Het raadsel van de twintigste eeuw

2001-12-09
  • Jaargang 45
  • nummer 24
De Reformatie van de zestiende eeuw gaf de bijbel in handen van de gelovigen zelf. De reformatoren, Calvijn voorop, meenden dat het Woord de mensen zou wijzen hoe ze voor God moesten leven. Door het Woord alleen, 'sola Scriptura', konden ze deel krijgen aan het heil van Christus, daar waren geen door priesters uitgevoerde rituelen voor nodig.
Protestanten mochten zelfstandig denken. In de negentiende eeuw herontdekte Abraham Kuyper het goud van dit calvinisme en gaf hij er als leider van een ongeregelde groep gelovigen een geheel eigen draai aan. Hij poetste het 'calvinistische beginsel' op tot het blonk. Hij maakte van zijn 'kleine luyden' een leeslustig en leergierig volkje dat zich in enkele decennia ontworstelde aan zijn bescheiden afkomst en opklom tot vooraanstaande posities in de samenleving.

Ze lazen en leerden tot ze erbij neervielen of tot ze hun tegenstanders met hun woordenvloed gevloerd hadden.
Woorden gaven hun grip op de werkelijkheid.
Vragen ging je met kennis te lijf en meer vragen betekende meer studeren. En zo, staande op het fundament van Gods Woord, emancipeerden ze zichzelf weg. De geschiedenis (hiervan) is in dit boek verteld...'

Betrokkenheid
Tot zover deze röntgenfoto van het tijdperk dat Agnes Amelink in haar boek ‘De Gereformeerden’ beschrijft.
Het is te vinden op pagina 224, ter afsluiting van het hoofdstuk waarin zij tast naar het geheim van de snelle teloorgang van het gereformeerde leven hier te lande. Zij tast in haar boek niet mis als zij de veranderde houding tegenover het Woord van God als de voornaamste oorzaak van deze neergang aanwijst. Inderdaad was het Schriftbeginsel, het 'Sola Scriptura', steeds en eigenlijk tot voor kort de kracht van het gereformeerde geweest. In een twintigtal tableaus schetst de auteur met vaardige pen het opgaan, blinken en verzinken van deze misschien wel markantste zuil in de Nederlandse samenleving. Agnes heeft haar huiswerk goed gedaan en onder de lichtvoetigheid van haar schrijfstijl gaat een grondige voorbereiding schuil. Zeer geboeid heb ik haar boek gelezen. Wat ik met name zo aantrekkelijk heb gevonden is dat het een boek van binnenuit is, geschreven vanuit een sterke betrokkenheid op wat de gereformeerden ten diepste heeft bezield. Ergens heeft de schrijfster - het gaat dan over de bekende Pietertje Baltus, de geestelijke zoogmoeder van Abraham Kuyper - het over 'de mystieke kern van het oude gereformeerde geloof' (p. 32). Daar heeft Agnes Amelink zelf ook deel aan en dat is te merken. In haar stijl heeft zij veel weg van de vroegere Trouw-columnist Bert Klei, ze weet net als hij niet zelden van die hilarische effecten te bereiken die je doen schudden van het lachen om zoveel kneuterigheid (bijvoorbeeld over de luis die wel en de vlo die niet op zondag mocht worden gedood, p. 21), maar meer dan bij hem proef ik bij haar toch de innerlijke verwantschap aan de kern. Niet altijd en overal, moet ik toegeven, soms lijken de Trouwjournaliste en de hoedster van die gereformeerde kern wel in een spagaat van een Agnes I en een Agnes II terecht te komen, maar over het geheel genomen zijn we de auteur dank verschuldigd voor de religieuze diepte die ze, meer impliciet trouwens dan expliciet, in haar boek gelegd heeft.
Ik denk dan ook dat het voor haar naar het einde toe moeilijker geworden zal zijn de ontwikkeling die het gereformeerde genomen heeft te beschrijven, vanwege de teloorgang van juist die kern van, zeg maar, de vreze des Heren.
De deernis die zij daarover moet voelen had nog wel wat meer tot uitdrukking mogen komen, af en toe is het boek me te laconiek. Maar ik ben geen journalist.

Midden en omtrek
De vreze des Heren - het is precies die kern die het gereformeerde uitstaanbaar heeft gemaakt. Je moest veel op de koop toe nemen, maar je kon dat ook, omdat er iets moois en sterks tegenover stond: de noeste Schriftstudie, bijvoorbeeld, de daadkracht en het zingen van de psalmen, om maar de sterkste punten te noemen die in het boek de aandacht krijgen die ze verdienen. Waar die kern wegvalt verdwijnt de potsierlijke aankleding natuurlijk evenzo en ze verdient dat ook. Omgekeerd, waar die kern weer levend zou worden, zou je opnieuw een verpakking van het gereformeerde krijgen die ruimschoots aanleiding geeft tot het schrijven van een vermakelijk boek. Het gereformeerde inreincultuur is er nooit geweest en zal er nooit zijn. In de mate waarin het respectabel was en is, had en heeft het z'n bedenkelijke kanten, daar ontkomt geen enkele beweging aan.
Aan de onbedaarlijke lachers van nu zou ik trouwens wel eens de vraag willen stellen of zij er een verklaring voor hebben hoe uit die kneuterige kringen van de gereformeerden zovelen zo hoog op de maatschappelijke ladder terecht gekomen zijn. Het moet toch allemaal verdorie iets voorgesteld hebben! Hoe is het anders mogelijk dat zoveel geks zoveel kopstukken heeft voortgebracht. Met spanning wachten we af of het geseculariseerde gereformeerdendom daar in de naaste toekomst iets vergelijkbaars tegenover zal weten te stellen. Ik vergelijk de opkomst van de gereformeerden voor mezelf wel eens met het jodendom dat uit het getto van de Woord-cultuur gekomen is met een emancipatoire kracht die haars gelijke nauwelijks heeft. Zoals wij onze minister-presidenten hebben gehad zo hebben zij nu hun burgemeesters van Amsterdam. Ja, die emancipatie van de gereformeerde wereld - 'die Gebildeten unter ihren Verächtern' zouden daar toch nog eens over na moeten denken.

Gereformeerde Verlichting?
Maar waar is het eigenlijk misgegaan?
Abraham Kuyper heeft een antwoord willen geven op de Verlichting en zocht dat in een eigentijds calvinisme, constateert het boek heel juist (p. 233). Dat antwoord is te cerebraal, te verstandelijk uitgevallen, zeggen we nu achteraf.
De christelijke Verlichting had het meer in de liefde dan in de kennis moeten zoeken. 'Want de kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht' (I Cor. 8 : 1). Inderdaad vind ik de opgeblazenheid de lelijkste trek van de gereformeerden in de periode van hun hoogste bloei. Niet naar buiten (zoals vaak wordt gezegd) maar naar binnen toe. De laatdunkendheid van de omhoog gevallen intellectuelen tegenover het milieu waaruit ze waren voortgekomen.
Schrijvers die begonnen te trappen naar degenen die in de romankunst iets probeerden. 'Degenen die altijd het hardst hebben afgegeven op de christelijke serie-boeken en soortgelijke lectuur, waren protestants-christelijke auteurs die literair serieus genomen wilden worden' (p. 120). En wat te denken van de 'hoofdstedelijke arrogantie' (p. 135) rondom de zaak-Geelkerken?
Lange tijd heb ik gedacht dat broeder Marinus, de tegenspeler van Geelkerken, kruidenier was. Ik lees nu dat hij procuratiehouder is geweest (p. 134). Dat kruidenier, dat moet in de informatie die ik vroeger tot mij genomen heb van de kruideniersgeest vandaan komen, die men hem toedichtte.
Een man in een stofjas voor een krenten-weegschaal, zo afficheerde men hem. Daar zijn gereformeerden, als ze ontwikkeld raakten, altijd heel sterk in geweest: in het verstandelijk belachelijk maken van wie nog niet zover waren als zij. Dom was in gereformeerde ogen erger dan slecht.
Want er viel natuurlijk best veel te zeggen voor de meer literaire benadering van het Genesis-verhaal, maar wat alles zo lelijk maakte was de verachting die men voor het eenvoudige kerklid aan de dag legde. De grote wereld waarin men wilde meetellen in bescherming nemen en op de eigen mensen neerkijken. De liefde die sticht had deze eenvoud te hulp moeten komen.
Met kennis, ja zeker! Het geduldig verder helpen van degenen die geen verstandelijke maar religieuze bezwaren tegen de nieuwe manier van lezen van de bijbel hadden, wat had dat aan het gereformeerde een charme kunnen verlenen! Dezelfde cerebrale misvorming heeft bij het ware-kerk-drijven van de vrijgemaakten en bij het gedram van het IKV over de kruisraketten een treurige rol gespeeld: 'Dus ... dus ... dus ...' Als er toch eens een gereformeerde Verlichting geweest was, waarbij de mensen uit de schuldige onmondigheid en onvolwassenheid van hun ... liefde gekropen waren! Prachtige voorbeelden van het eerste uur zitten daarvan in onze bagage: Mr A.M.C. van Hall van de afgescheidenen, Groen van Prinsterer van de schoolstrijd, Mr dr Willem van den Bergh van de doleantie en niet te vergeten: Abraham Kuyper zelf.

Hoe nu verder?
En hoe zal het nu verder gaan met de gereformeerden? Het boek is daar niet optimistisch over en voorziet het uiteengaan van de piëtistische vroomheid zoals die sinds de afscheiding als onderstroom aanwezig was en de maatschappelijke betrokkenheid die zich meer dan die anderen het reilen en zeilen van de samenleving aantrekt.
De eerste zal een onderkomen in het EO-christendom vinden en de laatste in een meer politiek dan religieus of kerkelijk engagement (p. 236/7). Ik ben het met de auteur eens dat het dan met het karakteristiek-gereformeerde gedaan is. Moeten we daar in berusten?
'Aan het etiket 'gereformeerd' is niemand gehecht. Het gaat er maar om dat je Jezus kent', zegt de een. 'Het gaat er maar om dat je als Jezus leeft', zegt een ander', Aldus Agnes op p. 222, niet als haar mening maar beschrijvend.
En dat was het dan? De nuchterheid gebiedt te erkennen dat er nog altijd veel meer gereformeerden over zijn dan dat er afgehaakt hebben. Dus wat nou teloorgang? Toch tast de onzekerheid over de te volgen route ook hen aan. Er is teveel van wat vroeger geloofd werd onhoudbaar gebleken.
Zelf vind ik ook dat we in het verleden de bijbel overvraagd hebben. Ons lezen ervan is te statisch, te weinig dynamisch geweest. Alsof het werkelijk de bedoeling was dat wij als gelovigen gebonden bleven aan samenlevingsvormen uit de eerste eeuw van onze jaartel ling: slavernij, mannen-dominantie en in het algemeen de heerschappelijke in plaats van de maatschappelijke inrichting van het leven. Terwijl de bijbel zelf van het Oude naar Nieuwe Testament een gedrevenheid aan de dag legt die heel andere verwachtingen wekt. 'Denkt niet aan hetgeen vroeger gebeurde en let niet op wat oudtijds is geschied; zie Ik maak iets nieuws, nu zal het uitspruiten; zult gij er geen acht op slaan?' (Jesaja 43 : 18-19). Zeer verrast was ik door een woord uit 1918 (!) van Johanna Breevoort, in verband met de vrouwenbeweging: 'Onze religie is veel te rijk en te krachtig om zich duurzaam op te sluiten in een paar teksten uit het jonge Christelijke gemeenteleven' (p. 98). Hier wordt m.i. de juiste toon aangeslagen. Niet alleen getuigt dit woord van een goed inzicht in het tijd- en situatie-gebondene van veel dat we in de Schrift tegenkomen, maar wat me vooral aanspreekt is het enthousiasme voor de rijkdom en de kracht van ons geloof.
Hier wordt niet vanuit een geestelijke leegte gepeuterd aan de geldigheid van de Schriften, maar hier wordt getuigd van een warme gebondenheid aan de kern. Was er zo maar meer gesproken! Want op deze manier is het mogelijk vanuit een gevuld midden naar de randen te gaan. Ik denk dat het daar teveel aan ontbroken heeft.
En ontbreekt. Teveel gehakketak over wat aan de rand staat, met als resultaat dat we tenslotte teveel weggooien.
Niet dat we zo een in alle opzichten gemakkelijke sleutel tot het gebruik van de Schrift in handen hebben, maar het feit dat iedereen aanvoelt dat er zo'n midden is zou een goede start kunnen zijn. Hoe dat ook zij - gewoon doorgaan met waar we mee bezig waren zou van hardleersheid getuigen.

Eerlijkheid
En dan nog dit. Ergens in het boek horen we een vader over zijn van kerk en geloof vervreemde kinderen zeggen: 'Het woord afvalligheid neem ik niet in de mond' (p. 223). Ik denk dat het voor ouders inderdaad erg moeilijk is om dat wel te doen. Het komt heel dichtbij als het over je eigen vlees en bloed gaat. En we weten, het zijn er niet een paar die hiermee te maken hebben, maar een heleboel. Toch staat er geschreven (Deuteronomium 33 : 9) en heeft de Here Jezus zelf gezegd: 'Wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig' (Matteus 10 : 37). Een zwaar woord. Is het toevallig dat de Heiland het in dit verband ook heeft over het verliezen van het leven om Zijnentwil? Toch, als we eens zouden beginnen met hierin eerlijk te zijn en zorgelijk noemden wat zorgelijk is, zou dat dan niet de weg zijn om niet alleen persoonlijk maar ook als kerk het leven te (her)vinden? Moet ook de kerk niet bereid zijn haar leven te verliezen om Jezuswil? Soms moeten we door dat nulpunt heen en het is dan opstandingsleven dat we ervoor terugkrijgen. En wie weet beloont de Here dit offer dat we Hem uit liefde brengen en krijgen we onze kinderen terug op een wijze waarop we ze nog nooit gehad hebben. Ik ken eigenlijk teveel gereformeerden die onder invloed van hun kinderen 'die er niet meer aan doen' uit geloofsoogpunt onherkenbaar worden.

Een kleinigheid(?)
Tot slot een kleinigheid: Op p. 178/9 spreekt het boek over de ommezwaai in het begin van de zestiger jaren van Trouw-hoofdredacteur Bruins Slot. Het woord 'ommezwaai' is daar bewust gekozen, - 'om het woord bekering niet te gebruiken'. Het gaat dan over de bekende standpuntwijziging van de ARP inzake de kwestie-Nieuw-Guinea, die in deze partij de nieuwe periode van de evangelisch-radicale politiek inleidde. Op p. 180 is dat nu toch Bruins Slots bekering geworden. Agnes had het maar op die 'ommezwaai' moeten houden, vind ik. 'Bekering' is inderdaad een te mooi, een te positief woordom het maar zachtjes te zeggen

*) Agnes Amelink: De gereformeerden, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, ISBN 90 351 2261 5, prijs: fl. 39.50, (€ 17.92).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief