Een heer in het verkeer
2001-09-14
Waar zou die toch gebleven zijn? Die heer in het verkeer, bedoel ik. ‘t Zal ergens in het midden van de vorige eeuw zijn geweest, de tijd van ‘Laat niet als dank voor ‘t aangenaam verpozen, de eigenaar van ‘t bos de schillen en de dozen’, toen ook regelmatig die oproep klonk tot de weggebruiker om toch vooral een heer in het verkeer te zijn. Heel af en toe, achter op een oude auto, vind je nog die sticker: ‘Een heer in het verkeer is vaak een dame’.- Jaargang 45
- nummer 18
Maar verder wordt zelden nog iets van hem/haar vernomen. Sinds wij, ongeveer even stilzwijgend als collectief, besloten hebben om voor onze onderlinge omgang geen beroep meer te doen op fatsoensnormen, en de overheid als logische consequentie daarvan afziet van bevoogdende tekstjes ter bevordering van het algemeen fatsoen (alleen ‘Nederland gaat digitaal’ is nog acceptabel, maar dat is dan ook economisch), is er geen emplooi meer voor zo’n ouderwets figuur.
Assertief
Nu gaat het me in dit artikeltje niet om het verkeer; ik noem het enkel als symptoom van iets dat voor mijn besef veel breder is en ook veel dieper gaat.
Want wat is er gebeurd, met die heer in het verkeer; waar is hij gebleven?
Ik zal het u vertellen: op een dag kreeg hij bezoek van een vriend, die het goed met hem voorhad. Die vriend had een folder bij zich, van een assertiviteitstraining.
‘Dat is nou echt wat voor jou’, had hij gezegd. En iedereen die hem een beetje kende, zei het ook: ‘Moet je doen! Daar zul je van opknappen.
Jij komt veel te weinig voor jezelf op.
Dat is helemaal niet goed voor je, dat is niet gezond. Het is hoog tijd dat je eens wat weerbaarder wordt’.
En zo is het gegaan. De heer in het verkeer heeft de training gedaan, en werkelijk: hij is er als een ander mens uitgekomen. Hij weet nu dat hij rechten heeft, en dat het helemaal niet nodig is om anderen altijd voor te laten gaan.
Er zit wel een klein nadeel aan: want hij is ook harder geworden; maar dat hoort erbij, vindt hij zelf. Vroeger was hij veel te soft. Nee, ‘t is maar goed dat hij nu beter voor zichzelf op kan komen. En met dankbaarheid denkt hij terug aan de vriend die hem op het goede spoor gebracht had.
Tegendraads
Het verhaal van de bijbel staat hier wel erg haaks op. ‘Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus’, zegt Jezus; en Hij voegt er nog aan toe: ‘want dit is de wet en de profeten’ (Matteüs 7:12). Dat wil zeggen: dit is maar niet een terloopse opmerking, aan de rand van het menselijk bestaan, waar je ook met een gerust hart anders over kunt denken, nee, dit is waar het op aankomt in de bijbel, waar het om draait in het leven van een kind van God.
Hetzelfde staat ook in Lucas 6:31; daar omgeven door nog meer van die onmogelijke opdrachten: ‘Hebt uw vijanden lief; doet wel degenen die u haten; zegent wie u vervloeken. () Vraagt iemand iets van u, geef het hem; neemt iemand het uwe, vraag het niet terug’.
En dan, vers 31: ‘Gelijk gij wilt dat u de mensen doen, doet gij hun evenzo’.
Dus: bedenk wat jij graag wilt dat anderen voor jou zouden doen; en als je dat weet, ga je dus geen actieplan ontwikkelen om jouw legitieme rechten gerealiseerd te krijgen - want waarom zou je met minder genoegen noemen?
Je hebt er toch recht op?! -- nee, zegt Jezus, en Hij draait alles om: ‘Nu weet je ook wat jij voor anderen moet doen: precies hetzelfde wat je graag zou willen dat zij voor jou deden. Asjeblieft: ga je gang!’ Laten we eerlijk zijn: als dit niet in de bijbel had gestaan, dan had geen mens daar ooit mee aan durven komen. En zeker vandaag niet, in de tijd waarin wij leven. Want je moet toch juist assertief zijn, je moet voor jezelf opkomen.
Maar Jezus zegt, dwars daartegenin: ‘En zo moet je het doen. Want zo is het goed. Goed voor die ander, maar ook goed voor jouzelf’.
Aanpassing
Wat is er in de loop van de tijd gedaan met deze oproep van Jezus? Nu, daar is om te beginnen een spreekwoord van gemaakt, maar dan wel in een vorm die menselijk gezien misschien nog net haalbaar blijkt. Want wat Jezus zegt is gewoon te hoog gegrepen, dat haalt geen mens, maar als je het vertaalt in het negatieve, dan kan het misschien, dan kun je daar nog mee aankomen bij mensen. En zo is het dus geworden: ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook aan een ander niet’.
Jezus zegt het positief: Jij moet voor anderen doen wat je graag zou willen dat zij voor jou deden. Ons spreekwoord zegt: Je moet niet doen wat je niet zou willen dat ze tegen jou deden.
Overigens: als ieder mens zich zou houden aan dat spreekwoord, als niemand meer dingen zou doen waarvan je zelf niet zou willen dat anderen ze tegen jou deden, dan zou dat al heel wat zijn. Maar ‘t is wel minder dan wat Jezus zegt.
Vandaag
In onze tijd gaan we nog weer een stap verder; het spreekwoord - met dus de aanpassing aan wat menselijk haalbaar lijkt te zijn - hebben we nog een slag verder gedraaid. Wij zijn assertief geworden, wij komen op voor onszelf, voor onze legitieme rechten.
Nu gaat het niet meer om wat ik voor anderen moet doen; ook niet om wat ik moet nalaten - ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt...’ - het enige dat nu telt is dat ik krijg waar ik recht op heb.
Voor alle duidelijkheid: voor sommige mensen is het gewoon hard nodig om dat te leren. Ik denk in onze tijd met name aan de vele, vele mensen die slachtoffer zijn geworden van seksueel misbruik; ook binnen de kerk soms (tegelijk met het schrijven van dit artikel lees ik het indrukwekkende boekje van Leny Selles, ‘De herder was een huurling’). Bijna altijd heeft zulk misbruik te maken met deze dingen: want mensen denken dat ze altijd moeten doen wat een ander van hen wil.
Maar wie zo leeft, laat z’n leven bepalen door die anderen. Dat is niet goed; ‘t is ook niet wat God van een mens verlangt.
Ja, dat laatste moet er echt even bij; want diepweg hebben veel mensen het idee dat God dat toch eigenlijk wel van je vraagt: ‘Hij wil natuurlijk dat ik altijd mezelf wegcijfer’. Maar dat is niet waar; dat wil onze hemelse Vader niet; het is niet het doel dat Hij heeft met het leven van Zijn kinderen.
En nog eens: sommige mensen moeten dat gewoon leren.
Maar vandaag zijn we daar voor mijn besef in doorgeslagen. De nadruk op waar-ik-recht-op-heb laat een samenleving uiteenvallen in allemaal losse individuen. We zijn egoïstisch geworden; wij, samen, als mensen in Nederland; en maar al te vaak ook wij, kerkmensen, in Nederland. Het zit in de lucht; en ook wij ademen het in: ‘Als ik maar aan m’n trekken kom; ik heb mijn rechten’. En recht nummer één is: ieder mens mag streven naar het maximale, zonder daarbij gehinderd te worden door anderen. Er is maar één beperkende voorwaarde: het mag niet ten koste gaan van anderen. Maar als je je daaraan houdt heb je vervolgens het onvervreemdbaar recht om te streven naar het maximale op elk gebied.
Ik denk dat je ‘t om je heen ziet gebeuren: een maatschappij die opkomen-
voor-jezelf tot levensstijl heeft verheven, wordt hard en bijterig en vechterig. Hoe zal het - ik stel nu maar één vraag - over een paar decennia toegaan in verzorgingshuizen? Die worden nu nog voor een groot deel bevolkt door mensen die nooit echt geleerd hebben voor hun rechten op te komen; en die zich dus vrij gemakkelijk schikken in de omstandigheden waarin ze moeten leven. Maar dat wordt straks wel anders!
En voor de heer in het verkeer waarmee ik begon rest op z’n best nog een meewarige glimlach; maar waarschijnlijker valt hem enkel nog een gehaast: ‘Schiet op, ouwe sukkel’ ten deel...
De wortel
Ik ga nog één stap verder; of liever: één spa dieper. Want wat ligt eronder?
Wat is de wortel waar deze dingen uit voortkomen?
Ik ga daar in vragende vorm antwoord op geven; één antwoord, met uitsluiting van alle andere, is er niet; en als twee mensen hetzelfde doen of zeggen, is het lang niet altijd hetzelfde.
Toch: is het niet vaak zo, dat er een verzwegen vooronderstelling is, die de hoeksteen vormt onder veel cursussen en therapieën? Deze vooronderstelling: dat de mens heel diep van binnen, goed is. Zeker: er kan in de loop van een mensenleven veel mis gaan, er kan van alles bovenop komen te liggen, maar helemaal onderop moet een laag liggen waarin de mens goed is.
Dat betekent: als je in de omgang met elkaar alles nu maar goed duidelijk maakt, als je je motieven, je gedachten, je gevoelens helder in woorden weet om te zetten, dan moet het toch lukken. Dan is het toch mogelijk om in harmonie met elkaar gelukkig te leven?
En vaak is dat natuurlijk ook zo. Veel problemen tussen mensen liggen op het niveau van communicatie; van de manier waarop je met elkaar om gaat.
Stellig valt er op dat terrein heel wat te leren. Als het je lukt om de dingen op een andere, duidelijker manier onder woorden te brengen, dan vertaalt zich dat in de regel per kerende post in een beter begrip voor elkaar.
Wie zou dat ontkennen of daar geen oog voor willen hebben?
Maar dat is niet alles. Er is meer dan alleen een communicatieprobleem. En er is meer nodig dan enkel een assertiviteitstraining.
Want de vooronderstelling deugt niet. De mens is niet goed; ook niet heel diepweg, als je alle lagen die er in de loop van de tijd overheen zijn aangekoekt eraf krabt.
Hoe diep je ook graaft, je vindt uiteindelijk in de mens niet een onbedorven kern van waaruit je in staat bent om je legitieme rechten objectief en zuiver in kaart te brengen, zonder vertekening door eigenbelang en egoïsme.
Zo’n onbedorven kern is er niet.
Want de fout zit uiteindelijk niet in onze communicatie, maar in onszelf.
Mensen doen dingen verkeerd, maar we doen dat, omdat we fout zijn.
Omdat we niet diepweg goed zijn, maar omdat we op de bodem van ons menselijk bestaan verkeerd in elkaar zitten.
Nog eens: dat betekent niet dat het zinloos is om te proberen daar zoveel mogelijk aan te vertimmeren; wat veranderd en verbeterd kan worden is mooi meegenomen. Maar het betekent wel dat we daar niet te veel van moeten verwachten. En dat we elkaar niet het idee moeten aanpraten dat, als je nu alles maar netjes volgens de regels van de goeie cursus doet, het allemaal probleemloos gaat, en het geluk als beloning aan de einder op je ligt te wachten.
Recht en bestemming
Het valt te verwachten dat de wal van de realiteit het schip van vele cursussen en therapieën op weg naar het geluk op een gegeven ogenblik wel weer zal keren. Signalen in die richting zijn er ook. De koers zal weer bijgesteld worden. Maar als kerk hebben we daar een zoveel positievere motivatie voor dan enkel de teleurstelling over het onbereikbaar blijkend ideaal.
Zoals het een kwart eeuw geleden het juiste moment was voor Bruce Narramore’s boek, ‘De waarde van zelfrespect’, zo zou het vandaag tijd kunnen zijn voor ‘De waarde van nederigheid, van zelfopoffering, van naastenliefde’.
Assertief zijn, opkomen voor jezelf: dat kun je alleen goed doen, als je leven staat op het fundament van de Here Jezus; als je leeft in de ruimte die Hij je geeft. Dan hoef je niet meer voor jezelf die ruimte te bevechten; dan hoef je ook niet zelf een fundament onder je leven in elkaar te timmeren.
En vooral: dan ben je er niet meer van afhankelijk of je van anderen krijgt waar je recht op hebt.
Je vrijheid in Christus is dan zo groot, dat je ‘t je zelfs kunt permitteren om iets over je kant te laten gaan, en af te zien van je recht.
Want het hoogste in ons leven is niet dat we tot ons recht komen, hoe belangrijk ook. Maar het hoogste is dat je als kind van God tot je bestemming komt.
En wat je bestemming is, kan alleen God je vertellen.