Homohuwelijk?

2001-09-14
  • Jaargang 45
  • nummer 18
Er is al heel wat gesproken en geschreven over het zogenaamde ‘homohuwelijk’.
Als nogal hinderlijk heb ik daarbij de vermenging ervaren van argument en sentiment. Veel standpunten zijn niet gebaseerd op een logische argumentatie, maar op een bepaald gevoel zoals de spreker of de schrijver zich dat in zijn eigen levensgang heeft gevormd. Ik zou niet graag aan zulke gevoelens elk bestaansrecht willen ontzeggen; toch is het een verademing om in een kalm en nuchter betoog een aantal argumenten naar voren te zien komen die behulpzaam zijn bij het vormen van een mening.
In het julinummer van Kerk en Theologie vond ik zo’n betoog, van de hand van H.W. de Knijff. Helaas is het te lang om in z’n geheel over te nemen; ik probeer, zonder verder commentaar, een selectie aan te bieden die recht doet aan het geheel. Centraal in zijn artikel staat de vraag: Is het woord ‘huwelijk’ geschikt om te gebruiken voor de verbintenis van twee homofiele mensen? De Knijff: Ik ga uit van het - door onderzoek gesteunde - feit, dat homoseksualiteit voor een aanzienlijk aantal mensen een onophefbaar gegeven is. Ik bedoel niet een modeverschijnsel en allerlei daaruit voortkomende complicerende en irriterende factoren, doch de aangeboren homoseksualiteit. Het is buitengewoon wreed, vooral in een sterk geseksualiseerde samenleving, aan deze categorie medemensen het recht op seksuele beleving te ontzeggen.
Ik meen ook, dat een hermeneutisch doordachte opvatting van de bijbel en een betere kennis van het verschijnsel zelf (niet precies hetzelfde als in bijbelse tijd) geen aanleiding geeft, homoseksualiteit als zonde te beschouwen.
Dat er een homoseksuele ‘scène’ bestaat en tal van uitingen (zoals menig homofestival) een pornografische indruk maken, is niet eigen aan de homoseksualiteit alleen, deze bestaat aan heteroseksuele zijde op vergelijkbare wijze en dat vandaag de dag niet zo zuinig.
De hele discussie wordt m.i. ook sterk bemoeilijkt door onze opvatting van de seksualiteit als zodanig (‘seks’ als tussendoortje, vermaak, consumptieartikel enz.). Er is heel veel ‘seks’, die de naam van volwaardige humane seksualiteit niet verdient, maar de huidige seksualiteitsopvatting enbeleving toch in hoge mate bepaalt.
Van beslissend belang lijkt mij het feit, dat de homoseksuele mens, vanuit een situatie die sterk door ‘porneia’ was gestempeld (en die zijn humaniteit bedreigt, zoals dat ook het geval is bij de heteroseksueel geaarde mens), in de loop van enige decennia een pleidooi heeft gevoerd voor een humane verwerkelijking van zijn seksualiteit, die parallel loopt aan de geschiedenis van huwelijk en seksualiteit in het christelijke Europa (): een soort inhaalmanoeuvre.
Ook hij of zij wil een humaan ‘verbond’, zoals het huwelijk in onze Europees-christelijke definitie dat is. Het zou menselijk onrechtvaardig, maar uit het oogpunt van geestelijke volksgezondheid ook zeer onverstandig zijn, homoseksuele medemensen deze humanisering van hun seksualiteit te ontzeggen. Zij wensen (niet allen, maar velen) een humaan en leefbaar bestaan en deze wens dient te worden gerespecteerd.
Wellicht zegt de lezer nu: dit draagt alle noodzakelijke argumenten aan om het homohuwelijk te verdedigen.
Ik geef toe: het komt er dicht bij; het is in ieder geval een pleidooi voor een vergelijkbare juridische status (rechten en plichten) en het gaat uit van een aantal essentiële huwelijkskenmerken (als personale gerichtheid, samenleven, duurzaamheid). Toch prefereer ik de vorm van de eerder vigerende regeling, die van de naar zijn rechten en plichten (dus juridisch) aan het huwelijk verregaand gelijkgestelde verbintenis.
Al is ook hier het huwelijk paradigma, het blijft voor mij voorlopig een vraag, hoe serieus de betreffende homoseksuelen de kwestie van de exclusiviteit nemen. Te vaak heb ik door hen de homoseksualiteit horen verdedigen als juist niet exclusief, als een schoon vriendschapsgevoel (met inbegrip van seksualiteit) voor velen, dat naast de aangegane verbintenis blijft bestaan.
Vergelijking met de langzamerhand gangbare huwelijkspraktijk gaat niet op, want men gebruikt dan een misstand als argument. Voorts weegt voor mij () het punt van het voortbrengen van nageslacht. Men kan aanvoeren, dat ook in het gangbare huwelijk het ontbreken van nageslacht naar algemeen gevoelen het huwelijkskarakter niet opheft. Maar dat betreft de uitzondering en niet de regel, en wel een hoogst oorspronkelijke. De gedachte (ten dele praktijk), hieronder uit te komen door te stellen, dat er vandaag de dag allerlei wegen zijn om aan kinderen te komen, overtuigt mij niet.
Wij zijn in een culturele fase beland, waarin de in harde strijd verworven definitie van het vaderschap (door het christendom bewerkt en door de emancipatie van de vrouw op juiste wijze nader toegespitst), wordt ondergraven door bepaalde scheidings- en leefpraktijken en onverantwoord medisch geknutsel.
Ik scheer niet alles over één kam (al lijkt dat het geval, kortheidshalve), maar men kan toch geredelijk de vraag stellen, of onze maatschappij werkelijk de belangen van het kind voldoende afweegt tegen de veelgeprezen zelfbeschikking.
Al met al meen ik, dat men beter over een juridisch met het huwelijk (zo ver mogelijk) gelijkgestelde verbintenis kan blijven spreken dan over een homohuwelijk.
Indien in de toekomst onder ‘huwelijk’ zou moeten worden verstaan: een juridisch vastgelegd samenlevingscontract tussen willekeurige individuen die daarvoor kiezen, dan zal men toch de vraag moeten stellen, waarom ook ouders en kinderen, broers en zusters, enzovoorts, niet met elkaar kunnen trouwen (incest? maar dat is medisch wel op te lossen; en anderzijds: waarom zou - één keer zover gedachtseksualiteit voor het huwelijk allesbepalend zijn?). Ik denk, dat weinigen deze consequenties zouden willen trekken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief