Zending tussen kerk en kerkverband (1)
2000-01-21
Het is al weer even geleden dat ik aandacht vroeg voor de mogelijkheid een landelijke commissie voor zendingszaken binnen onze kerken in het leven te roepen.- Jaargang 44
- nummer 2
Het instellen van een landelijke commissie voor diaconale zaken lijkt er op te wijzen dat wij als Nederlands Gereformeerden een koersaanpassing aan kunnen.Want een koersaanpassing is het natuurlijk wel. Viel sinds de traumatische ervaringen in de 60er en 70er jaren alle accent onder ons op de plaatselijke kerk, langzamerhand komt er toch oog voor het belang van kerkverbandelijke samenwerking.
Het kerkverband ontvangt bevoegdheden om zaken te regelen in naam van de plaatselijke kerken.
Plaatselijke kerken verlenen zo gezag aan een bredere vergadering van kerken.
Daar is bijbels gesproken helemaal niets verkeerd mee. De plaatselijke kerk is nu eenmaal niet de hele kerk. En een kerkverband is ook niet de optelsom van het aantal plaatselijke kerken, dat zich er bij aangesloten heeft. Een kerkverband is een levend lichaam met Christus als hoofd en Heer. Het is geen mechanische maar een organische eenheid, om een tweetal oude, theologische termen te gebruiken.
Er zijn dingen die binnen dat verband samen gedaan worden, samen gedaan behoren te worden als uitvloeisel van het samen kerk zijn.
Hoort zending nu tot die zaken die we binnen het kerkverband samen doen?
Dat is een vraag waar ik me op wil bezinnen. Laat ik voorop stellen dat ik bij zending niet alleen denk aan zending in Zuid-Afrika. In zending zoekt de kerk met het haar toevertrouwde evangelie buiten de wereld van eigen cultuur en taal ook hen die vreemd zijn aan of vervreemd zijn van God en zijn dienst. Dat kan in eigen land gebeuren maar ook in Oost-Europa, in India of in Zuid-Amerika.
Ik denk aan het Spanjewerk onder ons, maar ook aan de talloze initiatieven in Oost-Europa. Het gaat om zending met het woord maar niet minder met de daad. Ik ga aan dat bekende onderscheid tussen woord en daad in de zending voorbij als ongereformeerd, ja, zelfs onbijbels.
Een blik in de geschiedenis
In Kampen werd in 1951 een vrijgemaakte synode gehouden, die een besluit nam over zending. Er werd toen een uitstekend besluit genomen, schrijft Joh. Lagendijk (1971:1).1) Wat werd er namelijk besloten? Om artikel 52 van de DKO buiten werking te stellen. Zo kwam er een eind aan een hierarchisch-genootschappelijke inslag van de zendingsorde, die op basis van art. 52 DKO alle zendingswerk in de kerken regelde. Bedoeld werd dat generale zendingsdeputaten het zendingswerk regelden en dat de plaatselijke kerken geen stem hadden in beleidsontwikkeling en besluitvorming in zendingszaken. De afstand tussen de plaatselijke kerken en zending was groter geworden. Dat was aanvankelijk niet de bedoeling geweest in 1896 toen er in Middelburg een zendingssynode gehouden werd.
Uitgangspunt was dat de plaatselijke kerk zendingswerk zou opstarten en begeleiden, bijgestaan door deputaten benoemd door de synode. Want alle zendende kerken hebben met problemen te maken, die een speciale kennis van zaken vragen en die bij deputaten verkrijgbaar was. De praktijk werd dat de deputaten het heft in handen namen en hielden en dat de plaatselijke kerken geen directe betrokkenheid meer hadden bij het uitzetten en uitvoeren van beleid. Hoe verder zendingswerk zich ontwikkelde, hoe meer deputaten het overnamen. De anti-hierarchische inslag van de vrijgemaakte kerken als gevolg van de kerkscheuring in oorlogstijd bracht de koerswijziging van 1951 teweeg: terug naar het bijbelse ideaal van de plaatselijke kerk als zendingsorgaan.
En helemaal geen deputaten meer! Praktijk werd dat zending van toen af aan helemaal niet meer ter sprake kwam op bredere kerkelijke vergaderingen.
Het was geen zaak van het kerkverband maar van de plaatselijke kerk, die eventueel samenwerking zocht met andere kerken die steun verleenden.
Ds J. Vonkeman heeft indertijd uitvoerig over deze dingen in ons blad geschreven. Met het wegvallen van het kerkverband, viel echter ook de expertise weg, waar zendingswerk nu eenmaal niet zonder kan. De gedachte dat de zendingstaak toch typisch ook een taak is van het kerkverband, verdween. Samen predikanten opleiden, samen radio- en TV-diensten organiseren, en wat niet al, maar vooral niet samen de zendingstaak bespreken en uitvoeren.
Door de kerkstrijd van de 60er jaren werd het antihierarchische sentiment onder ons versterkt. De rechten van de plaatselijke kerk wogen veel zwaarder dan eventuele verplichtingen aan en rechten van het kerkverband.
Dat werd toch vaak gezien als een soort noodverband om in een aantal praktische zaken te voorzien.
De belangen van de zending kwamen helemaal niet aan de orde.
De situatie nu
Begrijpelijk dat samenwerking aan het zendingsthuisfront maar moeizaam op gang kwam.
De kerken die in Zuid-Afrika werken, worden door de praktijk thans gedwongen hun beleid steeds meer op elkaar af te stemmen, wat samenwerking, met behoud van kerkordelijke zelfstandigheid, noodzakelijk maakt.
Maar verder is er in onze kerken geen enkele samenwerking of samenspraak tussen de verschillende thuisfronten van individuele zendingswerkers en -werksters, tussen allerlei initiatieven in Oost-Europa, en andere projecten. Iedere kerk bepaalt haar eigen beleid, voert het uit of besteedt het uit aan een interkerkelijke zendingsorganisatie.
We leren niets van elkaar op het gebied van zendingsbeleid en -praktijk.
Er zijn allerlei parallellen tussen werk in Oost-Europa en in Zuid-Afrika.
Maar er is geen kruisbestuiving.
De ene hand weet niet wat de andere hand doet. We leren niet van elkaars fouten, en worden niet verder geholpen door elkaars inzichten.
We hebben geen organen die al die verschillende initiatieven bij elkaar uit brengen. Deels is dat voor velen onder ons ook geen probleem, omdat veel initiatieven korte termijn projecten zijn, gebonden aan personen.
Als het project afloopt, wordt er een nieuw, kort termijn project opgestart. Dat lijkt me toch typerend voor de huidige tijd: zending in kort lopende projecten, zodat iedere nieuwe generatie met fris enthousiasme aan het werk kan met een eigen project. En het opstarten van projecten is altijd het 'leukst' en kost de minste (denk)-inspanning aan het thuisfront.
Het overdragen van zendingswerk van de ene op de andere generatie, het doorgeven van de aangegane verantwoordelijkheden gaat moeizaam, terwijl dat toch kenmerkend zou moeten zijn voor gereformeerd zendingswerk.
Er lijkt weinig behoefte aan nadenken over zending op lange termijn, over het onderhouden van contacten met kerken voortgekomen uit zendingswerk. Er lijkt zelfs weinig behoefte aan nadenken over hoe wij als Nederlands Gereformeerden samen het beste gestalte kunnen geven aan de zendingsopdracht - niet maar aan plaatselijke kerken, maar aan al die kerken gemeenschappelijk gegeven.
Maar zou dat geen bijbelse opdracht kunnen zijn: op zijn minst samen nadenken over hoe we als kerken het beste kunnen bijdragen aan de uitvoering van de zendingsopdracht in een nieuw millennium?
Voordat ik concreter inga op een eventuele landelijke commissie voor zendingszaken, wil ik eerst eens wijzen op de zendingsorganisatorische ontwikkelingen in de vrijgemaakte kerken, die het jaar 1951 ook in hun geschiedenisboekje hebben staan. Hoe is de ontwikkeling daar sinds 1967 evj geweest? Kunnen we iets van hun ervaringen leren? De synode van Leusden is er een om te onthouden - ook wegens de besluiten die daar genomen zijn over zending en hulpverlening.
Daarover de volgende keer.
1) Joh. Lagendijk, Van zorg en zegen. Kampen: 1971