Over het Seminarie

2001-12-21
  • Jaargang 45
  • nummer 25
Het Nederlands Gereformeerd Seminarie viert haar 25-jarig bestaan en dat wil ze weten. Daarom heeft ze een jubileumuitgave laten verschijnen onder de naam ‘Om het profetische Woord’; een kado aan haar vaste achterban en voor een vriendenprijsje beschikbaar voor ieder die er belangstelling voor heeft.
Voor ds W. Smouter was de verschijning van dit boekje aanleiding om een zeer kritisch artikel te schrijven over het werk van het Seminarie in de Opbouw van 9 november 2001. Nadrukkelijk is er aangegeven dat de redactie van Opbouw openstaat voor reacties. Welnu, het artikel van ds Smouter is een reactie meer dan waard. Ik geef mijn reactie dan ook graag.

Gegroeide liefde
Allereerst wil ik benadrukken waarom ik zo graag reageer op het schrijven van ds Smouter. De reden daarvoor is dat ik van het Nederlands Gereformeerd Seminarie houd. Ik houd van haar docenten en alle andere mensen die zich veel inspanning getroosten, om jonge mannen op te leiden tot het ambt van dienaar van Gods Woord.
Deze liefde voor het Seminarie heb ik gekregen door mijn studie aan deze instelling.
Mijn keuze voor het Seminarie was overigens niet vanzelfsprekend. Ik ben volwassen in het geloof geworden onder de bediening van een predikant, die bepaald niet warm liep voor het streven van het Seminarie. Deze predikant heeft een grote rol gespeeld in de ontwikkeling van mijn geloof, iets waar ik nog altijd buitengewoon blij mee ben. Toen ik de wens had om me d.m.v. theologiestudie te gaan voorbereiden op het predikantsschap, heb ik daarover gesprekken gevoerd met deze predikant. Toen ik uiteindelijk om praktische redenen toch voor het Seminarie koos, wist ik dus wel welke bezwaren er binnen onze kerken tegen het Seminarie leven. Het gevolg daarvan was dat ik heel kritisch aan mijn opleiding ben begonnen. Vanuit die kritische houding heb ik ontdekt hoe waardevol het onderwijs is dat gegeven wordt aan het Nederlands Gereformeerd Seminarie.

Smouters bezwaren
Ik noem het onderwijs aan het Seminarie waardevol, ds Smouter denkt daar anders over; hij noemt in zijn artikel twee fundamentele bezwaren die hij tegen het Seminarie heeft.
Ten eerste: puur traditionalisme krijgt aan het Seminarie het gewicht van "zo leert ons de Schrift", terwijl er in feite héél (sic) selectief met de Schrift wordt omgegaan. Ten tweede: het Seminarie onderwijst zijn studenten in een sfeer dat wetenschappers domkoppen zijn en dat alle problemen waarmee wetenschappers zich bezig houden inbeelding zijn. Een student aan het Seminarie heeft vanaf de collegebanken geleerd dat alle aanvechtingen onzin zijn of eigen schuld, omdat je teveel naar de wetenschap luistert.

Altaar en preekstoel
Het eerste bezwaar meent ds Smouter te kunnen illustreren aan de hand van het artikel van ds Stuy. Ds Stuy heeft in het jubileumboekje van het Seminarie een artikel geschreven onder de titel "Kleine kroniek van de eredienst". In dit artikel gaat hij na wat er in de Bijbel geschreven staat over vormen van eredienst.
Het allerbelangrijkste en meest fundamentele voor de eredienst ziet ds Stuy dan in het samenkomen van mensen. Dat begon al vanaf het begin der wereld. Het begin van de publieke eredienst ziet ds Stuy bij Enos: 'Toen begon men de naam des HEREN aan te roepen' (Gen. 4: 26). Wanneer je nu de gegevens bekijkt over de O.T.-ische eredienst, zie je dat men telkens samenkomt rondom een altaar. De grote ommekeer in de geschiedenis van de eredienst is de komst van Christus.
Voor Christus' komst speelde de offerdienst altijd een rol bij de ontmoeting van Gods volk met zijn God, na de vervulling van de offerdienst door de Here Jezus, mocht de verzoening in Jezus' bloed verkondigd worden. Zo ontstond er een nieuwe vorm van eredienst.
Ds Stuy duidt dat zo aan: altaren werden afgebroken; preekstoelen werden gebouwd.
Ds Smouter concludeert hieruit dat ds Stuy onze eigen gewoonten terugleest in de Bijbel. Echter, dat doet ds Stuy niet. Wat hij wel doet is dat hij, met onze erediensten als gegeven, terugkijkt naar wat de Bijbel ons voor gegevens geeft over de eredienst in bijbelse tijd. De opmerking dat ds Stuy zich hierbij schuldig maakt aan traditionalisme en selectief bijbelgebruik is uit de lucht gegrepen en berust op een vooroordeel. Het verhaal van ds Stuy kan tot deze conclusie niet leiden.

Misplaatst voorbeeld
Dat heeft ds Smouter zelf ook begrepen.
Vandaar dat hij, wanneer hij een voorbeeld wil geven van selectief bijbelgebruik, geen voorbeeld uit het artikel van ds Stuy neemt, maar zelf een voorbeeld verzint. Dit zij opgemerkt!
Uit het voorbeeld dat ds Smouter geeft, blijkt tevens dat zijn artikel niet geheel vrij is van stemmingmakerij. Ds Smouter zegt dat in de lopende discussies vanuit Seminariekring met kracht de woorden zijn ingebracht dat de vrouw moet zwijgen in de gemeente. Ds Smouter doelt hiermee op I Kor. 14: 34. Met deze lopende discussies zal hij de gesprekken over 'de vrouw in het ambt' op de Landelijke Vergadering bedoelen.
Alleen, bij deze gesprekken is het Seminarie geen partij. Vervolgens heeft ds Smouter nooit steun vanuit het Seminarie gehoord voor de tekst: ‘zo dan, mijn broeders, streeft ernaar te profeteren en belemmert het spreken in tongen niet’ (I Kor. 14: 39). Ik zou dan wel willen weten in welke discussie het Seminarie deze tekst had moeten inbrengen. Toch niet in de discussie over 'de vrouw in het ambt'?! Het voorbeeld hangt dus volledig in de lucht. Ik zie er dan ook eerder een poging in om het Seminarie in de beklaagdenbank te plaatsen.

Traditionalisme?
Stemmingmakerij zie ik ook in de samenvatting die ds Smouter geeft van het artikel van ds Stuy: ‘En voor nu moesten we maar blijven bij de Psalmen in plaats van een vloed van Opwekkingsliederen’.
Zo krijg je de mensen die graag Opwekkingsliederen zingen wel op je hand. Maar ds Stuy zegt in zijn artikel echt iets anders dan datgene wat ds Smouter hem laat zeggen. In zijn artikel brengt ds Stuy ook nog iets over de geschiedenis van de eredienst naar voren. Hij zegt dan: ‘Door de geschiedenis van de eredienst loopt een gouden draad. De gouden draad van de lofzang. Er zijn tijden geweest waarin het met die lofzang wat armzalig toeging, maar wij leven in een tijd waarin er een overvloed is aan lofzang.
Er wordt in onze tijd heel veel muziek gemaakt én naar muziek geluisterd’. Dan vervolgt ds Stuy: ‘Natuurlijk heeft dit alles zijn gevolgen voor de eredienst. De kerk leeft niet op een eiland. Zij kan de deuren voor de buitenwereld niet gesloten houden.
Dat hoeft ook niet (cursivering van mij). Als de muziek en zang maar blijft staan in het raam van de omgang met God. In de kerk ontmoeten samengekomen mensen hun God én zij ontmoeten elkaar. Samen zingen kan heel vertroostend zijn. Bemoedigend. Met tal van liederen eren wij God, belijden wij ons geloof, vragen wij om vergeving van onze zonden’.
Wanneer ds Stuy tenslotte in het laatste stukje van zijn artikel aandacht vraagt voor het heden, dan merkt hij op dat er momenteel een vloed van Opwekkingsliederen door de kerken gaat. Hij vraagt zich af waarom.
Waarschijnlijk omdat die liederen veel mensen aanspreken én omdat ze zo gemakkelijk zingen. Het is evenwel opmerkelijk, constateert hij, dat in tijden waarin de kerk terugkeerde naar het Woord zij óók terugkeerde naar de psalmen. Als voorbeelden noemt hij Hervorming, Afscheiding en Vrijmaking.
En dan schrijft ds Stuy: ‘Persoonlijk denk ik dat het goed is dat wij, vanwege onze kerkelijke geschiedenis, herkenbaar blijven aan het zingen van de psalmen’. Wanneer ds Smouter dit als traditionalisme aan wil duiden, slaat hij werkelijk de plank mis. Het Seminarie maakt zich niet schuldig aan traditionalisme, maar ze waarschuwt haar studenten er juist tegen!

Getrouwe getuigen!
Ik wil nu doorgaan naar het tweede bezwaar dat ds Smouter koestert tegen het Seminarie. Dat is het aloude bezwaar dat het Seminarie de wetenschap veracht. Volgens ds Smouter toont het artikel van ds J.D. Janse aan dat het Seminarie de wetenschap niet serieus neemt. Dit artikel, onder de titel ‘De Here, zijn apostelen en wij’, gaat in op de manier waarop wij de Here Jezus kennen. Wij kennen Hem door het Woord van zijn apostelen. Deze apostelen heeft de Here zelf uitgekozen en aangesteld om zijn getuigen te zijn in de wereld. Nu constateert ds Janse dat het echter opmerkelijk is dat deze door Jezus zelf aangewezen, gevolmachtigde en door zijn Geest geleide getuigen voor de moderne bijbelwetenschap niet of nauwelijks meetellen. Dit blijkt uit veel theologische literatuur, waarin bijvoorbeeld gesteld wordt dat Matteus het Evangelie van Matteus niet geschreven heeft of Johannes het Evangelie van Johannes niet. Zo maken deze geleerden het bijbels getuigenis aangaande de Here Jezus los van de ooggetuigen die de Here Jezus zelf heeft aangesteld en toegerust, juist om zijn getuigen te zijn!
Binnen de moderne bijbelwetenschap zijn dergelijke meningen ten aanzien van het auteurschap geen uitzondering.
Ze kunnen dan ook aanleiding zijn tot twijfel over de betrouwbaarheid aangaande het bijbels getuigenis over onze Heer. Het is juist om deze reden dat ds Janse in dit artikel wil aantonen dat er echt wel iets is in te brengen tegen de gevestigde mening van de moderne bijbelwetenschap. Door díe bijbelwetenschap hoeven we ons het kostbaar en betrouwbaar getuigenis aangaande onze Heer niet te laten ontfutselen. Het is een heel pastoraal artikel.

Aanvechtingen
Nu ziet ds Smouter in dit artikel van ds Janse bevestigd dat we op het Seminarie alle wetenschap maar flauwekul vinden. Het Seminarie leidt zijn studenten op met het idee dat alle wetenschappers domkoppen zijn. Voor wie het horen wil: dit is pertinente onzin! Het Seminarie veracht de wetenschap niet, maar ze beoordeelt haar kritisch. Daarbij worden de vragen en onzekerheden van deze tijd niet als onzin aan de kant geveegd, maar juist van repliek bediend vanuit het Woord van onze God en zo nodig met behulp van theologische literatuur. Het Seminarie is erop uit predikanten op te leiden die Gods Woord kennen en dat weten toe te passen in onze tijd, met al zijn vragen.
Dat we als studenten op die manier nooit eens tot op het bot geschokt worden door het idee ‘misschien is het allemaal wel een verzinsel’ - ach, voor aanvechtingen hoef je echt geen theologie te studeren. David had in ieder geval zo'n studie niet nodig om in psalm 22 uit te roepen: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten’? En studeren aan het Seminarie brengt zo z'n eigen aanvechtingen met zich mee.

En verder ...
Aan het einde van zijn artikel stipt ds Smouter de artikelen van ds J.C. Janse, ‘Dingen die eerst gezegd moeten worden’ en het artikel van dr. C.P. Kleingeld, ‘Wat is waarheid’ aan. Het is jammer dat hij niet op deze artikelen in gaat. Juist in deze artikelen komt naar voren wat nu het Seminarie met haar opleiding beoogt. Het verhaal van ds Janse is een op het geloof gebaseerde wetenschappelijke verantwoording van de manier waarop er aan het Seminarie les wordt gegeven. Het artikel van dr. Kleingeld biedt een filosofische bespreking van de vraag 'wat is waarheid'. Een belangrijke vraag voor wie zich met wetenschap bezig wil houden. Ds Smouter geeft aan dat hij er niet zo'n antenne voor heeft, studenten aan het Seminarie kunnen zich zo'n houding niet veroorloven.
Filosofie is een wetenschap die een belangrijk onderdeel uitmaakt van het lesprogramma van het Seminarie.
Het is ook wel even goed iets op te merken over de studentenpopulatie van het Seminarie. Ds Smouter duidt die groep een beetje flauw aan met 'jongelui'. Ik ben zelf 31 jaar oud. Op zich geen eerbiedwaardige leeftijd, maar ik ben de oudste niet. Aan het Seminarie studeren vaders van kinderen, mannen met respectabele functies in onze maatschappij. Wie meer over het Seminarie weten wil, leze vooral het betreffende boekje, "Om het profetische Woord" en niet slechts het artikel van ds Smouter. Volgens ds Smouter is het boekje zijn geld meer dan waard en daar stem ik van harte mee in. Bestellen dus!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief