'En alles vloekte, maar hij vloekte niet'
2001-09-14
Ouderen onder u zullen zich zeker bibliotheekboeken herinneren waarin je zo nu en dan woorden tegenkwam die door potlood- of balpenstrepen volstrekt onleesbaar geworden waren. Een eerdere lezer van hetzelfde boek had op die manier de vloeken weggewerkt, uit protest, of om te voorkomen dat anderen zouden worden geconfronteerd met de lastering van Gods naam.- Jaargang 45
- nummer 18
Het is een methode die in onze tijd nauwelijks meer zou werken. Bij sommige boeken kan je aan het strepen blijven. Bovendien, dag in dag uit kom je op allerlei manieren met het ‘ijdel gebruik’ in aanraking.
En alles vloekte, maar hij vloekte niet luidt de slotregel van het mooie gedicht van Koos Geerts De koe moest baren en de koe was moe.
Hans Werkman gaf het als titel mee aan een boekje over vloeken in de moderne literatuur.
Het is een zeer leesbaar, boeiend boekje geworden van een auteur die zich een kind van de Here weet. 1)
Toenemend gebruik
Volgens een NIPO-onderzoek uit 2000 is het vloeken in Nederland sinds 1995 gelijk gebleven, maar wie de moderne literatuur enigszins volgt, kan nauwelijks anders dan constateren dat er in toenemende mate gevloekt en van schuttingtaal gebruik gemaakt wordt.
‘Van krachttermen om emoties te ontladen’ tot stopwoorden en losse uitroepen.
Je schrikt van de eigen ‘vondsten’ waarbij het gvd verhevigd wordt met scheld- of schuttingwoorden. Zo maar een voorbeeld: Het zojuist als Rainbowpocket verschenen Phileine zegt sorry staat er stijf van. Het is geschreven door Ronald Giphart, die met Joost Zwagerman onder de middelbare schooljeugd razend populair is en zeer druk gelezen wordt. De jongeren herkennen er, vrees ik, hun eigen leefomgeving in. 2) Nog zo een. Een paar maanden gele den verscheen de tweede druk van Vloeken, een soort woordenboek. Het is geschreven door dr. P.G.J. van Sterkenburg.
Die tweede druk bleek al na vier jaar nodig te zijn. De dikke wetenschappelijke studie telt 212 bladzijden theorie en 453 (!) bladzijden vloekwoordenlijst met omschrijving. Bij de eerste druk telde die lijst nog 265 pagina’s. Onze taalschat en de studie ervan is er in die paar jaar wel op vooruit gegaan. Of geeft dit onderdeel misschien juist blijk van een geweldige taalarmoede?
Bonte rij
Terug naar En alles vloekte, maar hij vloekte niet. De schrijver gaat niet alleen uit van wat hij al lezende tegengekomen is, maar hij citeert ook uit brieven en gesprekken met schrijvers en schrijfsters over zijn onderwerp.
De auteurs komen in een bonte rij langs:
- ongelovigen die toch geen vloekwoord uit hun pen kunnen krijgen, terwijl de beschreven situaties er alle aanleiding toe geven. Werkman noemt in dit kader Bezonken rood van Jeroen Brouwers, dat de gruwelijke gebeurtenissen in het Jappenkamp Tidjeng als achtergrond heeft.
- schrijvers die om duidelijk te maken dat er gevloekt wordt handige omschrijvingen vinden. Hans Werkman geeft een mooi voorbeeld uit Dossier 333 van B. Nijenhuis. Een man vloekt hevig nadat er op zijn tenen getrapt is. De veroorzaker van de pijn biedt zijn excuses aan en vervolgt: ‘ U moet niet weer zo vloeken, uw tenen zijn Gods eeuwige oordeel niet waard’.
- ‘gebruikers’ die het niets schelen kan; die de gvd’s en de namen van God en zijn Zoon lukraak gebruiken als stopwoord; of om hun weerzin uit te drukken, of hun ergernis.
- anderen die zich verdedigen door te zeggen dat het vloeken in hun boeken functie heeft; dat de beschreven situaties er om vragen of dat het past bij de verhaalfiguren.
Werkman bestrijdt met name de laatste categorie; hij weerlegt hun argumenten op veel punten: hij laat zien dat Schakels van Heijermans totaal niet van uitdrukkingskracht veranderde toen de NCRV het uitzond met weglating van de vloekwoorden. Vervanging van een vloek door Jezus Christus in het bekende gedicht Vrede van Vroman maakte het voor christenen niet alleen acceptabel, maar ook meer aansprekend.
En dat laatste maakt nog iets anders duidelijk.
Allochtonen
We leven in een tijd waarin God voor veel mensen geen enkele realiteit meer is. ‘God en Jezus lijken in Nederland allochtonen zonder status, slechts aanwezig in de marge van onze samenleving’ (9). Maar hun namen worden vele malen gebruikt als stopwoord; bij schrik, bij verbazing of verwondering.
Het gvd is niet van de lucht. Als je er met iemand over in gesprek raakt en er op wijst, dat het een zelfvervloeking is, namelijk "God moge mij verdoemen’, krijg je steevast te horen dat het voor de gebruiker die betekenis niet meer heeft. Sterkenburg formuleert dat zo: ‘het gif is er uit’.
Is het gif er uit?
Zo simpel ligt het niet. Schrijvers kunnen wel zeggen dat de vloekwoorden die zij gebruiken, losgeraakt zijn van hun oorspronkelijke betekenis en dat ze dus niet zo letterlijk genomen moeten worden, maar voor christelijke lezers is dat niet zo. Die horen of lezen iets heel anders dan de schrijver bedoeld heeft. Als God genoemd wordt denken ze aan hun Vader en bij Jezus aan zijn Zoon. Dat blijft zo, ook als die namen als stopwoord gebruikt worden.
Hoe veel vloeken je ook te verwerken krijgt, je went er nooit aan, er ‘overheen lezen’ kan je niet. Ze wekken ergernis, irritatie. Ik ervaar zelf dat het afstand schept tot het verhaal dat je leest. In Babylon’ van Marcel Möring is een prachtige roman – met aanbevelingen tot in CV-Koers toe – en toch heb ik er moeite mee door de vele malen dat de naam van mijn Verlosser ijdel gebruikt wordt.
‘Het gif is er uit’. Dat betekent dat de vloekers hun eigen woorden niet serieus nemen. Hans Werkman merkt op dat dat nu juist het ijdel gebruiken is waar het derde gebod over spreekt.
Andere aspecten
Het boekje is niet uitgebreid, maar wel veelzijdig. Hans Werkman wijst nog op een heel ander aspect van veel moderne literatuur: Ook als je alle vloekwoorden eruit halen zou, blijven heel wat romans zelf een vloek. Omdat heel de beschreven situatie een vloek is. Hij maakt dat duidelijk aan de hand van Er valt een traan op de tompoes van Annie M. G. Schmidt en aan werk van o.a. Harry Mulisch (De ontdekking van de hemel) en van W.F. Hermans.
En tenslotte: Ook christen-schrijvers lopen gevaar Gods naam ijdel te gebruiken.
Dat kan als ze God voor hun romankarretje spannen, als ze een ongeluk of een wonderlijk voorval uit de lucht laten vallen om hun verhaalpersoon tot God te bekeren. Of als ze in een vroom bedoeld vers al te vlot ‘God’ laten rijmen op ‘lot’. (42) Een mooi boekje, fraai vorm gegeven, met foto’s van schrijvers. Fijnzinnig van inhoud. Heel geschikt ook voor jongeren en wat oudere middelbare scholieren.
Het is geschreven op verzoek van de Bond tegen het vloeken, die het mee uitgegeven heeft.
1) Hans Werkman, ‘En alles vloekte, maar hij vloekte niet’. Misbruik en gebruik van Gods naam in moderne literatuur. Uitg.
Buijten en Schipperheijn, Amsterdam. 48 blz. fl 10,- Het gedicht is te vinden in Staphorst, een bundel mooie, zeer toegankelijke gedichten.
(Amsterdam, 1998) 2) Ik hoop binnenkort in een artikel hier aandacht aan te besteden.