deut. 28).
‘De rechtvaardige weet wat toekomt aan zijn vee’ zegt de Spreukendichter (12:10). De barmhartigheid die dan wordt aangeprezen staat tegenover de wreedheid van hen die met God geen rekening houden. Barmhartigheid t.o.v. de dieren, dat blijkt ook in het verbod om een dorsende os te muilbanden.
Het gebod om rekening houden met de eigen aard van het dier lezen we af uit Deuteronomium 25:4 (‘Gij zult niet ploegen met een rund en een ezel tezamen’). Het heersen van de mens over het dier, waartoe Psalm 8 uitnodigt, wordt door Schenderling m.i. terecht ingevuld vanuit Psalm 72. Hij pleit voor een zorgzaam beheer dat het dier in zijn eigenheid en kwetsbaarheid respecteert.
De dieren worden zelfs ten voorbeeld gesteld. Denk maar aan het rund en de ezel in Jesaja (1:3), de mier, de klipdas, de sprinkhaan in Spreuken (30:25-27) en nog zoveel andere dieren.
In die traditie staat ook het boek Jona.
De berouwvolle Ninevieten betrekken het vee in hun vasten. Heel rigoreus: Mens en dier, runderen en schapen, niemand mocht iets nuttigen. Dat zal me een geloei geweest zijn.
Goedbeschouwd maakten de Ninevieten de dieren tot hun ‘pleitbezorgers’. Zij mogen met hun geloei en geblaat de ernst van de bekering onderstrepen.
De les van het Britse kalfje...
Dat wij vandaag de dag zo anders met het vee omgaan lijkt mij meer dan ooit een aanklacht, een spiegel voor onze cultuur. Ik bedoel dat er zo massaal en rigoureus gezonde dieren geruimd werden, terwijl zovelen onovertuigd bleven. Een monsterlijke maatregel, die voor een normaal christenmens niet meer te volgen is. Het valt mij tegen dat een krant die vroeger toch niet ontbloot was van euroscepsis, in een redactioneel zonder meer stelde dat minister Brinkhorst geen keus had (ND, 17 mei). En dat terwijl de Christenunie toch in een vroeg stadium al een alternatief had aangedragen. En dat terwijl er zelfs vanuit het ID in Lelystad al snel twijfel rees t.a.v. de exportconsequenties van vaccinatie. De snelheid waarmee besloten werd tot vernietiging binnen de 2-kilometerzones rond be smettingshaarden had dictatoriale trekjes, al werd het verkocht als slagvaardigheid die nodig was om een snelle verspreiding tegen te gaan.
Wilde men het verzet in de kiem smoren?
De Europese landbouwminister Bird werd als een soort heiland binnengevlogen om te keuren hoe goed wij het wel niet deden. Ruimte voor uitzonderingen, bijvoorbeeld voor de kudde Schonebeker schapen in Tongeren was er niet. Maar zie, toen in Engeland een wit pasgeboren kalfje tussen de kadavers gevonden werd, toen moest dat opeens ter wille van de volksgunst gespaard blijven. Voor dit kalf, dat toevallig niet verdronken was, kon de put, lees: het besmettingsgevaar opeens wel gerelativeerd worden. Koninklijk onafhankelijk werd dat even geregeld. Hoe humaan en religieus was dit opeens! Mocht dit kalfje fungeren als doekje voor het bloeden?
Pax economica
Vanwaar dat onafwendbare?
Goudzwaard heeft er, denk ik, de achtergronden al meermalen van blootgelegd.
Het doordraaien op onze veilingen, de eekhoornjes in de versnipperaar op Schiphol, de koeien in de grijpkranen van de RVV – het zijn signalen dat er iets grondig mis is. Voor wie het wil zien – het zijn m.i. uitingen van dezelfde processen die het Lam naar de slachtbank brachten. Zegt u niet te gauw dat ik overdrijf. Het beheer van de messiaanse koning komt altijd weer in botsing met de elites die de touwtjes in handen willen houden. Of men zich nu beroept op de pax Romana of op de pax economica van Brussel. Anders gezegd: toen wilde men geen trammelant met de heren in Rome, en nu niet met de baasjes in Brussel.
Het vee als profeet
Hoe dan ook, een overmoedige ‘moetkunnen’-economie leidde tot een ‘kanniet-meer-terug’-beleid. Tenminste vanuit een bepaalde optiek. Als wij dan, om problemen te bezweren, blijven vertrouwen op macht en organisatie, ‘paarden en wagens’ bijbels gesproken, en dat leek het geval in Jona’s dagen, dan wordt het ‘stomme vee’ weer tot profeet.
Frappant vond ik het besef bij de Filistijnen, die erop rekenden dat God de zogende koeien – tegen hun instinct in – zou kunnen leiden om de ark naar zijn bestemming in Israël terug te brengen.
Ze waren ontvankelijk voor Gods stem, juist als mensen het laten afweten.
Dat zien we ook bij de ezelin van Bileam, die zich verzette tegen de vloek waarvoor Bileam zich liet inhuren. En bij de ‘os en de ezel’ in de stal van Betlehem.
Dit waren meer dan decordiertjes voor de sfeer. In profetisch licht gaat er van dit tweetal een indringend appèl uit.
De koe mag dan dom zijn van zichzelf (zie Amos 4:1) en de ezel koppig, maar ze gaan het mensdom voor in het kennen van het meest belangrijke. Denk ook aan het ongetemde ezelsjong dat Jezus gewillig droeg naar het hol van de leeuw. Werd dit niet mede opgetekend om des te sterker te laten uitkomen dat Jezus de grote Vredevorst was?
En dat Hij als Lam de vrede kwam brengen?
En die vrede zou de dieren niet raken? Het bekende Jesajawoord over de wolf en het schaap leert ons wel anders (11:6). Ze zijn er juist in hun onnozelheid de profeten van, van stal tot kruisweg, van Jesaja tot Openbaring.
De dieren houden ons spiegels voor. Ze openen ogen en leren ons het onbevroede aan te voelen. Dat begint al met de adelaar, die iets van Gods majesteit en onnavolgbare, alles overziende zorg voor zijn volk uitdrukt (Exodus 19:4).
Ze houden ons ervoor wakker dat het leven een geheim inhoudt. Bij een overweldigende dreiging grijpen we onwillekeurig naar het woord ‘monster’..
Onuitsprekelijke dingen drukken we uit met bloemen. Is het al te gewaagd om te zeggen dat een beleefde natuur ons wakker houdt voor de transcendente oorsprong van het leven? Voor verwondering en dank aan de Gever ervan?
Hoe dan ook, leven met de dieren is leven onder een open hemel. En dat botst op een gesloten werkelijkheidsbesef.
Die dierentaal, die ‘sprake’ waarin Gezelle zo thuis was, die kan ons door Gods genade behoeden voor een restloos opgaan in onszelf en in de economisering van het leven. En die taal blijft spreken door de concrete aanwezigheid van en de zorg voor de dierenwereld.
Om menselijk te blijven hebben we geblaat en gemekker nodig!
In het sabbatsgebod wordt het vee uitdrukkelijk betrokken. Op de gloriedag van God, de zevende, waarop hij zich verheugde over alles wat Hij gemaakt had, mag niemand zwoegen en zweten, ook de dieren niet. Dan is er tijd om stil te worden bij de dieren, van hen te leren en ons met hen te verheugen in de sjaloom die God ons geven wil.
De Hebreeënbrief ontvouwt op onnavolgbare wijze de geestelijke dieptedimensie van de sabbat. Wie tot geloof in Jezus kwam ging binnen in de geestelijke rust. Maar let wel, bij alle aandacht voor de hemel, wordt toch het land van rust, van melk en honing als oerbeeld niet losgelaten. In het licht van de aangeprezen gastvrijheid / herbergzaamheid (Willibrord, NBG, 13:2) mogen we die rust in onze tijd zeker wel doorvertalen naar milieu en dierenrijk!
‘Wees nu eens stil voor de HEER’ zo lijkt de bedoeling van de sabbat aardig getypeerd. In de woorden van Psalm 46: ‘Laat af en weet dat, dat ik God ben’ – een fijnzinnige weergave, die licht werpt op ons onderwerp. Paulus reikt ons van dit ‘laat af’ de nieuwtestamentische actualisering aan: Van de wereld gebruik maken, als zouden wij haar niet ten einde toe gebruiken (I Korintiërs 7:3).
Voortrekkersrol?
Globaal bekeken – ik generaliseer dus wat – lijken wij als westerse gelovigen in ons gejaagde beroepsleven die ontspanning niet meer zo uit te stralen.
Het ontspannen bijbelse rentmeesterschap kwam sinds de opkomst van kolonialisme en industriële revolutie steeds meer onder druk te staan. Is het dan toch waar dat het kapitalisme met zijn drang tot ongebreidelde groei een bastaardkind is van de calvinistische arbeidsethos, zoals vaak beweerd wordt? Of zijn de driften die voortvloeien uit renaissancebron meer verantwoordelijk?
Het maakt niet zoveel uit. Of wij deze geest nu zelf opriepen dan wel onbewust binnengehaald hebben, zij blijft ons op de hielen zitten.
Als tegengif zou er vanuit het bijbelse rentmeesterschap een nieuwe ‘entstof’ ontwikkeld moeten worden: Een omslag in het denken over rentmeesterschap als liefdevol en dienend beheer, dat gebaseerd is op ‘loslaten’.. Tot eer van onze Schepper en tot welzijn van mens en dier. In het voetspoor van Franciscus wellicht. Velen hebben hier al tegengas geboden. De Albert Schweizer van Lambarene heeft krachtig gepleit voor een ethiek van ‘eerbied voor het leven’.
Prof. Goudzwaard kwam met zijn economie van het genoeg. Dick Stellingwerf laat op dit gebied nog steeds een duidelijk geluid horen. Zullen zij roependen en in de woestijn blijven? Stellingwerf pleit er met name voor dat in de discussie over dierenwelzijn de kerken en christelijke organisaties meer een voortrekkersrol gaan spelen.2 In mondiaal perspectief zegt de missioloog prof. Jongeneel er het volgende van: ‘Geen cultuur heeft de natuur zo uitgebuit en uitgeput als de westerse cultuur van na 1940 / 45. Geen cultuur heeft ook zoveel afval en zoveel mest geproduceerd als ‘onze’ cultuur. (…) Daar dit proces van uitputting en van vernietiging vooral is ingezet en wordt voortgezet door dat deel van de wereld dat als ‘christelijk’ te boek staat (annex: door Japan), moet dit, missionair ethisch gezien, ook primair aangepakt worden door westerse christenen en kerken.
Het is voor hen nu zaak om even krachtig tegen deze natuurverkrachting te strijden als in de voorbije periode tegen de slavernij.’ 3 Zijn niet de slaven van gisteren de dieren van vandaag?
Om het tij te keren lijkt een krachtige tegenbeweging nodig. Laat de minderheidspositie die we als christenen innemen ons niet ontmoedigen. Met anderen dring ik aan op voortgaande bezinning op christelijk rentmeesterschap, op dier en milieu èn op ons vreemdelingschap in het licht van de sabbat. ‘Er moet’, om Jongeneel nog eens aan te halen, ‘(…) een middenweg bewandeld worden tussen de scylla van de vergoddelijking der natuur door de traditionele religies enerzijds, en de charibdis van de moderne, gedesacraliseerde uitbuiting hiervan anderzijds.’ In plaats van een ‘middenweg’ zou ik nog liever spreken van een hogere weg.
Immers, hoezeer sacralisering en desacralisering ook uit elkaar liggen, in beide gevallen wordt de natuur losgemaakt van de Schepper. Dat geldt voor legbatterij-kippen en kistkalveren evengoed als voor de heilige koe.
1 Zo las ik in een krantebericht n.a.v. een lezing waarin Schenderling voortborduurde op zijn studie Mens en dier in theologisch perspectief, een bijdrage aan het debat over de morele status van het dier.. Zoetermeer, 1999.
2 Zie diverse artikelen van zijn hand, zoals bijeengebracht in de ChristenUnie-brochure Boeren Burgers en Buitenlui, Over rentmeesterschap t.a.v. landbouw, natuur en milieu..
Den Haag 2001. Voor de spiritualiteit die nodig is voor deze discussie lijkt mij het boek van drs. W. G. Rietkerk, De kunst van het loslaten. Kampen 2001, heel geschikt. Voor wie dieper wil graven zie: J.J. Boersema, Thora en Stoa over mens en natuur. Baarn 1997.
3 Zie dr. J.A.B. Jongeneel, Missiologie: II Missionaire theologie. ’s-Gravenhage 1991, pp 124–125.
| Nog bloedt uit duizend wonden Nog bloedt uit duizend wonden, nog krimpt bij elke wee, nog zucht om onze zonde, de schepping met haar vee. Een plaag houdt ons gevangen. Zij dooft het leven uit. O red ons van dit wrange: Die dood om eigen huid! Nog steunt en kreunt de aarde; bij ’t ruimen steekt de pijn. Een vrouw schreeuwt om te baren. Zal er nog leven zijn? Wie brengt van heel dit lijden de zin toch aan het licht? O Heer, kom ons bevrijden tot alles voor U zwicht. De dood op onze erven vloekt met uw heerlijkheid. Ik schuil in Jezus’ sterven, bij Hem die met ons lijdt – O Christus wil ons weiden, U die mijn tranen ziet, uw dag draagt al mijn tijden, uw rijk is mijn gebied. Wij lijken wel weer slaven, besmet met vreemd bewind. Toch roep ik ‘Abba Vader!’ en weet wie overwint. Laat, Heer, die Geest ons sterken. Sta helend ons terzij! Laat heel de wereld merken: de nacht is haast voorbij. (Ede, stille week 2001) |