Het voetstuk
2001-11-23
De identiteit van ambtsdragers in de kerk is niet meer zo duidelijk als vroeger.- Jaargang 45
- nummer 23
Her en der gaat er ook nogal eens wat mis; en vooral als het predikanten betreft komt dat in de publiciteit.
Ds R.M. Meijer heeft daaraan een paar artikelen gewijd in de (Vrijgemaakt) Gereformeerde Kerkbode voor Groningen, Friesland en Drenthe. Hij vraagt aandacht voor de wat vreemde beweging die ons denken over ambten de laatste decennia heeft doorgemaakt.
Dat levert een verhaal op dat behoorlijk herkenbaar is, ook buiten de kring van de Vrijgemaakt Gereformeerde kerken. Ik neem een aantal passages over: De tijd ligt nog niet zo ver achter ons dat ambtsdragers, en zeker predikanten een zeker automatisch gezag in de gemeente hadden. () Predikant-zijn betekende () dat je een fikse vinger in de kerkelijke pap had, en voor een belangrijk deel het hoogste woord. Ik verbind daar op dit moment geen waarde-oordeel aan, maar probeer alleen iets weer te geven van een stukje geschiedenis.
() De sfeer waarin met name de predikant van zijn (al dan niet terecht aangemeten) voetstuk gehaald werd is nog niet zo heel lang sterk in onze kerken. () De predikant is niet langer 'dominee' op straat en op de wijkavond en in de supermarkt, maar hij heet daar gewoon Jan of Harm of Peter. () Eigenlijk is het ook maar een gewone jongen. 'Kees, kom d'r bij zitten jongen...'.
Op zich is dat een ontwikkeling met een aantal goede kanten. Inderdaad, er is geen enkele reden om aan het woord van de predikant meer waarde toe te kennen als aan dat van een andere ambtsdrager of gemeentelid. En we roepen soms om het hardst dat die dominees vooral gewone mensen zijn met hun sterke en vooral ook hun zwakke kanten. Dat hebben we veel beter leren zien nu ze niet meer op die ouderwetse sokkels staan. En terecht.
Zo is het ook. Zelfs dominees zijn niet van voor de zondeval. In tegendeel.
Ze zijn net zozeer mens als ieder ander met alle voor- en nadelen die er aan zitten. () Tot zover deze kant van het verhaal.
Maar nu signaleert Meijer ook een andere beweging; want van die heel gewone jongen die de dominee is geworden, wordt vaak weer erg veel verwacht. ‘Het welzijn van de kerken is wel van hen afhankelijk’, citeert hij zelfs uit een krantenverslag. Dat levert een rare paradox op: Aan de ene kant (de buitenkant) halen we die dominee voor wat betreft zijn ambt en persoon van zijn sokkel af.
Wat mij betreft prima; graag zelfs.
Aan de andere kant (de binnenkant) richten we een nieuwe sokkel op zo hoog als 'ie nog nooit geweest is wanneer het om onze verwachtingspatronen gaat. ‘Want’, zo zeggen we dan, 'het welslagen en welbevinden van de gemeente is wel van de dominee afhankelijk, en of het in een gemeente met méér dan één predikant wel of niet goed gaat, hangt wel af van hoe die mannen zich ten opzichte van elkaar verhouden'. Slopen we niet een klein beetje de ene sokkel om een paar meter verderop een nog veel hogere neer te zetten?
Vervolgens verbindt Meijer deze ontwikkeling met een andere: de opkomst van de figuur van de ‘Kerkelijk Werker’; de man of vrouw met een bepaalde specialisatie in het kerkelijk leven.
De combinatie van deze twee ontwikkelingen roept bij Meijer de vraag op: Waar blijft nu eigenlijk de levende gemeente van Christus? Zou het soms kunnen, vraagt hij, dat er in ons kerk-zijn een soort 'verzorgingsstaat-idee' wat te veel heeft post gevat? () We laten ons bedienen, en we rekenen de functionaris (die er immers voor aangesteld is, en voor betaald wordt) af op zijn/haar functioneren.
Hoe onhelder onze maatstaven soms ook zijn. Wij zitten op de tribune en we kijken wel toe, en beoordelen in onze gesprekjes onderling met de buurman een kuipstoeltje verderop hoe 'onze mannen' het doen.
Mensen, kom eens van die tribune af!
Kenmerk van levende gemeente-zijn is niet allereerst of wel voor elke taak de juiste externe functionaris aangetrokken is, maar of de gemeente werkelijk zelf van binnenuit leeft. Kijk maar wat er in sommige situaties gebeurt.
Inderdaad, aan de ene kant zijn er de probleem-situaties met betrekking tot het functioneren van predikanten (en andere ambtsdragers of kerkelijk werkers).
Moeilijk en pijnlijk genoeg. En zeker niet tot opbouw van de gemeente.
Maar aan de andere kant zijn er ook situaties waarin predikanten (om maar even bij hen te blijven) juist heel goed functioneren. ledereen roemt er over, en de gemeente bloeit op. En na een jaar of wat vertrekt de predikant naar elders. En wat blijft er van de gemeente over? Niet zelden zakt dan de hele zaak weer als een plumpudding in elkaar, in afwachting van de volgende succesvolle externe kracht.
Kortom: waar blijft dat huis op die Hoeksteen () gebouwd van levende (!) stenen? Welke kant kijken we op wanneer het om gemeente-opbouw gaat?
() Zouden we niet veel meer toe moeten naar weer echt gemeente-zijn.
Onafhankelijk van extern aangetrokken betaalde krachten. leder op zijn eigen plaats aan de slag.