Trouw
2001-03-30
Het is een kort en bondig woordje. Eén lettergreep. Dat zal niet toevallig zijn. Het heeft je nu eenmaal in de greep of niet. Je kunt het niet onderbreken, niet uitsplitsen of in delen uiteenleggen. Trouw is een woord op de wijze van: niet-over-zeuren, puntuit-afgelopen. Als je probeert te verklaren waarom je zó bent en zó doet, gaat de fut eruit, wordt de kracht eerder minder dan meer. In het Hebreeuws, de eerste en oudste taal waarin het Woord van God via de Heilige Schrift tot ons komt, wordt trouw aangeduid door drie letters: de eerste, de middelste en de laatste van het alfabet. De rabbijnen trekken daaruit de conclusie: trouw is de samenvatting van alles wat er te zeggen is, het inbegrip van alle woorden van God en van de mensen, die een heilzame uitwerking hebben. Ik teken er een gezicht, een gestalte bij. Gerritje is haar naam. Zulke (ouder) wetse namen spreken mij aan omdat ze bijna antiek zijn geworden. Soms vrees ik dan, dat namen als Heintje, Hendrikje, Jantje en ook Gerritje een afgeleide zijn van de manlijke lijn, die voorrang heeft, de boventoon voert.- Jaargang 45
- nummer 7
Zo ging dat vroeger in de mannenmaatschappij, die overigens nog stevig en stoer doorwerkt. De stem van de vrouwen, verenigd in allerlei feministische stromingen, betekent een heilzame correctie, een signaal, dat tegen de wanorde, tot de orde roept. Hoe dit ook zij, Gerritje is hoogbejaard, al even in de negentig. Ze geniet een uitnemende gezondheid en is altijd goedlachs. Haar man, met wie zij al zoveel jaren het leven heeft gedeeld, is een paar jaar ouder. Hij is haar echtgenoot in de diepste zin van het woord: ècht haar bondgenoot. Noodgedwongen leven zij sinds een aantal jaren gescheiden. Zij is thuis, maar hij moest worden opgenomen in een verpleeghuis.
Wonend op een paar kilometer afstand van elkaar gaan zij zoveel mogelijk samen verder. Gerritje ging tot voor kort op haar fiets iedere middag naar haar echtgenoot. Omdat de kinderen dit te riskant vonden, gaat zij tegenwoordig met de belbus. Ze zitten uren lang bij elkaar in de grote hal van het verpleeghuis, waar het een komen en gaan van mensen is en waar ze veel bekenden ontmoeten. Hij zegt bijna geen woord. Zij vertelt alles wat er sinds de vorige dag gebeurd is, terwijl hij vriendelijk zit te luisteren en ook weleens met z'n ogen wegdwaalt. Dit laatste ontneemt haar de moed niet om haar verhaal te doen.
Intussen geeft zij hem wat te drinken, haalt een stukje koek uit haar tas en geeft hem tussen de bedrijven door een stukje, dat ze voorzichtig, met eindeloos veel liefde en geduld, in z'n mond stopt. Soms zitten ze ook tijden lang te zwijgen, maar ook dan is het een stil genieten. Als ik hen beiden zie, schuif ik even bij hen aan. Ik krijg, zonder dat zij zich ervan bewust zijn, een stukje aanschouwelijk onderwijs over de diepgang en de draagwijdte van dat ene woordje trouw. Het raakt me diep. Ik probeer het te vertalen naar mijn eigen situatie. Ook ik ben echtgenoot. Ik heb inderdaad aan iemand trouw beloofd en probeer daaraan gestalte te geven. Tegenover deze beide mensen gevoel ik een schrijnend tekort, ook een stuk schuld. Zij nemen mij zonder dat te willen of te weten, een soort examen af en ik heb het bange vermoeden, dat ik die proef niet doorsta. Soms denk ik: het zou een goede vorm van huwelijkscatechese zijn om eens een aantal uren met deze beide oude mensen te verkeren.
Onlangs trof ik Gerritje toevallig bij de ingang van het verpleeghuis. De dag tevoren was het zondag, nader bepaald: de zondag van het werelddiaconaat.
Het weer was op die bewuste dag bar en boos: sneeuw, ijzel, onbegaanbare wegen. Levensgevaarlijk, vooral voor oudere mensen, die niet zo stevig in hun schoenen staan, om onderweg te zijn. Het was ook duidelijk te merken in het aantal kerkgangers. ‘Ach dominee’, zei Gerritje, ‘het is goed dat ik u net even zie. Ik was gisteren niet in de kerk en kon dus niet meedoen met de collecte’. Ze bukte zich een beetje, zette haar tasje op de gebogen knie, opende het, rommelde er wat in en gaf mij toen een envelop. ‘Anders had ik hem op de post gedaan, maar zo is het net zo gemakkelijk’.
We praatten nog even over en weer, ook over het weer van de afgelopen dagen. Zij ging naar haar man, ik naar een vergadering. Thuis maakte ik de envelop van Gerritje open. Er zat honderd gulden in. ‘Voor de collecte van zondag’ stond op een bijgaand briefje. Wanneer mensen zoals Gerritje er niet meer zijn, nemen dan anderen hun plaats in? Met eenzelfde trouw in de kleine, naaste kring en in de grote kring van de gemeente? In mijn sombere momenten denk ik dat zo'n vorm van trouw een uitstervend fenomeen is. Toch kan dat niet waar zijn omdat trouw verankerd is in God. Hij is een God van mensen en daarom zal Zijn trouw doorwerken in het doen en laten van mensen.
Dit fijne artikel is van de hand van dr. W.G.Marchal en werd gepubliceerd in het blad ‘ Confessioneel’.
Trouw hangt samen met en vloeit voort uit waarachtige liefde. Vaak denkt men het af te kunnen met wat lief te doen en wat lieve woorden te gebruiken terwijl men intussen zijn ego spekt. Dat is dan een soort lievigheid waarvan je op de duur misselijk wordt. Echte liefde is niet rationeel, maar emotioneel. Ze is wars van berekening en kent eigenlijk geen grenzen. In het geloof tasten we daarin de weerspiegeling van de liefde van onze God jegens de ganse wereld en in het bijzonder jegens ons.
Daarvoor hoeven we alleen maar te letten op wat er staat in Johannes 3:16 en Romeinen 5:8. Zo is het ook gesteld met Gods trouw. Wie het over God heeft kan niet om zijn trouw heen. Zijn wezen wordt bepaald door pure trouw. Ik denk aan Psalm 89 vers 1-9. De HERE openbaart zijn trouw in de gemeente der heiligen ( zie Psalm 89:6). Zo mag onze aanhankelijkheid en trouw jegens de naaste in kleinere en grotere kring een bewijs zijn, dat we de indringende boodschap van Gods liefde en trouw hebben verstaan. Dan zullen de ouders hun kinderen ook leren om te geven en zullen zij zelf de kerk niet met een fooi afschepen. Ook doopleden, die zelf iets verdienen, mogen we opwekken iets voor de kerk over te hebben. We hebben het immers allemaal uiteindelijk van God gekregen. Als we vrekkig zijn heeft de hebzucht ons te pakken. En naar Paulus' woord is de hebzucht (er staat eigenlijk zilverliefde) de wortel van alle kwaad.