Geen hard dichtslaande deuren
2001-04-13
‘Gesprekken over liturgie leidden vroeger niet zelden tot knallende ruzies. Dat thema haalde soms het slechtste in de mens naar boven’. Aldus ds. W. Smouter in zijn slotwoord tijdens de Opbouwdag 2001. In de Jeruzalemkerk werden echter géén schreeuwende gemeenteleden of hard dichtslaande deuren waargenomen.- Jaargang 45
- nummer 8
De dag stond in het teken van het elkaar opbouwen, op zoek naar nieuwe vormen en een integratie van bestaande vormen binnen de eredienst. ‘We zijn met elkaar ook milder geworden. Ook vóór de Reformatie, ook buiten de eigen kerkgemeenschap, waren en zijn er liturgische vormen die tot zegen zijn voor de christelijke gemeente’.
Het thema van de Opbouwdag 2001 bleek een schot in de roos. De bestuursleden Janssens-Boer en Valstar en redactielid Gerkema zijn maandenlang intensief bezig geweest met de voorbereidingen. De reacties van de ongeveer 200 bezoekers waren vaak zeer positief. ‘Kan Opbouw niet ieder half jaar zo’n dag organiseren?’ vroeg één van de aanwezigen na afloop…
Het zingen zal blijven
Nadat een gelegenheidskoor o.l.v. Jo Kaptein –samen met de kerkgangers - Psalm 8 had (in)-gezongen was het woord aan bestuursvoorzitter A. Sierksma. Hij leidde de dag op voortvarende wijze. In zijn openingswoord merkte hij op dat je in de hele Bijbel het zingen voor de Heer tegen komt, in Exodus 15, maar ook in Openbaringen 14.
Het lijkt ambitieus, de ondertitel ‘Gemeentezang in de 21e eeuw’, maar het zingen zal altijd blijven in de christelijke gemeente.
Enqute
Ds. F. Gerkema meldde een aantal resultaten van een enquête onder de Nederlands Gereformeerde Kerken.
Hij concludeerde dat er sprake is geweest van grote veranderingen binnen de kerken. De 30-plussers werden gedoopt in een gemeente die alleen nog de berijming van 1773 kende, nu wordt in 99% van de kerken uit de nieuwe berijming gezongen en in meer dan 80% van de plaatselijke gemeenten heeft het evangelische lied een plek gekregen. Hoewel in de meeste kerken het orgel centraal staat bij de gemeentezang hebben in veruit de meeste gemeenten ook andere instrumenten een plaats gekregen bij de muzikale begeleiding. ‘En’, aldus ds Gerkema, ‘als je Psalm 150 leest kan er nog rustig wat bij….’ Op de resultaten van deze enquête wordt in een later stadium nog nader ingegaan.
Berijmde psalmen
Ds P. Endedijk heeft én een conservatorium-opleiding gevolgd én hij is predikant. Die combinatie kwam tijdens zijn voordracht goed uit de verf. Hij ging niet alleen in op de betekenis van de psalmen, hij zong ze ook voor, begeleidde de Jeruzalemkerk-gangers op de piano en corrigeerde ze ook – daar waar nodig (‘niet in die woorden vallen, vloeiend zingen’; ‘deze tekst moet een beetje bóós klinken’). De Psalmen zijn veelkleurig: liederen om God te danken (8, 98), psalmen van godsvertrouwen (90), liederen met donkere ondertonen (22, 88). We zijn in de kerken gewend aan de berijmde psalmen, maar de berijming is een enorme omslag vergeleken met de Joodse traditie. De strofische vorm is een westerse vorm, waarbij de dichter de inhoud heeft aangepast aan zijn eigen tijd. Aan de hand van enkele voorbeelden (psalm 1, 23, 84) liet de inleider zien hoe de berijmer eigen elementen aan de berijming toevoegt.
Naast de berijmde psalmen zijn er ook psalm-liederen, gebaseerd op een klein gedeelte van een oorspronkelijke psalm.
De inhoud wijkt dan dus veel sterker af van de psalmtekst. Een voorbeeld is Lied 16 uit het Liedboek voor de Kerken.
Eigenlijk vond Ds Endedijk de verwijzing naar psalm 117 hier al te ver gaan.
‘Bij ‘Een vaste burcht’ staat toch ook niet: ‘naar Psalm 46’?
Onberijmde psalmen
Berijmde liederen kunnen we gemakkelijk onthouden, maar ze hebben ook nadelen: je denkt vaak niet na bij wat je zingt, er staat een dichter tussen en het is een vrij statische vorm. Soms ook past de inhoud van de psalm niet echt bij de manier waarop wij zingen. Bijvoorbeeld bij een beurtzang van Psalm 24 waar een pelgrim vragen stelt zou je midden in de zin van de berijming moeten onderbreken: ‘Wie is die held, zo groot in eer. Die sterke held’ – antwoord: ‘Het is de Heer’.
Ds Endedijk brak in dit verband (ook) een lans voor het zingen van de onberijmde psalm in de eredienst. De cantor (of de cantorij) zingt de tekst en de gemeente antwoordt met het refrein. Volgens de inleider leidt het zingen van deze onberijmde psalmen tot een andere houding. In plaats van je te laten meeslepen door de melodie zing je als gemeentelid dan veel meer de tekst woord-voor-woord mee. Vooral de liederen uit de engelse traditie passen daarbij vaak goed bij een kleine groep, bijvoorbeeld bij een avondgebed. Ds Endedijk liet de aanwezigen diverse malen oefenen, o.a. met muzikale bewerkingen van Psalm 17 en Psalm 115.
Evangelisch
Drs Van Setten (hij is o.a. docent godsdienst) ging nader in op de inhoud van het evangelische lied. Ook die liederen blijken een zeer breed spectrum aan muziek en aan teksten te omvatten, dus ‘hét’ evangelische lied bestaat niet. Aan de hand van een prachtig gedicht legde Van Setten de basis van deze liederen uit. Een boer die zegt: ‘Marie, kom noe es kieken!’ als hij zijn vrouw wil laten zien hoe bijzonder de Schepping aanwezig is op zijn akker.
‘Die spontane respons op wat je ziet en ervaart van God, dát is de bron van het evangelische lied. Dat kan een lied zijn dat aan alle kanten rammelt, maar het kan ook ontzettend mooi zijn. Zet evangelisch en reformatorisch dus niet tegenóver elkaar, de sterke kanten van het Evangelisch Liedboek dragen bij aan een goede traditie’, aldus Van Setten.
Al heel lang kent de christelijke traditie –naast de Psalmen- liederen die aansluiten bij de persoonlijke omgang met God. In Engeland zijn dat bijv. de liederen van John Wesley, in Nederland van Johannes de Heer en binnen de Pinksterbeweging de bundel Glorieklokken. Na de Tweede Wereldoorlog kregen de Opwekkingsbundel en de liederen van Youth for Christ en de Continental Singers veel aandacht.
Wauw!
Een heel andere ontwikkeling is de muziek uit de Messiaanse gemeenten: een combinatie van evangelische invloeden en de Joodse muziek. Tijdens de Opbouwdag kregen we de gelegenheid om zo’n prachtig lied te zingen: het lied Kadosj. Van Setten: ‘Eigenlijk zou je de titel moeten vertalen met Wauw!, een uitroep van verbazing over de grootheid van de Heer’.
Wat zijn de sterke kanten van het evangelische lied? Van Setten noemde er 3:
a) Dit lied sluit goed aan bij de omringende cultuur. ‘Het past niet zozeer bij de Areopagus, maar wel bij de sloppenwijken van Athene’.
b) Evangelische liederen bieden een goede plek voor onze emoties.
Muziek kan mensen raken waar onze taal hen niet meer kan bereiken. Op die manier kan muziek ook daadwerkelijk psychisch genezend werken.
c) De evangelische liederen leggen veel nadruk op de lofprijzing en aanbidding, een element dat in de reformatorische traditie minder aandacht krijgt.
Duidelijk was dat de inleider de evangelische traditie graag wil verbinden met andere vormen. Als voorbeeld noemde hij een traditionele Amerikaanse gemeente, waar de organiste aanvankelijk weigerde om evangelische liederen te spelen (‘daar verlaag ik me niet toe’). Toen ze uiteindelijk (letterlijk en figuurlijk) van haar hoge troon naar beneden kwam om met de gemeente samen te spelen zijn er binnen die kerk wonderen gebeurd: er ontstond een prachtige nieuwe muziek, waarbij de gemeenteleden volop konden profiteren van de muzikale talenten van deze organiste.
Nu we het toch over muziekinstrumenten hebben: veel gereformeerden denken bij evangelische muziek aan drumstellen en veel decibels.Van Setten toonde zich daar allerminst een pleitbezorger voor, zo’n drumstel is veel te ingewikkeld en te massief.
Het leidt de aandacht af. Bovendien kunnen drummers vaak niet goed drummen – ze beheersen de kunst van het weglaten onvoldoende. Veel beter is een tamboerijn, een triangel, een 12-snarige gitaar in combinatie met het orgel.
Taizé
In de pauze werden veel contacten gelegd of hernieuwd. Maar al snel was het weer tijd voor het middagprogramma.
De bezoekers konden kiezen uit 4 bijeenkomsten. In de kerkzaal werd de 3e lezing van de dag verzorgd door Ds. K. Holwerda (zie elders in ‘Opbouw’). Daarnaast waren twee bijeenkomsten waarin nader kon worden ingegaan op de beide sprekers uit het ochtendprogramma. Er was ook de mogelijkheid om een Taizé-viering bij te wonen o.l.v. Leen Walraven, organist en pianist van de Nederlands Gereformeerde kerk van Ede. In Ede wordt op donderdagavonden een avondgebed gehouden. Degenen die in Utrecht dit middaggebed bijwoonden konden iets proeven van de sfeer tijdens zo’n viering. Schriftlezingen en psalmen en gezangen wisselen elkaar af, evenals muziek die de stilte inleidt (liederen van Taizé) en momenten van stilte.
Zelfs hier was de samenleving nog aanwezig; buiten was het gerinkel van winkelwagentjes te horen terwijl binnen 2 maal een mobiele telefoon af ging. Ook christenen maken in zo’n beslotenheid nog deel uit van de omringende werkelijkheid….. Aan het eind van de viering was ruimte voor gebed, waarbij de aanwezigen onderwerpen noemden die ze voor Gods aangezicht brachten. De meerstemmige muziek, de instrumenten (klarinet, viool, piano, blokfluiten en zang), de sfeer: het maakte een diepe indruk op de aanwezigen.
Duidelijk was dat hier diepe emotionele snaren geraakt werden. ‘Alsof God direct aanwezig was in de stilte’ zei één van de bezoekers.
Zingen voor de buren
De Opbouwdagen zijn pas 6 jaar oud, maar er is ook een traditie voortgekomen uit de opzet die de jaarvergaderingen al tientallen jaren kenmerkte: een stevige discussie. De inleiders hadden 15 stellingen ingeleverd, maar de bezoekers mochten zelf ook vragen bedenken. De eerste vraag uit de zaal kwam van de jongste bezoeker: ‘Als je binnen je gemeente een koor opzet, mag dan iedereen mee zingen of moet je kwaliteitseisen stellen?’ Ds. Endedijk: ‘Als iemand mee wil zingen moet je daar in de christelijke gemeente ruimte voor maken, desnoods moet je dan als koor wat eenvoudiger liederen uitzoeken. Aan de andere kant: er wordt niemand gevraagd de Heer te dienen met gaven die hij niet heeft. ‘ Van Setten sloot hierbij aan: hoe hoog je de lat legt kan onderwerp van gesprek zijn, maar graag wel enige kwaliteit bij de muzikale omlijsting van de eredienst.
De stelling ‘Ik zing voor mijn buren’: wat wordt daar eigenlijk mee bedoeld? Endedijk: ‘Soms kun je zelf niet zingen, maar het lied op andere lippen draagt mij dan door de nacht….. Met andere woorden: soms zing je voor je buurvrouw in de kerk, die juist dit lied nodig heeft.
Waarom zingen we en met wie?
Eén van de aanwezigen voegde een 16e stelling toe: ‘Het kinderlied heeft terecht (mits van enig niveau) een plaats gekregen in onze kerkdiensten.’ Ds. K. Holwerda bleek het hiermee eens te zijn, hij vond met name de keuze voor de liederen van Hanna Lam een goede keuze. In aansluiting op de vraag: ‘Veel organisten zijn trots op hun orgel, maar waar is de gemeentezang?’ merkte ds. Endedijk op dat de muziek soms nog de enige ingang is om mensen te bereiken met het Evangelie.
Ze komen alleen in de kerkdienst als hun cantorij – zingt. ‘De cantorij krijgt dan een catechetisch vormende waarde.’ Op de opmerking dat ‘de winst van de Reformatie nog lang niet is uitgeput’ antwoordde ds. Holwerda met het beeld van de kerkdienst op oude schilderijen. Tijdens de kerkdienst gebeurde er van alles; naast de hoogkerkelijke liturgie werd er in een hoekje van die grote kerk ook een soort preeknevendienst gehouden. In de reformatorische kerken is die preeknevendienst de ‘echte’ kerkdienst geworden, maar de aandacht voor beelden en symbolen is verdwenen. Dat is verlies geweest. In onze tijd komt in de reformatorische traditie die aandacht terug.
Integratie
Hoe integreer je nu die verschillende vormen? vroeg dagvoorzitter Sierksma zich af. Van Setten: ‘De integratie zit niet in het achter elkaar plakken. Je kunt niet alle vormen na elkaar plaatsen en dan denken dat je op een goede manier tot een synthese bent gekomen.’ Endedijk gaf aan dat er binnen de christelijke kerken ruimte moet zijn voor verschillende vormen van spiritualiteit. ‘Traditie, oecumene en de eigen tijd moeten een plek krijgen, oftewel: verdieping, verbreding en vernieuwing.’ Holwerda zag de integratie vooral in de wisseling van het ‘innen’ en het ‘uiten’, van het naar binnen gericht zijn (God toelaten) en het naar buiten uiten van je geloof. Walraven zag in de wijze waarop het avondgebed gestalte krijgt in zijn gemeente een goede vorm, waarbij aspecten uit allerlei kerkelijke tradities een passende plek hebben gekregen.
Het moet passen
Was het allemaal niet wat hoog gegrepen? Er zijn immers ook kleine kerken?
In veel kerken ontstaat een nijpend gebrek aan musici. Van Setten voerde een pleidooi om de talenten die er zijn in de gemeente verder te ontwikkelen.
Daar mag in de gemeente best aandacht voor zijn, stimuleer mensen om verder te gaan met de muziek! Ook kwam naar voren dat niet iedere vorm past bij iedere gemeente: Maastricht is Groningen niet, net zomin als de omstandigheden in Neede te vergelijken zijn met die in Maassluis.
Ook tijdens de discussie bleek de voorzittershamer bij A. Sierksma in goede handen. Hij leidde zijn gehoor met vaste hand naar de afsluiting door ds. W. Smouter. Met een prachtig door de ‘Taizé-groep’ ondersteund ‘Mijn vrede laat ik u, mijn vrede geef ik u’ werd deze derde Opbouwdag afgesloten. Voor de volhouders vond daarna nog de jaarvergadering van de persvereniging Opbouw plaats.