Over innen en uiten
2001-04-13
In de middagsamenkomst van de Opbouwdag was een ruime plaats ingeruimd voor een bijdrage van ds Klaas Holwerda. Het vertrekpunt van zijn referaat was een gezang uit het Liedboek voor de Kerken: gezang 395, ‘O Heer, verberg U niet voor mij’, van de dichter Muus Jacobse.- Jaargang 45
- nummer 8
Jacobse schreef Lied 395 op een avond na een dag hard werken op de Pietersberg, waar de Liedboekdichters bijeenkwamen.
Hij voelde leegte, hij was een dichter, wiens woorden even òp zijn. Hij had geen woorden meer om te bidden. Geen woorden voor God, geen woorden van God. In die stilte schreef hij Gezang 395 (vers 3):
Spreek zelf in mij het rechte woord. Zo vaak ik woorden voor U vond, Heb ik mij in mijn woord vermomd. Nu wacht ik tot Gij zelve komt En spreekt, zodat uw knecht het hoort.
De zere plek
Gezang 395 legt de vinger bij de zere plek die het Liedboek (soms) is: de liederen gaan aan je hart voorbij. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Opwekkingsliederen: deze komen recht uit het hart, en zijn vaak onbekommerd en ongegeneerd.
Van daaruit werkte ds Holwerda zijn lezing verder uit aan de hand van de begrippen ‘innen’ en ‘uiten’. De psalmen en de liederen uit het Liedboek staan vooral op de boog van het innen; we hebben het nodig, ons het heil te binnen te zingen. Echter, alleen innen betekent jezelf kwijtraken: ‘Ik noem U, maar ik ken U niet – Ik buig mij, maar ik ben het niet’. Alleen je geloof uiten belandt vaak in er zomaar een eind op los zingen. Holwerda noemt het een risico, dat daarvoor in het evangelische lied onbeperkt ruimte is. Het is echter geen kwestie van ‘òf…òf’, maar ‘èn… èn’. Dat vraagt dus naast het Liedboek om andere liederen of andere vormen binnen de eredienst.
De psalmen
In de geschiedenis bestond het Gereformeerde kerklied alleen uit het rijmpsalter. Psalmen waren en zijn immers geen mensenwoord, maar Gods woord. In de tijd van bijvoorbeeld Calvijn hadden de erediensten vooral een didactische inzet. De rijm en de melodie zijn bewust gekozen om het memoriseren te vergemakkelijken. De vaste vorm zorgt voor herkenningspunten. Beter dan zingend kan je je de psalmen en de leer niet eigen maken. Was er dan geen sprake van uiting? Jawel, maar daar moet je naar op zoek gaan. Vroeger (maar nu soms ook nog) werd er wel schreeuwend gezongen.
Luidheid en intensiteit zijn een speciale vorm van spiritualiteit.
Het Liedboek
Met het Liedboek is het alleenrecht van de psalmen doorbroken. Het heeft echter toch een bepaalde steilheid.
Niet iedereen kan in deze taal en tong aansluiting vinden om zichzelf erin te uiten. En dan is het risico dat het innen overdreven wordt, dat je jezelf erin kwijtraakt. Toch bevat het Liedboek veel goeds.
Als er nog een nieuw Liedboek komt (wat eerst Liedboek 2000 zou worden), dan zullen grote gedeelten van de huidige bundel toch overleven. De liederen zijn van de kerk van alle tijden en plaatsen. De Bijbelliederen aan het begin van het Liedboek zijn bijzonder; ze vormen een goede oriëntatie op de Bijbel.
Compensatie
Het steile in de gereformeerde zangcultuur zocht dus toch compensatie. In bundels als Johannes de Heer, waar thuis, buiten de diensten om, bij het harmonium, uit gezongen werd. Ook de huidige hernieuwde belangstelling voor Opwekkingsliederen valt onder deze compensatie. De bundel Zingend Geloven bevat veel proefmateriaal voor een nieuw te vormen Liedboek. Al met al is er een vloed aan materiaal beschikbaar, maar het kaf moet wel van het koren gescheiden worden.
Het Psalmboek kan hiertoe een waardevolle maatstaf zijn. In de psalmen komt de volle diepte en breedte van het leven tot uiting. Zoals Ad den Besten dichtte: ‘stem en tegenstem’. Ds. Holwerda voerde een pleidooi voor een goed evenwicht tussen innen en uiten binnen de eredienst. Een meer gevarieerde liedcultuur kan als verrijking dienen. Te denken valt aan acclamaties, canons, beurtzang, een discantstem boven het lied (gezongen door een cantorij), onberijmde psalmen en schriftgedeelten.
Ook met het strofische lied is meer mogelijk dan wij gewend zijn, bijvoorbeeld beurtzang binnen de coupletten.
De zondagse liturgie
Aan het slot van zijn lezing werkte Holwerda het innen en uiten nog wat verder uit in de richting van de zondagse liturgie en de plaats van het lied daarin. Hij adviseerde het begin van de dienst consciëntieus te houden; met aandacht en calvinistische soberheid. Maak ruimte voor transformatie van de aandacht. Creëer ruimte en rust voor God. Dit kan heel goed middels jurihet zingen van bijvoorbeeld Taizé-liederen.
In het midden van de dienst, rond de schriftlezingen, passen innende liederen goed. Het laatste lied van de eredienst moet een lied zijn waarin je je goed kunt uiten. Verder is het mogelijk om de gemeente meer bij de gebeden/voorbeden te betrekken, door ze bijvoorbeeld door verscheidene gemeenteleden uit te laten spreken, door acclamaties of door zingen- tussendoor.