Door het oog van de naald (3-slot)

2001-03-30
  • Jaargang 45
  • nummer 7
Deuteronomium 26: 12-15

In de vorige twee artikelen hebben we gezien, dat de Israëlitische boer met de eerste opbrengst van zijn land naar de priester toe moest. Pas via de dank voor zijn verlossing en verzoening kon de boer ook echt genieten van de schepping. Door de sterke hand en uitgestrekte arm van de HERE was hij verlost, dat maakte de vreugde over het dagelijks bestaan mogelijk. Wanneer we de Verlosser aanbidden, lacht de schepping ons toe. Nieuwtestamentisch gezegd: niemand kan tot de Vader komen dan door de Zoon (Joh. 14:6). Je kunt pas echt genieten van een kopje koffie als je avondmaal gevierd hebt. Maar dat blijft dan ook niet zonder gevolg. Dan ben je royaal naar mensen die het niet zo royaal hebben als jij. Dat blijkt uit het vervolg van Deuteronomium 26.

Van Mij, dus voor je naaste
Elk derde jaar moest de Israëliet tien procent van de opbrengst van zijn land afstaan aan de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, ‘opdat zij eten en zich verzadigen in uw steden’. Weer moest dan voor het aangezicht van de HERE een plechtige verklaring afgelegd worden: ‘Ik heb het heilige uit het huis weggedaan; ook heb ik dat gegeven aan de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, geheel overeenkomstig het gebod, dat Gij mij gegeven hebt.’ (Tussen twee haakjes: opmerkelijk hoe de HERE steeds wil, dat de Israëliet zijn geloof en het daarmee verbonden gelovige gedrag verwoordt. Geloof moet handen en voeten krijgen, maar toch ook een mond.) Met andere woorden: het heilige, dat wat voor de HERE is bestemd, dient royaal aan de naaste in nood gegeven worden. Maar dan ook echt royaal!
Niet toch nog even iets ervan achterhouden, bijv. omdat je opeens een dode in de familiekring te betreuren hebt en dus geconfronteerd wordt met extra kosten. En dan zeggen: ach, dit ligt toch ook in de lijn van dit barmhartige gebod, en het dan in feite voor jezelf bestemmen. Of andere plausibele redenen bedenken, waardoor je iets van die tienden af kunt halen. Wat voor Mij is, is voor Mij en geef het dan maar namens Mij aan mensen in nood.

Kwaliteitsbewaking
Ik zegen je, wees dan ook anderen tot een zegen. Ik zie graag dat jullie genieten van het goede leven, maar laat anderen dan delen in de feestvreugde. Ook zij mogen genieten van alles waar ze zin in hebben. Een lekker stuk vlees, een glas wijn of andere sterke drank of wat dan ook maar. Als ze maar plezier hebben... (zie ook Deut. 14: 26,27) Nee, Ik bedoel niet je vrienden maar diegenen die afhankelijk zijn van de zorg van anderen: de Levieten (de werkers in de tempel), de wees en de weduwe (de mensen zonder vast inkomen) en de vreemdeling (de mensen zonder vaste woon- of verblijfplaats).
Ze zeggen wel eens: de kwaliteit van een samenleving kun je afmeten aan de zorg die er is voor de zwakken.
Hier zie je hoe de HERE uit is op kwaliteitsbewaking. Via de weg naar het altaar leert Hij zijn volk klein te blijven en zijn afkomst te beseffen: slaaf, zwerver en asielzoeker. Als Hij er niet geweest was… Het zijn mensen die beseffen dat ze in hun leven gekroond zijn met goedertierenheid en barmhartigheid van boven (Psalm 103:4). Daarom leven ze koninklijk en geven ze royaal aan hun naaste. De weg via het altaar lijkt te verdwijnen in onze samenleving. Is dat niet de achterliggende reden van de schrijnende problemen, die onze rijke samenleving kent met de nog steeds stijgende wachtlijsten in de gezondheidszorg?
Niet alleen waar het gaat om cure in de ziekenhuizen, maar ook om langdurende care in verpleeg- en verzorgingshuizen.
En heeft dit ook niet te maken met de kritische geest waarmee naar WAO-ers en asielzoekers gekeken wordt?

Mensen van de Weg
Onze samenleving ademt een andere sfeer dan de geest uit deze oude, evangelische wet. Veeleer is het de geest van de rijke dwaas uit de bekende gelijkenis (Lukas 12: 13-21). Dat is een buitengewoon hard werkende man. Hij is beslist niet dom, kijkt vooruit en doet tijdig investeringen. Hij houdt zijn bedrijf heel gezond. Daar is op zichzelf niets mis mee. Z'n probleem is alleen dat hij de weg via het altaar heeft gemist. Daardoor dacht hij dat hij zijn rijkdom aan zichzelf te danken had, en in zekere zin had hij daar gelijk aan. Hij verzamelde voor zichzelf schatten en was niet rijk in God.

Ja, het is moeilijk voor een mens die geld heeft om het Koninkrijk van Gods binnen te gaan. Het is makkelijker, dat een kameel door het oog van een naald gaat dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat. Maar wat moeilijk is, is nog niet onmogelijk.
Wie de weg via het altaar bewandelt, kruipt door het oog van de naald. Je kunt het zien aan zijn bankrekening en zijn agenda (tijd=geld). En de vrijgestelden in het Koninkrijk, de kwetsbaren in de samenleving en de asielzoekers van buiten zullen het merken. Dat is er vast eentje van de Weg!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief