Opnieuw levende stenen (2)

2000-01-07
  • Jaargang 44
  • nummer 1
"...door mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar,"
I Petrus 2 : 4b

De levende Heer had de bruisende, initiatiefrijke Petrus tot een Ander leven geroepen. In een school waar een ander leerplan gold. Uitgaande van vs. 4b daarover nu nog wat meer.
De verwachtingen die Petrus vroeger had van de Messias waren stukgelopen.
De verhoging van zijn Meester, als Mensenzoon, als de Leeuw uit Juda's stam, dát had hem vroeger aangesproken. Maar dat die weg door Jezus' verwerping en kruisdood zou gaan? Dat ging er niet in.
Maar bij God was juist die weg uitverkoren en kostbaar gebleken. Niet als noodoplossing, vanaf het moment dat het volk hem afwees. Vanaf het begin was onbegrip zijn deel geweest: De weg van het kruis, van de graankorrel, van het offer was de stijl van zijn koning gebleken.

Van baby’s...
En nu, nu Petrus de teugels uit handen had gegeven, nu kon hij anderen oproepen tot deze bron: Laat u ook zelf gebruiken, als levende stenen.
Gewone gelovigen, behept met allerlei gebreken, maar toch levende stenen. Falend in discipline en kracht om te getuigen. Gauw angstig, gauw terugvallend op menselijke redeneringen, maar toch: levende stenen.
Hoe kan dat? Petrus spreekt ons aan als gedoopte gelovigen, als mensen die een nieuwe schepping zijn in de Opgestane, die in Zijn leven delen, dat in de hemel weggelegd is en bewaard wordt. Als een nieuw kleed wordt het ons aangereikt: door het geloof in de Opgestane staan we recht voor God en is Zijn heiligheid ons deel. Nieuw en levend: We zijn het en we worden ertoe opgeroepen Gedoopte gelovigen zei ik. Luther vond daar kracht in als hij werd aangevochten.
Petrus zegt nu: Jullie zijn pasgeboren kinderen, Daarmee herinnert hij ons aan het nulpunt waar ons christenleven begint. Net als baby's zijn en blijven wij afhankelijke stumperds, die de melk nog niet ontgroeid zijn. Voor de goede verstaanders, en dat waren Petrus' eerste lezers, zei Petrus daarmee: Verwacht het niet van mij, Kefas, op wie jullie je als een oerfundament, zouden willen beroepen. Waarom zouden mensen bij Petrus zweren?

...tot geliefde broeders
Ik denk dat de Kefasgroep waar Paulus in 1 Korinte op zinspeelt, Petrus om raad had gevraagd.
Verschillende uitlatingen in I Petrus worden doorzichtiger als we ze tegen die achtergrond lezen.
Paulus' zorg om de Korintiërs gold niet slechts partijschappen of ethische problemen in de gemeente.
De groepen in Korinte profileerden zich aan de hand van hun doop. De leuzen "Ik ben van..." wezen op meningsverschillen rond de doop.
Sommigen gaven daar een geradicaliseerde invulling aan. Ze maakten van hun doop een happening, een greep naar de volmaaktheid. In het werk van de Geest zagen bepaalde extatische profeten in Korinte zich al in de engelenwereld overgezet.
De opstanding van het lichaam heette overbodig.
Dus: verwacht het niet van mij, Petrus. Denk eerder aan de opgestane Heer: Komt tot Hem, de levende steen. Vroeger was ik haantje de voorste en vertrouwde ik op mezelf, nu laat ik mij door een Ander aangorden.
Zijn verwachtingen werden doorkruist. Het werk onder de heidenen waarvan hij aanvankelijk dacht dat het hem was toevertrouwd had Paulus overgenomen.
Dat moet een bittere pil geweest zijn.
Petrus had zich ermee verzoend.
Hij had de zaak op de Here gewenteld. Hij was een inschikkelijk pastor, een echte herder geworden. Met voorbijzien aan strijdpunten, riep hij op tot ongeveinsde broederliefde. In zijn tweede brief noemde hij Paulus "onze geliefde broeder".

Getemde toekomstverwachting
Paulus had in zijn eerste brief aan Korinte (10:2) gesproken over een geestelijke rots (petra) die meeging met de vaderen.
"Allen lieten zich in Mozes dopen in de wolk en in de zee" zei hij daar.
En hij voegde daaraan toe: "dat allen hetzelfde geestelijke voedsel aten en allen dezelfde geestelijke drank dronken, want zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen meeging en die rots was de Christus" (10:2-4).
"Allen lieten zich in Mozes dopen in de wolk en in de zee." Let nu op hoe ook Petrus in soortgelijke zin de doop verbindt met een doortocht, maar dan die van Noach door de zondvloed. Heeft Petrus, na Paulus gelezen te hebben (vgl. II Petr.3: 20,21), er het zijne van willen zeggen?
Een overspannen toekomstverwachting had bepaalde profeten in Korinte er toe gebracht het volmaakte heil in de Geest al in het hier en nu te verwachten (I Kor. 4:8).
Het toekomstige heil moest getemd, voorstelbaar worden. Die neiging lijkt Petrus te willen corrigeren als hij de doop typeert als: '...niet een afleggen van lichamelijke onreinheid, maar (als) een bede van een goed geweten tot God.' Ik vermoed dat een doorgeslagen prediking uit de kring van Petrus de gedachte aangewakkerd had, dat 'de zaligheid der zielen' al realiseerbaar was. De meer filosofische accenten van Apollos kunnen aan deze verwarring hebben bijgedragen. Hoe dan ook, men was tot een alternatieve kijk op de opstanding gekomen. Dat is w.s. de reden dat de opstanding van Christus in I Petrus zo sterk benadrukt wordt (zie 1:3; 1:21; 3:21-22 vgl. I Kor. 15:12).
Ook voor Petrus was de verwachting van de openbaring van Jezus Christus, bij zijn komst, gespannen.
Het einddoel van het geloof, de zaligheid der zielen (I Petr.1:9) stond bij hem hoog in het vaandel.
De genade die de profeten al tastend aangekondigd hadden en waar de engelen hun blik in zouden willen slaan was ook voor hem, in de Geest, al aanwezige realiteit: Dat blijkt in I Petr. 4:14 waar Petrus - in navolging van Jezus - hen zalig spreekt die smaad lijden door de naam van Christus, "daar de Geest der heerlijkheid en de Geest Gods op u rust." Dit is in zekere zin "gerealiseerde eschatologie", maar niet als bezit.
Die heerlijkheid is aan Hem (Christus) gegeven, zodat uw geloof tevens hoop is op God. (1:21)

Openbaring die toch dichtbij kwam
Als we het eerste hoofdstuk van I Petrus nalopen, dan zien we een relativerende opmerking over engelen (1:12b), en een scala van aansporingen (tot gehoorzaamheid, tot heiligheid en - als climaxtot broederliefde). Tenslotte klinkt dan de verzekering: DIT nu is het woord, dat u als evangelie verkondigd is (1:25). Hier komt het dus op aan.
Conclusie: Petrus kwam zijn hoorders enerzijds tegemoet, anderzijds lezen we tussen de regels een herderlijke bijsturing.
Hij spoorde ertoe aan, dat we met gebruikmaking van ons verstand, in alle nuchterheid onze hoop vestigen... op Wie? Op de openbaring van Jezus Christus. Hoe? Niet in een wereldvluchtend extatisch anticiperen, maar in een heilig, zorgvuldig leven als vreemdelingen.
In I Petr. 2 waarschuwt de apostel dan kwaadwilligheid af te leggen, bedrog, huichelarij, afgunst enz. enz. Al deze ondeugden wijzen op partijschap.
Direct daarna volgt dan de vermaning: En verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke onvervalste melk (2:1-2). We zagen al dat Petrus hiermee aan de doop herinnerde.
Terug naar het begin! Dat is DE remedie om tegenstellingen te overwinnen. Dat zien we in meerdere brieven.
Ongetwijfeld zal Petrus daarbij aan Jezus gedacht hebben. In een situatie van twist en rivaliteit had Hij een kind ten voorbeeld gesteld. Door de geadresseerden met pasgeboren babies aan te spreken, sluit Petrus ook bij Paulus aan: Melk en geen vast voedsel hield deze de Korintiërs voor (I Kor. 3:2).

Wel op, gij bron
En nu volgt de oproep: "En komt tot Hem, de levende steen". In de woordkeus reageerde Petrus w.s. mede op Paulus. Deze had gezegd: Christus was de rots (petra) die met de gelovigen meeging, vroeger in de woestijn, en ook nu.
Christus en niet Petrus was die rots (I Kor. 10:4).
Daarom koos Petrus hier denk ik heel bewust voor het woord lithos, steen, in plaats van petra.
De apostelen waren naar Galilea teruggestuurd.
Daar zou de Opgestane hen verschijnen. Petrus nam zijn oude beroep weer op. Wellicht had hij daar op het water een verband gezien. De Rots, die water had gegeven, had de geesten sinds de woestijntijd bezig gehouden, in aansluiting op Num. 21:17. Daar lezen we een lied: Wel op, gij bron. Psalm 114:8 haalde ik al aan: Als hoogtepunt van Gods verlossingswerk werd daar van God gezegd: (Hij is het) die rotsen maakt tot een waterval, graniet tot een borrelende bron (Willibrord Vert.). In aansluiting op deze en dergelijke woorden werd de watergevende rots in Joodse tradities voorgesteld als een bron of stroom die nog steeds met de Israëllieten meeging, net als de wolk en de Engel des Heren. De manier waarop Paulus in I Kor. 10:4 over deze bronrots sprak laat zien dat dit motief in de eerste eeuw bekend was. Het verhaal nam in rabbijnse tradities wel fantastische vormen aan. In de vorm van een bijenkorf zou deze rots achter het volk aangerold zijn. En bij elke tent water laten opborrelen. Tot op vandaag zou de weerspiegeling van deze bijenkorfvormige rots in de diepten van de zee van Tiberias te zien zijn.2) Hoe legendarisch (en laat) deze tradities ons ook voorkomen, ze zijn hecht verankerd in het Oude Testament: Op het woord tot Mozes was er water uit de rots gekomen.
Daaraan moet Petrus gedacht hebben.
Hij had Jezus leren kennen als een rondreizende Bron-Rots uit wiens binnenste levend water stroomde. En ook deze Rots werd geslagen.
Woorden van eeuwig leven en genezing waren uit zijn binnenste gevloeid. Bijv. bij de Samaritaanse vrouw (Joh. 4:10) en op het loofhuttenfeest (Joh. 7:37 vv.) Wie van dit water dronk zou op zijn beurt weer een fontein van levend water worden.

Een lokmiddel?
Gebruikte Petrus dit bronmotief als een lokmiddel voor de charismatici onder zijn lezers? Het brengen van geestelijke offersopgevat als lofoffers - zou in die richting kunnen wijzen, maar dat lijkt mij niet waarschijnlijk. Hij stimuleerde hier meer dan tot een aanstekelijk, overvloeiend geloofsleven in de lijn van hoofdstuk 1:3-12. Let op de werkwoorden die hij gebruikte: "Komt..." "en laat u ook zelf gebruiken." Petrus wil zijn luisteraars over een bepaalde streep trekken.
Waar is hij op uit?
Met de woorden "voor de bouw van een geestelijk huis" - brengt hij de levende stenen in de 'opbouwsfeer'. Zou het woord "levende" in de samenstelling niet willen oproepen tot flexibiliteit en inschikkelijkheid in de broederliefde? DAT is inderdaad een hoofdlijn in de brief, een houding waartoe Petrus als fijngevoelig pastor stimuleert: "Voegt u...", "Onderwerpt u..." "...mannen, leeft verstandig met uw vrouwen..." "Tenslotte, weest allen eensgezind..." Al deze dingen wijzen erop dat Petrus de geaddreseerden stimuleert om zich onder de openbaring gebracht door de apostelen te scharen (1:12-13).
Dat ze dwang laten varen en in nederigheid de gelederen sluiten (5:5).

Perspectieven
Samenvattend: We zagen dat Petrus ons in de eerste plaats wilde wijzen op de Opgestane, de levende steen. Daarin ligt een geweldige boodschap voor onze tijd: In gemeenschap met Hem kunnen we nieuwe moed vatten in een stervende wereld.
Moed ook om het kerkelijk werk - waarin zoveel moet - weer met een sprankelende verwachting aan te vatten. Vanuit het perspectief van de Opgestane. Dat is een paradigma dat steeds weer haaks staat op onze berekeningen en structuren.
De ontdekking dat de typering van Christus als "de Levende Steen" een profetische identificatie is met de Bronader die Israëllieten vanouds begeleidde, 3) lijkt mij een winstpunt voor de exegese en het pastoraat.
Alleen in gemeenschap met Hem zijn wij levende stenen. Misplaatst zelfvertrouwen, maar ook apathie, kan hiermee overwonnen worden. Als we zien dat Christus als de Levende Steen door mensen verworpen werd stimuleert dat tot volharding, juist als we in zijn spoor op onbegrip stuiten.
Met dit alles lijkt een accoord aangeslagen dat welkom is voor het gesprek met 'evangelischen'.
Hun levende en sprankelende getuigenis kan niet gemist worden.
En evenmin het accent van Karl Barth: Het leven dat ons gegeven wordt komt van de Andere kant.
Wij kunnen het niet annexeren, kanaliseren of inpolderen. Niet in 'het gereformeerde' en niet in 'het evangelische'. Hij blijft soeverein.

2) Deze gegevens ontleen ik aan E.E. Ellis, Prophecy and Hermeneutic in Early Christianity. Vol. 18 WUNT, Tübingen, repr. Grand Rapids, 1978. pp. 209-212.
Hij verwijst o.a. naar de Targum van Jeruzalem op Numeri 21. Uiteindelijk zou deze bron-rots zijn rustplaats gevonden hebben aan de zee van Tiberias.
3) Zie Ps. 68 : 27; Ps. 104 : 41 (LXX) en Jesaja 48 : 21.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief