Op kamers in Villa Nederland?
2001-08-31
Wat gaan we doen, als christenen in Nederland in de 21e eeuw? Alleen maar in ons eigen stille hoekje Ach en wee roepen over wat er allemaal veranderd is, en vooral over alles wat we kwijtgeraakt zijn? O zeker, daar zouden we best reden voor hebben. Maar als we niet meer doen blijft het allemaal wel erg steriel en onvruchtbaar.- Jaargang 45
- nummer 17
In het juli-nummer van CV.Koers staat een verhaal van Otto de Bruijne over dit onderwerp. ‘Huurder in eigen huis’, is de titel. De Bruijne: Hoe ik me () voel in dit land? Ik voel me als toen ik laatst in het huis kwam waar ik als kind heb gewoond. Wij hadden een heel groot huis, een pastorie, en daar zit nu een advocatenkantoor in. Ik liep door dat oude huis, en alles was zoveel kleiner omdat ik nu zoveel groter ben, en opeens voelde ik me heel merkwaardig.
() Toen dacht ik: Villa Nederland, dat prachtige grote huis dat door monniken is opgebouwd, door kloosterorden is ingericht, en dat door de eeuwen heen werd uitgebouwd door generaties van mensen die de Bijbel in het middelpunt van hun leven stelden - die enorme Villa Nederland, waarvan mijn ouders ooit eigenaar waren, daar ben ik als christen een huurder geworden van een achterkamertje. Als christenen zijn we een minderheid geworden. We zijn huurders in een huis waarvan onze voorouders nog konden zeggen: dit is een christelijk huis. Dat geeft een heel vreemd gevoel. Je loopt door de gangen, en je kent het zo goed. Je kent elk plekje, je weet waar de afvoerputjes zitten en de meterkast. Je weet precies hoe het huis in elkaar zit. Je weet wat de dragende muren zijn. Maar de nieuwe eigenaren zijn volop aan het verbouwen. Er worden dragende muren gesloopt, zelfs de fundamenten worden weggebroken. En je waarschuwt nog, maar ze lachen schamper. Ze zeggen: ‘Hé, oude fundamentalist, waar bemoei jij je mee? Ga terug in je hok.
Jullie hebben vroeger genoeg schade aangericht in dit huis!’ Zo dwaal ik als christen in dat grote huis Nederland en trek me terug in mijn eigen kleine kamertje. Daar kan ik tenminste nog heerlijk de Here prijzen en ik kan er nog zeggen wat ik wil, omdat toch niemand me hoort. Ik ga steeds meer in mijn eigen christelijke hoekje zitten, waar ik me veilig voel. Vervuld van nostalgie pak ik nog eens de fotoalbums van vroeger. En dan zie ik prachtige dingen uit de tijd dat dit nog een christelijk huis was.
Maar ik zie opeens ook de enorme ruzies die er in de familie waren. Hoe we elkaar met hardgekafte psalmboekjes en keiharde dogma's om de oren sloegen. Hoe de ene na de andere kerk scheurde en harten verbitterd raakten.
Hoe we tegenover elkaar hebben gestaan en hoe de ene kerk of gemeente zich boven de andere verhief.
Hele verdiepingen werden dichtgetimmerd en sommige van die kamers zeiden: wij zijn de enige echte eigenaars van de villa.
Als ik die fotoboeken bekijk, dan staat het schaamrood me op de kaken. Dan zie ik plotseling dat er mensen uit de ramen zijn gesprongen, omdat ze het niet meer konden volhouden. Mensen die zeiden: als christenen zó zijn, als dít geloven is, dan hoeft het van mij niet meer. Mensen zijn soms gewond en gehavend uit de ramen van onze villa gesprongen en in ongeloof op het plaveisel terechtgekomen. Opeens begrijp ik dat wij ontzettend veel op ons hebben geladen, toen wij eigenaren waren van Villa Nederland. Ik begin te begrijpen waarom er zoveel verwarring is gekomen.
Vervolgens verwijst Otto de Bruijne naar de manier waarop 1 Petrus 2 de christenen in deze wereld worden aangesproken: ‘Geliefden, ik vermaan u als bijwoners en vreemdelingen’.
Het is nooit anders geweest, zegt hij; want de God in Wie wij geloven is niet de God van de eigenaars en de machthebbers, maar van de bijwoners en vreemdelingen. En dan concludeert hij: We moeten alle eigendomsclaims uit ons hart verbannen en erkennen dat we bijwoners en vreemdelingen zijn in West-Europa. Omdat onze God een vreemdeling en een bijwoner is. Onze God is onbegrijpelijk en onuitstaanbaar.
Hij heeft namelijk geknield voor mensen en gezegd: ‘Ik wil jouw voeten wassen’. Dat mogen goden helemaal niet, want goden moeten sterk zijn.
Maar onze God heeft aan het kruis gehangen. Hij heeft ons vuil gedragen.
En Hij heeft ons gevraagd: ‘Wat mag Ik aan jou doen?’ () Als bijwoners en vreemdelingen kunnen we zeggen: ‘Here God, wat een voorrecht dat we in dit land mogen wonen, nu al die verbouwingen plaatsvinden en er zoveel dragende muren weggehaald worden in onze maatschappij’.
We zijn bijwoner om zendeling te zijn, om tot zegen te zijn en liefde uit te stralen in dit land.
Vreemdelingen en bijwoners zijn gezondenen.
Mensen die Nederland willen dienen. Die de politiek willen dienen.
Die de economie, de wetenschap en de techniek willen dienen. Die hun liefde en hun kracht willen geven aan hun eigen buurt, hun eigen wijk, hun eigen stad. Die zich niet terugtrekken op een huurkamer, maar zeggen: ik wil een zegen zijn voor dit land, ik wil bidden voor dit land. Ik wil in de bres gaan staan, ook al gaat dit land de beker leegdrinken tot de allerlaatste druppels, wij geven het niet op en wij staan tussen U en dit land, en wij zeggen: ‘O Here God, delg dit land niet uit, maar strek Uw hand uit over dit land en wees ons genadig. U heeft dit land overgeleverd aan zijn denken, maar Here God, breng een wending en redt uit deze massa de duizenden, de tienduizenden, en doe nog een late regen komen over ons land. Here God, wees ons genadig. Strek Uw hand over ons uit, en mocht het zijn, wilt u dan toch een vernieuwing geven. Wij hebben het niet verdiend, maar Here God, niet om ons, maar alleen om Uw eer.
Alleen opdat de wereld zal weten: Jezus Christus leeft, Hij is de Messias.’