Kijken naar de preek

2001-08-31
  • Jaargang 45
  • nummer 17
In het Nederlands Dagblad werd in het voorjaar een discussie gevoerd over het hanteren van visuele elementen tijdens de preek. Dit gebeurde naar aanleiding van uitspraken door dr. P. van Gurp tijdens een ledenvergadering van ‘Reformanda’ (een vereniging van verontruste vrijgemaakten). Hij toonde zich een tegenstander van het gebruik van visuele hulpmiddelen is: het wóórd moet het doen. In het Nederlands Dagblad schreef ik hier een reactie op en in ‘Opbouw’ licht ik nu die reactie nader toe.

Toen ik las wat ds. Van Gurp over het visueel ondersteunen van de prediking vertelde moest ik als vanzelf terugdenken aan de zondag dat ik hem twee keer heb horen preken. Het waren degelijke preken, maar helaas kan ik me niet herinneren waar ze over gingen.
Nu gebeurt dat veel vaker met preken. Als ik op dinsdag word opgebeld hoe ik de preek van zondag vond moet ik vaak erg diep in mijn geheugen graven. Waar ging die preek ook al weer over? Niet omdat de preken saai zijn, maar omdat er zoveel om ons heen gebeurt dat het thema van de preek ons vaak niet meer te binnen wil schieten. Daarnaast hebben we de neiging om passief te luisteren; kinderen die tijdens de dienst preekvragen beantwoorden weten vaak beter dan hun ouders waar de preek over ging.
De paradox in relatie tot het referaat van ds. Van Gurp was dat ik de preek vergeten ben, maar dat ik de predikant nog wel zie preken. Ik zie de hoge preekstoel voor me, het zonlicht, het gezicht en de gebaren van de predikant.
Wat ik heb gehoord ben ik kwijt, wat ik heb gezien heb ik onthouden. Dat kan kloppen, zoals de meeste mensen ben ook ik meer visueel dan auditief ingesteld: ik onthoud meer met mijn ogen dan met mijn oren.

Oók zien
Strikt genomen is het vreemd om te denken dat je het in de preek tijdens de kerkdienst alleen van het gehoor moet hebben. Alle predikanten maken – naast hun stem – gebruik van allerlei andere hulpmiddelen om er zorg voor te dragen dat de boodschap over komt.
Als iets belangrijk is wordt dat met gebaren ondersteund, als er sprake is van heftige emoties wordt de beweging sneller, als de predikant ontroerd is zie je dat aan zijn mimiek. In de kerk kun je heel goed merken hoe belangrijk die visuele ondersteuning is, want zodra er iemand voor ons gaat zitten die het zicht op de voorganger belemmert schuiven we een eindje op. We willen niet alleen horen wat de dominee zegt, we willen hem ook zien.
Uit mijn jeugd herinner ik me diverse preken juist dankzij de mogelijkheden van visuele verbeelding. De voorbeelden waren de ‘ankerpunten’ waarom die preken me nog voor de geest staan.
En ik ben blij dat die predikanten de Boodschap zo visueel brachten dat ik dankzij de kapstok van de visuele ondersteuning me die preken ook nú nog kan herinneren.

De boodschap wordt gemist
Maar was dat nu wel wat dr. Van Gurp bedoelde? Helaas heb ik alleen ‘via-via’ van zijn opvatting kennis kunnen nemen. Vermoedelijk heeft hij in zijn lezing gedoeld op het gevaar van het gebruik van hulpmiddelen. Eerlijk gezegd kan ik daarin een eind met hem mee gaan. Er zijn op de TV reclameboodschappen die direct indruk maken.
Maar…. ze zijn zó bijzonder dat je je wél de reclame herinnert, maar niet meer voor welk product er reclame werd gemaakt. Dat kan ook tijdens de kerkdienst gebeuren. De voorganger heeft tijdens zijn opleiding geleerd dat mensen gemakkelijker onthouden door het zien dan door het luisteren. En dus slooft hij zich iedere week weer uit om bij de preek van zondag een passend en beeldend voorbeeld te bedenken.
Het gevaar is dan dat de voorbeelden steeds spectaculairder moeten zijn.
Een voorganger (of liturgiecommissie) is zó bezig zijn met het zoeken naar verbeeldende voorwerpen dat de boodschap op de achtergrond raakt.
De hoorder weet dan nog wel dat er twee enorme pallets met bakstenen in de kerk stonden opgesteld, maar wat was ook alweer het verband met de preek? Zo schiet het verbeelden dus zijn doel voorbij en wordt de boodschap gemist. Dus alstublieft geen stuntwerk in de kerk!

Zichtbare voorbeelden
In de discussie in het ND schreef ds M. van Veelen (Geref. Vrijg.) dat de profeten ‘zich bedienden van de gekste voorwerpen’. Wie de profeten in het Oude Testament er op naleest ziet inderdaad dat ze de opdracht kregen om met zeer vreemde attributen aan de slag te gaan. Ook Jezus bedient zich tijdens zijn verkondiging op aarde vele malen van zichtbare en in die tijd zeer herkenbare beelden.
Waarom vindt een deel van de kerkgangers het nu dan ‘vreemd’ als de voorganger gebruik maakt van zichtbare voorbeelden? Waarschijnlijk vooral omdat ze het niet gewend zijn.
Anders zou ik niet weten waarom een gemeentelid bezwaar maakte tegen het gebruik van een overheadprojector waarop de tekst van die zondagmorgen zichtbaar was uitvergroot. Die tekst lees je mee in je Bijbel, deze keer kun je hem dus ook volgen tijdens de preek, zonder dat je je leesbril weer tevoorschijn moet halen.
Overigens is zo’n bezwaar in onze kerken een heel grote uitzondering.
Maar een aantal punten uit de preek op ‘sheet’? Ook dat lijkt me weinig revolutionair. En een plaatje via de overheadprojector projecteren? Dat gaat al een stap verder. Een illustratie van een ceder, een plaatje van een bazuin, een afbeelding met de kleur van saffier, een foto van de Jordaan… ‘Dat doet er niet toe,’ zegt de één. De ander merkt op: ‘Daar hebben we toch zelf wel een idee bij?’ Inderdaad: de oudere gemeenteleden hebben daar in hun hoofd wel een plaatje bij.
Maar hoe zit het met jongere gemeenteleden?
De grootste moeite lijkt te zitten in de overgang naar voorwerpen die de bedoeling van de tekst moeten verduidelijken. Toch zou ik niet weten waarom we –mits sober en gepast- ook niet aan de hand van concrete voorwerpen kunnen laten zien wat de bedoeling van een tekst is. Het paslood uit Amos begreep ik pas echt toen de voorganger een paslood had laten zien.
Een ND-lezer reageerde n.a.v. de discussie: ‘Wat ben ik blij dat onze predikant tegenwoordig regelmatig voorbeelden laat zien. Ik zou niet weten hoe ik anders sommige bijbelgedeelten aan mijn kinderen uit zou moeten leggen. En bovendien onthoud ik zelf de preken nu ook beter.’

Kijkcultuur?
In het Nederlands Dagblad schreef ik dat we in een kijkcultuur leven. Daar werden door lezers vraagtekens bij gesteld: is dat wel zo? Natuurlijk is zo’n stelling (te) algemeen. Toch kunnen we er niet onderuit dat wat we zien beter wordt onthouden dan wat we horen en bovendien is onze tijd nog meer op het zien georiënteerd geraakt.
‘Opbouw’ is nog steeds zeer sober qua illustraties, maar een nummer van 10 jaar geleden is voor een deel van de lezers anno 2001 al bijna onleesbaar geworden: een heel blad zonder foto of plaatje…. Als ik een christelijk jongerenblad doorblader wordt het me druk voor de ogen, maar het is wel de cultuur waar jongeren in opgroeien: veel zien, minder lezen. Vroeger gebruikten we in het onderwijs vooral het schoolbord (dat is ook visueel), tegenwoordig moet je als docent ook technicus op het gebied van allerlei ingewikkelde apparatuur zijn. Je vertelt een stukje en dan illustreer je dat met allerlei visuele hulpmiddelen.
Maar hoe zit het dan in China, waar mensen voor een transistorradio geboeid luisteren naar het Evangelie?
Gelukkig is dat daar realiteit, maar China heeft een heel andere cultuur dan de Nederlandse samenleving.
Daar kunnen kinderen nog uren gedisciplineerd in de klas zitten. In Nederland lukt dat hooguit als mensen persé op de hoogte willen zijn en ze geen TV bij de hand hebben, zoals onderweg tijdens een voetbalwedstrijd gespannen naar de radio luisteren. Ja, maar het Evangelie is toch minstens zo belangrijk als een voetbalwedstrijd?
Het is teleurstellend dat de meeste kerkmensen in ons land niet op die manier geboeid zijn door de boodschap van de Bijbel dat ze alles op alles zetten om naar die boodschap te luisteren. Helaas is de praktijk van het leven weerbarstiger dan de leer en met die praktijk hebben we te maken.
Maar vroeger konden mensen wél luisteren naar de preek, waarom kunnen we dat nu niet meer opbrengen?
Laten we wel wezen: ook vroeger ging een deel van de preken het ene oor in en het andere oor uit. Zelf ben ik inmiddels 50-plusser en na bijna 5.000 preken ben ik wel zo getraind dat ik een preek van 20 minuten nog helemaal kan volgen. De kerkdienst is echter niet alleen voor 50-plussers. Er groeit een generatie op die echt niet meer gewend is om 20 minuten alleen maar te luisteren. Goed, de dominee valt ook nog wel te zien, maar toch: het volgen van al die woorden kost toch echt moeite. We kunnen het jammer vinden, maar onze (klein)kinderen groeien wel in déze samenleving op.

Actie of stilte?
Maar worden we niet een beetje moe van al die actie? Ja, er is inderdaad een tendens waarneembaar die weer op zoek gaat naar verstilde vormen. We zien dat in het bedrijfsleven, de tijd van Tsjakka! maakt weer plaats voor vormen van (wereldse) meditatie. We zien het ook in de kerk gebeuren. Zo trekken in de USA mensen uit de traditie van de Reformatie naar de Russisch orthodoxe kerk. In Nederland merken we de roep om stilte in de belangstelling voor de Taizé-vieringen.
Deze ontwikkeling vindt –naar mijn mening- zijn wortels in het zoeken van een evenwicht tussen het ‘innen’ en het ‘uiten’ (zoals verwoord door ds. K. Holwerda tijdens de Opbouwdag 2001). Je wordt er zó moe van als je steeds maar je geloof moet uiten, als je voortdurend op het puntje van je stoel moet zitten. Soms moet je ook stil (kunnen) zijn voor God.

Kennis overdragen
Terug naar het visuele aspect bij de prediking. De balans moet niet doorslaan.
Een voorganger moet zich niet verplicht voelen om zondag aan zondag allerlei visuele ‘trucs’ te bedenken.
Daarmee zou hij volledig het doel van de prediking voorbij schieten. Het criterium van een goede preek is immers niet of er iets te zien valt.
In de reformatorische kerken liggen bij de prediking ook accenten bij de kennis-overdracht: we willen iets leren.
Als we dat aspect (ook) belangrijk vinden zullen we ons af moeten vragen op welke wijze de kerkgangers het beste bij de preek betrokken raken.
Dat kan door concrete voorbeelden uit het dagelijks leven voor te leggen, door vragen te stellen aan de gemeenteleden, door preekvragen aan kinderen uit te delen, maar ook door een aspect uit de preek visueel te verbeelden.
Vooral onderwijzers hebben vaak een schat aan ideeën in huis om die kennis passend in deze tijd over te dragen.
De stelling dat de preek alleen het gehoor zou moeten aanspreken lijkt mij veel te massief en ook op bijbelse gronden nauwelijks verdedigbaar. We mogen in de eredienst gebruik maken van de zintuiglijke mogelijkheden die God ons gegeven heeft om Zijn Boodschap over te brengen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief