Rond de opleiding tot predikant (2)

2001-12-09
  • Jaargang 45
  • nummer 24
In ‘Opbouw’ van 23 november 2001 ((45/23/pag 469) ging professor K.R. Veenhof in op de ontwikkelingen rond de opleiding tot predikant in de Nederlands Gereformeerde Kerken en zette met name zijn visie op het Nederlands Gereformeerd Seminarie uiteen. Hierbij het afsluitende vervolg op zijn bijdrage.

Vakbeheersing en wetenschap
In deze standpuntbepalingen is m.i. het wezenlijke gezegd: een zwartwit schema - wel of geen theologie - is onzinnig, want theologie is onmisbaar in een goede vakopleiding.
Het NGS gaat uit van een nogal gesimplificeerde en gedateerde opvatting van ‘theologie’, vooral gevormd onder invloed van de problemen rond de vrijmaking en het conflict van 1967v., waarbij wij te maken kregen met een speculatief-dogmatische, sterk confessionalistische theologie. Het gevaar daarvan erkennen wij allen, zoals we het er in onze kerken gelukkig ook over eens zijn dat we ons moeten wapenen tegen allerlei subjectivisme en modernistische theologie. Maar het is naïef te menen dat we zonder theologie kunnen. Ook onder gereformeerde opvattingen over zaken als inspiratie, doop, verkiezing, en wat niet meer (ook de visie op Israël, die men in NGS-kringen tegenkomt) ligt theologie. Bewustwording van, serieuze confrontatie met, en kritische reflectie op die en andere theologieën mag in geen predikantsopleiding ontbreken. Daar komt bij dat er blijkbaar met verschillende definities van ‘theologie’ wordt gewerkt.
Het is niet eerlijk haar te verengen tot het speculatief-dogmatische en historisch-kritische theologische bedrijf.
Het is in de praktijk van de opleiding de naam voor het inbegrip van de complete vakwetenschappelijke training die een predikant, net als ieder ander die een hbo- of een academische opleiding volgt, nodig heeft om goed te kunnen functioneren, ook als hij geen wetenschappelijke carrière ambieert. De term ‘doctoraal examen in de theologie’ wekt bij het NGS verkeerde associaties op. Dit (tegenwoordig bovendien wat gedevalueerde) examen levert ‘slechts’ een doctorandus op, d.w.z. iemand die nog ‘geleerd’ (doctor theologiae) moet worden, wil hij een carrière in het wetenschappelijke theologische bedrijf kunnen ambiëren (een universitair docent in the theologie moet gepromoveerd zijn).
Maar het is wel goed als een kerkelijk-theologische opleiding daarvoor, via een doctoraal examen, een basis kan leggen, waarop sommigen kunnen ‘doorstuderen’, om ook zo (b.v. als theologisch docent) de kerken te kunnen dienen.

Doctorandus
Bij academische studie tot doctorandus gaat het om een combinatie van grondige oriëntatie, methodische scholing, kritische evaluatie, en de ontwikkeling van het vermogen tot een zelfstandig oordeel. En daar komt bij de gelegenheid om je in één onderdeel van het zeer brede vakkenpakket - en dat is bij de theologie zeer breed, van bijbelwetenschap en kerkgeschiedenis tot ethiek en pastorale psychologiewat grondiger te verdiepen. Dat stellen veel goede studenten op prijs en dat is de lijn die de LV door het doctoraal examen als norm te stellen heeft gekozen. Het is onbegrijpelijk en onwenselijk dat het NGS dit zijn studenten om ‘ideologische’ redenen wil onthouden, want een predikant in de 21e eeuw heeft dat hard nodig. En als het NGS, zoals het beweert, een opleiding van academisch niveau wil bieden, dan kan het eenvoudig niet zonder deze vorm van theologische vakbeoefening.
Uiteraard niet om ‘theologie’ en vakwetenschap vanaf de kansel over de gemeente uit te storten. Maar de kennis ervan zorgt wel voor geestelijke gerijpte predikanten, die theologisch niet steeds pas op de plaats maken en tot een zelfstandig oordeel in staat zijn. Ze voorkomt naieve of traditionele prediking die de religieuze vragen, die vandaag (en sinds 11 september nog indringender dan voorheen) op de gelovigen afkomen, miskent of niet kan beantwoorden. Kortom, ze kweekt predikanten die hun veelzijdige vak beheersen, net zoals eerstegraadsleraren aan het VWO hun vak (inclusief vakdidaktiek en pedagogiek) tot het doctoraalniveau moeten bestuderen om goed les te kunnen geven.
Opnieuw niet om hun leerlingen te bedelven onder wetenschappelijke kennis en problemen, maar om boven hun stof te staan, bij de tijd te blijven, en goede en nieuwe vragen te kunnen beantwoorden. Arme kerken die voorgangers en pastores krijgen die daartoe slecht in staat zijn.

Duidelijkheid is nodig
De punten waar het in wezen om gaat zijn m.i. daarom wel duidelijk. Een voortgezet gesprek tussen de COP (waarvan nu ook dr Van der Dussen lid is geworden) en het NGS kan wellicht bijdragen tot meer duidelijkheid, maar die zal dan vooral door het NGS zelf moeten worden verschaft. Het heeft in het verleden nagelaten zijn visie op de theologie met voldoende diepgang en helderheid te formuleren.
En het heeft nooit de kerkelijk gezien m.i. verplichte moeite genomen zich formeel, met zijn visie op de opleiding, aan de LV der kerken te presenteren en over de aanvaardbaarheid van zijn opleiding een oordeel te vragen.
Ik herinner mij nog goed dat de eerste afgestudeerde van het NGS in de vergadering van de regio Haarlem verscheen met een niet erkende bul, behaald op basis van een niet geëvalueerde en erkende partikuliere opleiding.
De regio heeft deze broeder, die wij kenden, uiteindelijk (al schiep dat een lastig precedent, waarop het NGS is doorgegaan) niet willen afwijzen, maar het was voor hem en de regio niet goed hem zomaar, op hoop van zegen, naar het kerkelijk examen te sturen. Er valt dus voor het NGS veel in te halen en veel duidelijkheid te verschaffen.
Een motto als ‘Gods Woord niet lezen bij het licht van de theologische literatuur, maar omgekeerd’ is even kernachtig als onbevredigend, omdat het de wezenlijke vragen rond de (bijbelse) theologie, die in de praktijk van de predikantsopleiding onvermijdelijk aan de orde (moeten) komen, simplificeert.

Procedurele en inhoudelijke vragen
De opdracht van de LV aan de COP tot een verder gesprek - waar ik niet voor was, maar die ik als commissielid wel zal uitvoeren - roept ook procedurele en inhoudelijke vragen op. Immers, het gesprek vindt plaats, terwijl de kerken de commissie óók hebben opgedragen voort te gaan met het onderzoek naar de mogelijkheden van een eigen opleidings- en begeleidingsinstituut (enz.).
Het besluit bepaalt niet welke invloed het resultaat van dit gesprek op de voortgang van dat onderzoek moet hebben. Maar de opdracht het gesprek binnen een jaar af te ronden maakt gelukkig wel duidelijk dat de kerken op willen schieten en getuigt van de verwachting dat deze ‘theologische hobbel’ onderweg wel te nemen is.
Doel van het gesprek is dat ‘het eigene van het NGS (uiteraard met name op het terrein van de vragen rond de theologie) duidelijk zal worden’.
En dan moet de COP er naar streven ‘dat het eigene van de kerken, zoals dat vorm gekregen heeft in o.a. de TSB en het NGS, een plaats krijgt binnen dit beoogde instituut’. Deze formulering erkent dat in het NGS zaken, die tot ‘het eigene van de kerken’ behoren, ‘vorm gekregen hebben’, maar stelt ‘het eigene van de kerken’ terecht niet gelijk aan ‘het eigene van het NGS’. Dat kan inhoudelijk niet, omdat er verschil van visie op de waarde van de theologie is, zoals ook dr Van der Dussen liet zien, en omdat het NGS zèlf stelt dat het roer om moet, dat een ‘vernieuwing’ van de opleiding nodig is. Het ‘nieuwe’ en ‘eigene van het NGS’ zou alleen ‘het eigene van de kerken’ kunnen worden àls de LV deze negatieve visie op de theologie zou overnemen. Ook formeel is ‘het eigene van het NGS’ niet ‘het eigene van de kerken’, omdat het NGS met zijn ideeën een partikulier instituut is, niet het resultaat van keuzes door de kerken in LV bijeen gemaakt. In concreto zullen de kerken dus, geadviseerd door de COP, moeten bepalen of de boven aangeduide NGS-visie op de theologie, als die duidelijk is geworden, een plaats kan en mag krijgen in het beoogde nieuwe instituut. Zal het een opleiding worden, om het simpel aan te duiden, in de lijn van ds Van Es of van dr Van der Dussen?

Geen sinecure
Een integrale visie op de betekenis van de theologie is geen sinecure en veronderstelt veel deskundigheid en inzicht, die dan ook sterk de overtuigingskracht van wie haar verdedigt bepalen. Het tot dusverre ontbreken van een uitgewerkte NGS-visie heeft hiermee m.i. veel te maken, en hangt ook samen met de distantie die men daar vaak tegenover de TSB, die deze theologische vragen wèl expliciet ter discussie stelt, heeft ingenomen.
Bovendien, dr Van der Dussen, die op de LV zijn visie hierop desgevraagd gaf, is door de kerken unaniem gekozen als TSB-begeleider op het terrein van de systematische vakken, juist ook om zijn ervaring met en visie op de theologie. Die visie krijgt concreet vorm in het door onze kerken, via de Raad van Toezicht, goedgekeurde programma van de TSB. Daarin wordt ruime aandacht besteed aan de theologie en komen ook de vragen die de traditionele gereformeerde en de moderne theologie op ons bord leggen in referaten en discussies gedegen en sympathetisch-kritisch aan bod. Met andere woorden: zouden de kerken de NGS-opstelling t.o.v. de theologie overnemen en hun eigen opleiding daarop willen stoelen, dan verloochenen ze wat zij zelf in de TSB hebben gekozen en vorm gegeven. Ze zagen dan de poten onder de door hen benoemde en vertrouwde begeleiders weg. Of om het anders te zeggen, de wezenlijke keuze ten aanzien van de plaats van de theologie is via de bemanning en programmering van de algemeen gewaardeerde TSB door de kerken al gemaakt. Er moeten wel heel overtuigende argumenten op tafel komen om van deze kerkelijke lijn af te wijken.

Doctoraal als norm
Tenslotte: krachtens de besluiten van de vorige LV zijn alle a.s predikantenop enkele individuele, nader te omschrijven uitzonderingen na - verplicht (het is de norm) een doctoraal examen theologie af te leggen, gewoonlijk in Apeldoorn of Kampen. Dat besluit betekent dat zij daar theologie gaan beoefenen, min of meer in de lijn van wat dr Van der Dussen opmerkte. De uitkomst van het gesprek met het NGS over de theologie kan aan deze besluiten niets veranderen; uiteraard tenzij een LV ze formeel zou herroepen, maar dat lijkt mij, gezien hun brede kerkelijke draagvlak zeer onwaarschijnlijk.
Wat de TSB doet beweegt zich bovendien in de lijn van de goede gereformeerde traditie en de geschiedenis van de opleiding, zoals onze kerken die ook na 1944 weer gestalte hebben willen geven. Die geschiedenis heeft ons, zoals het NGS terecht onderstreept, leergeld opgeleverd, maar dat heeft ons er gelukkig niet van overtuigd dat het kind van de theologie met het badwater van de verkeerde theologie moest worden weggegooid, dat ‘theologie’ als zodanig taboe is. De wijze waarop door de TSB, Kampen en Apeldoorn, vanuit een bijbels-confessionele overtuiging, vaktheologie wordt beoefend kunnen wij (uiteraard met ruimte voor nuance- en accentverschillen) dankbaar accepteren, ook voor onze opleiding.
Zij verrichten werk dat, verrassenderwijze, herhaaldelijk ook door mensen uit de NGS-kring wordt geprezen, waar bovendien verschillende van de in Apeldoorn en Kampen geschreven theologische vakpublicaties verplichte leerstof voor studenten zijn. Dat bewijst dat wij in meerderheid veel dichter bij elkaar staan dan sommige vertogen op de LV suggereren. Lettend op de praktijk waarmee onze kerken en studenten te maken hebben en op de aard van het theologisch bedrijf van de TSB, in Apeldoorn en in Kampen, is er geen reden voor principiële verandering of ‘vernieuwing’, al is er altijd ruimte voor verbetering en bijsturing (b.v. lettend op de NGS-wens van meer bijbelkennis).

Praktische betekenis
Kortom, het is niet erg duidelijk wat de praktische betekenis van het door de LV gevraagde gesprek kan zijn. De formele kaders van de opleiding liggen vast en er is in feite al aanzienlijke overeenstemming over wat een basisopleiding zou moeten bevatten.
Natuurlijk, er is nog van alles nader in te vullen, waaraan het NGS kan meedoen, mits het tot de door de LV ge vraagde samenwerking bereid is. En een verhelderend gesprek is altijd goed, ook omdat er van de kant van het NGS veel te verduidelijken is. Zo'n gesprek kan ook bijdragen tot het wegnemen van misverstanden en tot wederzijdse herkenning. Maar het is verdrietig dat onze LV er zoveel tijd aan moest besteden en dat nu nog steeds moeilijk is gezamenlijk, met medewerking van het NGS, aan de slag te gaan om het nieuwe waarnaar wij streven gestalte te geven. We zijn er, met name door remmend optreden uit de kring van het NGS en zijn medestanders, nu al zeven jaar mee bezig met slechts weinig vordering. Het NGS neemt (net als toen het opgericht werd) een zware verantwoordelijkheid op zich als het, om het eigen instituut te laten voortbestaan, de beargumenteerde wens van de grote meerderheid der kerken naast zich neerlegt.
En die verantwoordelijkheid wordt groter en de weigering moeilijker te accepteren, naarmate de door het NGS aangevoerde argumenten minder steekhoudend blijken te zijn. Het zou goed zijn als het NGS, dat zich (ook via de vele pagina's die het jaarlijks in ons kerkelijke handboekje toebedeeld krijgt) graag als kerkelijke instelling presenteert, zijn kerkelijk karakter waar maakte door mee te bouwen aan een echt kerkelijk opleidingsinstituut, zonder versnipperende rivaliteit, met kwaliteit door bundeling van de beste krachten, en in samenwerking met wie met ons één zijn in geloof. Wat wij nodig hebben is een goede en erkende opleiding, zoals alle studenten die graag willen, zonder theologisch en oecumenisch isolement, met scholing in theologische, sociale en praktische vaardigheden, aantrekkelijk niet alleen voor ‘late roepingen’, maar ook voor jonge mensen, die de kerk niet missen kan wil zij toekomst hebben.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief