Het Nederlands Gereformeerd Seminarie

2001-11-09
  • Jaargang 45
  • nummer 22
Het is 25 jaar geleden, dat het Nederlands Gereformeerd Seminarie werd opgericht: een groep particulieren, die met overtuiging een andere weg koos voor de opleiding van a.s. predikanten dan wat landelijk afgesproken werd. Ter gelegenheid van dit jubileum verscheen een fraai uitgegeven boekje met terugblik en positiekeuze, onder de titel "Het profetische Woord".
Een goede aanleiding om hier ook in Opbouw eens bij stil te staan.
Intussen is dit artikel méér dan een boekbespreking. Bij een boekbespreking is het flauw als de auteur meteen reageert. Dit artikel echter is geschreven met de bedoeling om het gesprek over deze dingen te bevorderen, zodat de redactie graag openstaat voor reacties.

Wie een vreemdeling in Jeruzalem is, heeft misschien eerst het kader met Seminarie-basics nodig, om te begrijpen waar dit allemaal over gaat. Maar gewapend met die kennis kunnen we naar het eerste hoofdstuk, door ds.
L.W.G. Blokhuis. Het is de terugblik op die eerste jaren, waarbij meer dan eens het studiejaar werd geopend met de enige student, W. in 't Hout. Het hoofdstuk roept bij mij respect op voor die broeders die jarenlang zich belangeloos ingezet hebben voor hun ideaal, dat door haast niemand werd gedeeld.
Ik denk aan ds. J.C. Janse, decennialang rector en/of docent, ankerpunt in de strijd tegen het gezag van wetenschap en synodes. En aan broeder Kerkhof, voor mij onvergetelijk, die met stevige hand het bestuur voerde over Seminarie, Spanjewerk en tal van andere projecten.
Overigens, voordat ik me verlies in nostalgie: op de geschiedschrijving is ook wel wat aan te merken. Terecht schrijft Blokhuis, dat het Seminarie zich geleidelijk aan een plaats heeft verworven in onze kerken. Maar om nu te zeggen dat men "twist en tweedracht vermeden"
heeft... Men leze die eerste Seminarie-mededelingen nog eens en dan valt de geur van strijd en veroordeling erg op. Volgens mij werd die toon des te scherper, omdat het Seminarie in de kerken totaal doodgezwegen werd. Ik vind dat een heel zwakke kant van onze kerken: dat we die broeders maar lieten praten zonder repliek. Zodat ze tot heden toe, men leze het laatste Seminarienieuws, nog exact dezelfde melodie zingen. En dat we intussen nooit kerkelijk hebben besproken of het wenselijk is dat we predikanten krijgen die een particuliere vorm van theologie hebben ontvangen. Voor de goede orde: het is natuurlijk eerst de fout van het Seminarie, dat ze nooit op de instemming van de kerken gewacht hebben, maar ik belicht nu even de andere kant daarvan.

Bijterigheid is verdwenen
Intussen, de tijden zijn veranderd.
Sluipende weg hebben we Seminaristen aanvaard als predikanten en is het zelfs een beduidend deel van onze studenten, dat in Amersfoort zit.
Tegelijkertijd is de bijterigheid van de begin jaren verdwenen. De bundel die we nu bespreken, vind ik allervriendelijkst van toon.
Zo is er een mooi artikel van ds. K.H. de Groot over Elisa en Jezus. Ik proef er zijn vreugde in over de ontdekking van verbanden in de Bijbel die je voorheen niet zag. Maar het artikel wordt gepresenteerd als bespreking van de verhouding tussen Oude en Nieuwe Testament. De conclusies terzake zijn dat Ridderbos dit in 1950 verkeerd zag en dat bij een preek over de wonderen die Elisa deed, naar voren moet komen dat het werk van Jezus veel meer is, terwijl bij een preek over wonderen in het Nieuwe Testament genoemd moet worden, dat de Here er tijdens Elisa al een begin mee gemaakt heeft. Daar val ik niet van om.
Aansluitend behandelt drs. J. van Veelen de vraag: "Was de heuvelconstructie van de Psalmen 42 en 43 bekend bij de vertaler(s) van de Septuaginta?"
(antwoord: waarschijnlijk niet). Ik heb die vraag nooit eerder zo zorgvuldig besproken gezien, maar vraag me wel af: is dit nu specifiek Seminarie?
Het aparte van het Seminarie zit toch veeleer in de overtuiging, te leven bij de Schrift alleen en daarin het eenvoudige antwoord te vinden op al onze vragen. Ik vind dat idee zó mooi en tegelijk geloof ik er weinig van.
Laat ik dat verduidelijken aan de hand van het artikel over de eredienst van ds. J. Stuy. Hij beoogt daarin, de Schrift te lezen met het oog op onze praktijk.
Door de eeuwen heen veranderde de eredienst, met als belangrijkste verandering wat er na Pinksteren gebeurde: "Altaren werden afgebroken, preekstoelen werden gebouwd". En voor nu moesten we maar blijven bij de Psalmen in plaats van een vloed van Opwekkingsliederen.

"Preekstoelen werden gebouwd"
Welnu, wat gebeurt hier? Volgens mij dit, dat de eigen gewoonten simpelweg worden teruggelezen in de Bijbel.
Om de tijd na Pinksteren te typeren als "altaren werden afgebroken, preekstoelen werden gebouwd"...
Natuurlijk werden er geen preekstoelen gebouwd! En ook wat met die woorden betoogd wordt, namelijk dat de Woordverkonding altijd centraal stond, dat is een eenzijdige belichting.
Wat je aantreft in het Nieuwe Testament is een wonderlijke mix van dingen die ik herken en dingen die ik niet kan plaatsen. Er kan gepreekt worden, zeker, totdat de mensen slapend uit het raam tuimelen (en daarna weer verder). Maar een andere keer blijkt het standaard te zijn, dat je op de eerste dag der week samenkomt om brood te breken, wat een hele maaltijd omvat. Elders wordt bekend verondersteld, dat samenkomen als gemeente betekent dat ieder iets heeft: een psalm of een lering of een openbaring of een tong of een uitlegging.
Niet teveel sprekers in tongen door elkaar heen en drie profeten per dienst is wel genoeg, aldus het advies. Je ziet wat een enorme ruimte dat bood! En anderzijds is het juist zo beperkend: de vrouwen moeten in de gemeente zwijgen en als ze zo nodig wat willen vragen, laten ze dat dan thuis doen!
Kortom, de eredienst na Pinksteren, dat is intrigerend en veelzijdig, uitdagend en raadselachtig, maar het is nooit traditioneel, het is nimmer 'altaren werden afgebroken, preekstoelen werden gebouwd'.

Traditionalisme
Waarom maak ik me hier zo druk over?
Collega Stuy verdient het helemaal niet dat ik de staf breek over zijn verhaal en vanaf het begin heeft juist hij nooit meegedaan aan de retoriek tegen 'de theologie'. Het punt is alleen: aan dit artikel kan ik illustreren wat mijn eerste fundamentele bezwaar is tegen het Seminarie. Namelijk dat puur traditionalisme het gewicht krijgt van "zo leert ons de Schrift", terwijl er in feite héél selectief met de Schrift is omgegaan.
Bijvoorbeeld: die woorden dat de vrouw moet zwijgen in de gemeente, die zijn vanuit Seminariekring met kracht ingebracht in de lopende discussies.
Maar als de apostel verder gaat met "zo dan, mijn broeders, streeft ernaar te profeteren en belemmert het spreken in tongen niet", dan heb ik daar nooit steun voor gehoord vanuit het Seminarie. En mijn bezwaar is niet zozeer dat men de Bijbel selectief gebruikt (wie doet dat niet?), maar dat men de theologische bezinning op ons gebruik van de Bijbel meteen contrabande noemt.
Ik wil ook nog ingaan op het artikel van ds.
J.D. Janse onder de titel "de Here, zijn apostelen en wij". Hij bespreekt daarin de manier waarop wij Jezus kennen via andere mensen; via de getuigen die Hem persoonlijk kenden en via de vier evangelisten.
Daar zijn tal van theorieën en meningen over. Hebben ze dezelfde 'bronnen' gebruikt en wat zit er dan achter de verschillen tussen de evangeliën?
Het vierde evangelie heet naar Johannes, maar 'theologen' denken dat het voortgekomen is uit een "groep Johanneïsche gemeenten".
Dat soort kwesties. Hij laat zien, dat dit allemaal wel heel interessant klinkt, maar dat het goeddeels speculatie is waar we niks verder mee komen.
Janse blijkt dan heel relaxed om te gaan met verschillen tussen de evangeliën: woorden leven en dan verschuift er wel eens wat. En het evangelie van Johannes "heeft zo'n eigen toon, dat je je kunt afvragen: hoor ik hier nu Jezus of Johannes? Nu, ongetwijfeld Johannes", maar juist daarom is het geen punt dat hij het in eigen woorden weergaf. "Wie was er zo vertrouwd met de Here? En wie moeten we dan geloven? Hem of een of andere meneer van tweeduizend jaar later, die op zijn studeerkamer uitmaakt dat Jezus dit niet gezegd en dat niet gedaan kan hebben?".

Het is allemaal flauwekul
Ik heb hier twee gevoelens tegelijkertijd bij. Ik vind het prachtig om te lezen, omdat ik er mijn broeder Janse en zijn hartstochtelijke liefde voor Christus in proef. Tegelijk vind ik het best riskant als dit de toon is waarop onze aanstaande predikanten les krijgen. Ik bedoel nu de toon van: al dat gedoe van de wetenschap, het is allemaal flauwekul.
En in bredere zin: al die vragen en problemen tegenwoordig? Onzin, mensen, houd je gewoon bij de Bijbel.
Die toon, daar houd ik niet van.
Althans: ik vind het pastoraal verkeerd om jongelui in zo'n sfeer op te leiden tot predikant. Met het idee van: wetenschappers zijn domkoppen en die problemen van de mensen, dat is allemaal inbeelding.
Echt, we zitten niet te wachten op predikanten die de vragen en onzekerheid van onze tijd flauwekul vinden, maar op voorgangers die er zèlf door geraakt zijn. Toegepast op het besproken onderwerp: een dominee die ooit tot op het bot geschokt is geweest van het idee "misschien is het wel allemaal een verzinsel", die maakt kans op het vertrouwen van Gods aangevochten kinderen. Maar wie vanaf de collegebanken geleerd heeft dat alle aanvechtingen onzin zijn of eigen schuld omdat je teveel naar de wetenschap luistert, die kwalificeert zich niet voor pastor. Dat is mijn tweede bezwaar tegen het Seminarie.
Voor alle duidelijkheid: ik heb het dan niet over ds. Janse en zijn generatie.
In een leven van studie heeft hij de wetenschappelijke problemen dieper bestudeerd dan menig andere collega.
Er zit in zijn stukje ook meer theologie dan hij laat merken. De hoofdlijn was: ze stellen tegenwoordig ter discussie of het vierde evangelie wel door Johannes is geschreven. Ze denken dat een groep uit later tijd Jezus allerlei woorden en wonderen heeft toegeschreven.
Maar wie zou je nou meer vertrouwen: Johannes die erbij geweest is of die theoloog van 2000 jaar later?
Iedereen begrijpt dat hier wat ontbreekt, namelijk de argumentatie waarom je, tegen ingebrachte twijfel in, gelooft dat Johannes dat evangelie wèl persoonlijk schreef. Reken maar dat Janse daarover nagedacht heeft al meldt hij dat niet.

Verborgen theologie
En er is meer verborgen theologie. Ik noemde al, dat de auteur heel ontspannen omgaat met de verschillen tussen de evangeliën, en dat hij ronduit erkent dat Jezus' woorden in het vierde evangelie zo anders klinken omdat Johannes z'n eigen manier van zeggen had. Achter deze (volgens mij verstandige) opstelling van Janse schuilt een flinke brok theologie. Je had ook kunnen zeggen: "als een toespraak van Jezus twee keer verschillend overgeleverd is, dan heeft Hij die toespraak twee keer gehouden met verschillende tekst. En de vraag of je Jezus of Johannes hoort in het evangelie, is een heilloze tegenstelling". Ik noem maar iets. Aan de andere kant van het spectrum had je ook kunnen zeggen: "het is allemaal gemeentetheologie, die Jezus in de mond gelegd wordt".
Ergens in dat spectrum heeft ds. Janse positie gekozen. Van die afwegingen meldt hij niets, maar hij volstaat met de retorische vraag: wie vertrouw je nou meer, Johannes of die theologen?
Als persoonlijk woord van een gelovig en erudiet man kan ik dit goed verstaan, maar zo moet je geen les willen geven. Laat ik eerlijk zijn: ik weet natuurlijk niet of de lessen zo zijn als dit artikel; er zal ongetwijfeld veel méér aan de orde komen. Maar net als ieder ander kerklid kan ik het Seminarie alleen beoordelen op de manier waarop het zich naar buiten presenteert.
Vandaar mijn vragen op dit punt over de praktijk.

Een eigen basisopleiding
Wat de praktijk betreft is het zo, dat het Seminarie intussen vele van onze predikanten heeft opgeleid. En laten we daarover met dankbaarheid opmerken, dat heel wat van hen hun gemeente voortreffelijk dienen en dat ze in hun preken en werken ook heus niet anders, laat staan minder, zijn dan de collega's die het Apeldoorn-advies hebben gevolgd. Die relativering is bij mijn verhaal wel nodig en die geef ik ook van harte. Het is trouwens ook zo: als een student of predikant teleurstelt, dan is dat niet op voorhand aan zijn opleiding te wijten. En het omgekeerde geldt ook: goede predikanten zijn niet het bewijs dat hun opleiding zo geweldig is.
Van die opleiding geldt nu eenmaal, dat we als kerken zo goed mogelijk samen besluiten moeten nemen, omdat ons allemaal aangaat. Wat die besluiten betreft staat het zo, dat de kerken in 1998 op hun Landelijke Vergadering besloten hebben, dat Seminaristen, net als 'Apeldoorners', bij voorkeur hun doctoraal II moeten halen om predikant te worden. Dat betekent dat ze, aansluitend aan het Seminarie, nog anderhalf jaar nodig hebben in Apeldoorn of Kampen. Gunstig voor het Seminarie daaraan leek me, dat hun opleiding ongemoeid bleef, terwijl het oneerlijke element zou verdwijnen dat het Seminarie domweg de makkelijkste weg is. Het rumoer tegen dit besluit heeft me echt verbaasd.
Ik mag intussen hopen, dat onze regio's niet te gauw meer mensen beroepbaar stellen die alleen het Seminarie-diploma hebben. Hoewel Seminarie-afgevaardigden destijds erin slaagden om die woordjes 'bij voorkeur' in te voegen, betekent dit niet dat het van de voorkeur van de student afhangt. Daar is een uitspraak van de Studiebegeleiders voor nodig en het is echt belangrijk dat we ons als kerken houden aan wat samen afgesproken is.
De plannen die op dit moment spelen voor het samenvoegen van TSB en Seminarie tot een eigen basisopleiding, aanleunend tegen 'Apeldoorn', zijn veel ingewikkelder en ingrijpender. Ik begrijp de aarzelingen aan Seminariezijde best. En toch, broeders, ik zou met klem willen zeggen: wat is het alternatief? U bent zelf predikanten met een deugdelijke academische opleiding en een enorme ambtelijke ervaring.
U kon heel wat ballast overboord gooien om de essentie over te houden, en die aan studenten door te geven. We wensen u nog veel leven en gezondheid, maar wie gaat u straks opvolgen? U doet het de kerken toch niet aan, dat u zich door eigen kweek laat opvolgen, zodat we straks de kritiek op de academische wereld moeten horen van mensen die daar nooit aan deel gehad hebben? We wachten de ontwikkelingen af.
Nog even terug naar het verschenen boekje. Twee artikelen noemde ik nog niet. Ds. J.C. Janse (de oudere broer) beschrijft onder de titel "Dingen die eerst gezegd moeten worden" nog eens dat de wetenschappelijke theologie op haar plaats moet blijven en niet mag heersen over de Schrift (wat in 1944 wel gebeurde). En dr. C.P. Kleingeld sloot de bundel met een filosofisch verhaal over 'wat is waarheid'. Het leek me heel doorwrocht, maar ik heb er niet zo'n antenne voor. Men leze echter zelf.
Om het profetische woord telt 96 pagina's, is uitgegeven door het Nederlands Gereformeerd Seminarie en u krijgt het toegezonden wanneer u fl. 5,- overmaakt op rekening 692060316 t.n.v. C. van Baardewijk. Het boekje is zijn geld meer dan waard.

Seminarie-basics
Toen we nog allemaal netjes Vrijgemaakt waren, was het eenvoudig: wie voor dominee wil leren, die gaat naar Kampen. Maar in de loop van de strijd die tot de Scheuring van 1968 leidde, gebeurde het dat al onze studenten van school gestuurd werden (technische term: het attestenbesluit). Toen de rookwolken optrokken, bleken ze op heel uiteenlopende opleidingen een plekje te hebben gevonden. Samen vroegen en kregen ze een vorm van Theologische Studie Begeleiding van drs. H. de Jong, destijds in Amsterdam.
In die eerste jaren na de scheuring heerste sterk het gevoel dat we zouden aankoersen op samengaan met de Christelijk Gereformeerden en tegen die achtergrond begonnen de kerken eerst voorzichtig en later steeds nadrukkelijker het Apeldoorn-advies te formuleren: ga studeren bij de CG school aldaar.
Een klein maar vastberaden groepje riep, hier dwars tegenin, de kerken op om een eigen kerkelijke opleiding te starten. Bij gebrek aan gehoor begonnen ze die opleiding zelf, gesteund door vijf plaatselijke kerken. Ds. J.C. Janse en zakenman F.J. Kerkhof vorm den er de spil van. Voor hun ideaal voerden ze wel algemene argumenten aan, zoals de roeping dat een beetje kerk toch z'n eigen mensen opleidt. En als je huis in de brand staat is het leuk dat de buurman helpt, maar je gaat toch ook weer aan eigen huisvesting werken. Maar de diepste achtergrond is in één zin samen te vatten: bij de opleiding moet de Bijbel centraal staan en mag de theologie niet heersen over de Schrift.. In de begintijd schreef men dat bij alle andere opleidingen, Kampen of Apeldoorn of Rijksuniversiteit, de wetenschap boven de Schrift werd gesteld en dat daarom een eigen opleiding onmisbaar was.
Achtergrond van deze opvatting lag in de Vrijmaking (1944). Een theologisch verhaal over de doop werd toen door de synode aan iedereen verplicht opgelegd en wie gewoon bij de Bijbel wilde leven, die moest zich wel vrijmaken.
Zo is dat althans ervaren. En die ervaring werd de bril om alle latere gebeurtenissen door te bezien. Bij de scheuring (1968) waren weer de professoren en synodes de boosdoeners; en bij de vrijzinnigheid van de synodalen gingen de theologen voorop.
Genoeg ondersteuning dus voor de Seminarie-grondwet: de Schrift centraal, wetenschap en theologie ondergeschikt aan de Schrift. Belangrijke vraag daarbij is natuurlijk wel of dit nu echt iets is wat ze in Apeldoorn, in Kampen en op de TSB over 't hoofd zien. Daar hoor ik de Seminarie-broeders weinig meer over.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief