De leer tegen het licht

2001-08-10
  • Jaargang 45
  • nummer 16
J'accuse - ik beschuldig. Zo luidde de aanklacht van de schrijver Emile Zola tegen de Franse regering. Het was een aanklacht naar aanleiding van één van de meest onverkwikkelijke affaires uit de moderne Franse geschiedenis.
De hoofdpersoon in deze affaire, die plaatsvond aan het einde van de negentiende eeuw, was Dreyfus, kapitein in het Franse leger.

Dreyfus diende bij de generale staf, juist op het moment dat een spionageaffaire speelde. Hij had de pech dat hij joods was en 'dus' schuldig aan deze spionagezaak. Dreyfus werd gedegradeerd en verbannen naar het Duivelseiland, een ellendig oord voor de kust van Frans Guyana en beroemd geworden door de boeken van Henri Charrière, beter bekend als Papillon. Pas jaren later werd Dreyfus gerehabiliteerd en van alle blaam gezuiverd. De affaire is de geschiedenis ingegaan onder de naam Dreyfus-affaire. Tegenwoordig weten we dat het een ordinaire oprisping was van latent aanwezig antisemitisme.

Toegepaste Mechanica
Deze affaire schoot mij te binnen tijdens het lezen van het Nederlands Dagblad van zaterdag 2 juni jongstleden.
Op de voorpagina stond een klein artikel met de kop ‘Blaauwendraad wordt hervormd’. Op pagina 2, de pagina met het kerknieuws, konden we lezen dat deze hoogleraar – want dat is hij in het dagelijks leven – is overgegaan van de Gereformeerde Gemeenten naar de Nederlandse Hervormde Kerk.
De aanleiding voor deze stap vormde een (geëscaleerde) discussie die was ontstaan rond de inhoud van een tweetal door hem geschreven boekjes.
In deze bijdrage wil ik stilstaan bij de inhoud van het tweede boekje: De leer tegen het licht – Belofte en verbond in Woord en Reformatie. De auteur, prof. dr. ir. Johan Blaauwendraad, is hoogleraar Toegepaste Mechanica aan de Technische Universiteit Delft en was enkele jaren geleden Rector Magnificus van diezelfde universiteit.
Misschien zijn er zelfs enkele lezers die zijn colleges hebben gevolgd en nu voor het eerst vernemen dat hij lid was van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika.
Voordat ik inga op enkele aspecten van de inhoud van 'De leer tegen het licht', zal ik eerst het kerkgenootschap waartoe prof. Blaauwendraad behoorde, in een intermezzo proberen te schetsen.
Met behulp hiervan kunnen we in het vervolg de inhoud van het boekje en de daaromheen ontstane discussie beter verstaan en plaatsen.

Intermezzo: de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika
De Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika (kortweg: Gereformeerde Gemeenten) zijn in 1907 voortgekomen uit het samengaan van de zogeheten Ledeboeriaanse Gemeenten en de Kruisgemeenten. Na 1907 kwamen daar ook nog enkele Vrije Gereformeerde Gemeenten bij.
De Ledeboeriaanse Gemeenten zijn ontstaan door het werk van ds. L.G.C. Ledeboer (1808-1863). Deze predikant werd in 1840 geschorst als predikant van de Nederlandse Hervormde Kerk omdat hij niets meer wilde weten van de reglementenbundel en het toen in gebruik zijnde gezangboek. Hij ging door met preken en daarom werd hij in 1841 afgezet. Om de persoon Ledeboer verzamelde zich enkele gemeenten die gezamenlijk verder gingen onder de naam Ledeboeriaanse gemeenten.
De Kruisgemeenten daarentegen hebben hun wortels in de Afscheiding van 1834. Het grote verschil tussen de Kruisgemeenten en de andere afgescheiden gemeenten lag op het vlak van het wel of niet erkend willen worden door de overheid. De Kruisgemeenten weigerden erkenning aan te vragen omdat dit een verloochening zou inhouden van het koningschap van Christus.
Na zich later ook nog losgemaakt te hebben van de Christelijke Gereformeerde Kerken (niet te verwarren met de huidige Christelijke Gereformeerde Kerken!), gingen zij tot 1907 zelfstandig verder als Kruisgemeenten.
De Gereformeerde Gemeenten behoren tot de zogeheten bevindelijk gereformeerde kerkgenootschappen.
Bevindelijk houdt in dat de strikt individuele beleving van de omgang met God als vrucht van de bekering geldt.
Andere gemeenschappelijke kenmerken binnen bevindelijk gereformeerde kring zijn het benadrukken van de leer van de uitverkiezing en de noodzaak van bekering, die dan meer wordt herkend aan een diep ingeleefde ellendekennis dan aan een vrijmoedig geloven in Jezus Christus, en het onderscheid tussen bekeerden en onbekeerden dat ook in de prediking tot uiting moet komen. Daarnaast vindt men in bevindelijke kring ook grote waardering voor schrijvers uit de zeventiende en achttiende eeuw (de zogeheten oudvaders) die kenmerken van het echte geloof benadrukten, de belijdenis dat de mens zèlf niets aan zijn eigen zaligheid kan doen, en tenslotte de berusting in alles dat de mens door de voorzienigheid van God kan 'overkomen'.
Naast deze meer leerstellige zaken, valt ook het gebruik van de Statenvertaling van 1637 op, het zingen van niet-ritmische psalmen, avondmaalsmijding, het afwijzen van televisie en internet en het gebruik van de 'tale Kanaäns'de eigen woordenschat voor geestelijke zaken. Natuurlijk hangen deze meer praktische aspecten nauw samen met de eerder genoemde leerstellige aspecten.
Naast bevindelijk zijn de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika ook 'gewoon' gereformeerd: naast de Bijbel gelden ook de Heidelbergse Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels (de Drie Formulieren van Enigheid) als basis voor de theologie.

Algemene karakterisering
Het onderwerp dat Blaauwendraad in ‘De leer tegen het licht’ aansnijdt, is de naar zijn opvatting eenzijdige manier waarop het heil door veel predikanten van de Gereformeerde Gemeenten wordt verkondigd. Bovendien heerst er volgens hem een gebrek aan openheid om over dit onderwerp te kunnen publiceren. Blaauwendraad constateert dat de rijkdom van het Evangelie terughoudend wordt verkondigd in de Gereformeerde Gemeenten. Hij bestrijdt deze terughoudendheid en ook de gronden waarop het gebeurt: dat er gelovigen zouden zijn die nog niet bekeerd zijn en dat er standen van genade zouden zijn. Voor de onderbouwing van zijn betoog gebruikt Blaauwendraad zowel het Evangelie zelf als de geschriften van reformatoren als Luther en Calvijn. De genoemde zaken hangen nauw samen met de gangbare leer binnen bevindelijk gereformeerde kring (zie hiervoor het bovenstaande intermezzo) en is daarmee in die zin niet zo relevant voor onze kerken. Toch snijdt prof. Blaauwendraad in zijn boekje onderwerpen aan die ook voor ons buitengewoon leerzaam zijn. Ik kom hier verderop op terug.
Wat als eerste opvalt wanneer je het boekje leest, is de directe manier van schrijven. Daarmee bedoel ik dat Blaauwendraad de dingen gewoon bij de naam noemt en dat hij de predikanten, waarmee hij in debat is, ook bij ‘naam en toenaam’ noemt. Ik vind dit opvallend, omdat mijn ervaring is dat men in bevindelijke kring doorgaans veel verhullender spreekt en schrijft over geloofszaken.
Blaauwendraad schrijft bijvoorbeeld openlijk over het werk van de Heilige Geest en noemt een grote opponent, ds. Van Eckeveld, gewoon bij naam en spreekt hem soms ook direct aan. De auteur kan echter niet anders dan zo nu en dan 'grof geschut' gebruiken, want zijn opponenten zitten diep weggedoken in de stellingen van het eigen gelijk.
Naast de openheid en directheid vallen ook de felheid en soms zelfs de wanhoop op. Blaauwendraad is fel wanneer hij de reacties op zijn eerste boekje (Het is ingewikkeld geworden, verschenen in 1997) bespreekt.
Zo wordt verscheidene malen duidelijk aangegeven dat het hem niet lekker zit hoe zijn eerste boekje dat eigenlijk gaat over hetzelfde onderwerp, in een tiental artikelen in De Saambinder (de ‘Opbouw’ van de Gereformeerde Gemeenten) naar zijn gevoel volledig is misverstaan. Wanhoop klinkt bijna door in Blaauwendraads woorden wanneer hij een dringend appèl doet op de kerkelijke leiding om de mensen te laten zien wat er in de Bijbel staat (p. 40) en om de tijd te verstaan, bijvoorbeeld waar het gaat om het vasthouden aan de Statenvertaling (p. 134/ 135) en het gebruik van internet (p. 139/140).

De leer tegenover het Licht?
Daarmee zijn we aangeland bij hoofdstuk 8 van het boekje: Kern en bast.
Welke zaken van de kerkelijke traditie behoren tot de kern van ons christenzijn en welke tot de bast, de bijzaken?
Deze vragen spelen ook bij ons.
Misschien gaat het om hele andere aspecten, de kwestie zèlf blijft dezelfde: vormen bepaalde tradities, bepaalde 'ingeslepen' vormen voor jongeren een belemmering om te geloven en om aansluiting te vinden bij de gemeente?
Want dat is eigenlijk de vraag die Blaauwendraad in dat hoofdstuk dringend aan de orde stelt.
Gaat het bij ons eigenlijk wel om wezenlijk andere zaken dan die Blaauwendraad in zijn hoofdstuk 8 aan de orde stelt? Ging het bij ons op de Landelijke Vergadering niet óók over een bijbelvertaling: wel of geen Nieuwe Bijbelvertaling? Wordt het jongeren bij ons soms óók niet erg moeilijk gemaakt om aansluiting te vinden bij de gemeente wanneer sommige ouderen gewoon weigeren mee te zingen bij Opwekkingsliederen en gewoon wegblijven bij diensten waarin niet alleen het orgel in muzikaal opzicht de hoofdrol speelt? Naar mijn stellige overtuiging gewoon ‘kern en bast’.
Dan nu de titel: De leer tegen het licht.
Hoewel ik maar enkele onderdelen uit het boekje van Blaauwendraad aan de orde stel, wordt de dubbelzinnigheid van de titel naar ik hoop wel duidelijk.
Wordt de leer kritisch tegen het licht gehouden of staat de leer van de kerk lijnrecht tegenover het Licht?

Ik beschuldig
Als besluit wil ik nog iets kwijt over hoe wij als christenen om kunnen gaan met een criticus als Blaauwendraad.
De laatste anderhalf jaar mocht hij zelfs niet meer deelnemen aan het avondmaal! Wat (of wie!) gaat hierachter schuil?
Ik ben begonnen met j‘accuse – ik beschuldig.
Nu denkt u misschien dat ik dit richt tegen de kerkelijke leiding van de Gereformeerde Gemeenten – het ‘kerkelijk voorgestoelte’ in de woorden van prof. Blaauwendraad. Nu, over deze kerkelijke leiding valt zeker ook wel iets kritisch te schrijven. Immers, gelden voor haar ook niet de woorden van Gamaliël uit Handelingen 5?
Gamaliël geeft in dat hoofdstuk aan het 'voorgestoelte' van de Joden de raad zich niet te bemoeien met de christenen, want als hun streven of hun werk uit mensen is, zal het vernietigd worden, maar indien het uit God is, zul je het niet kunnen vernietigen. "Het mocht eens blijken, dat gij tegen God strijdt".
Naar mijn stellige overtuiging staat achter dergelijke twisten altijd allereerst een Persoon. Uiteraard blijven wij mensen, wij christenen, altijd zelf verantwoordelijk bij kerkelijke twisten.
We staan er immers zelf bij wanneer het uit de hand loopt? Nee, ik beschuldig vooral hem die direct belang heeft bij ruzies en partijschappen bij ‘de kinderen van het Licht’. Ik beschuldig hem over wie ik op catechisatie leerde dat we hem niet buiten de kerk moeten zoeken maar juist binnen de kerk.
Ik beschuldig hèm: ‘de mensenmoorder van den beginne’!

N.a.v. De leer tegen het licht – Belofte en verbond in Woord en Reformatie, van dr. ir. J. Blaauwendraad, Uitgeverij Groen, 157 blz., prijs fl. 24,95.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief