Opschrift
2001-04-13
Nader Bekeken, het Gereformeerd Vrijgemaakte maandblad dat zich tot taak gesteld heeft om, als wijlen Hans Brinkers, in elk gat in de Vrijgemaakte dijk een vinger te stoppen, komt tegenwoordig handen tekort. En waar vroeger vooral de vijand búiten de poort bestreden werd, daar is inmiddels de aandacht verlegd naar datgene wat uit eigen kring komt. Dat maakt het blad overigens wel steeds interessanter voor geïnteresseerde buitenstaanders zoals ondergetekende.- Jaargang 45
- nummer 8
Zo wordt in het februarinummer kritisch gekeken zowel naar de toelating van een niet-Vrijgemaakte broeder aan de eigen Avondmaalstafel (in een column in het - ook Vrijgemaakte - blad ‘Dienst’ was dat zeer toegejuicht), als naar een brochure waarin Deputaten Kerkmuziek het zingen van (121) gezangen uit het Liedboek in de GKV promoten. Die bijdragen laat ik voor wat ze zijn. Ik beperk me hier tot een artikel van dr A.N. Hendriks, gewijd aan het vorig jaar verschenen boek ‘Geloven in zekerheid?’, onder redactie van Koert van Bekkum en Rien Rouw. Het boek bevat tien opstellen, in eerste instantie geschreven voor een congres van de Theologische Universiteit in Kampen, in 1999. Het opschrift boven Hendriks’ verhaal is al opvallend: ‘Een merkwaardige bundel uit Kampen’.
Ik neem uit zijn artikel twee gedeelten over, die ook van belang zijn voor het gesprek tussen Nederlands en Vrijgemaakt Gereformeerden. Eerst iets over de bijdrage van professor B. Kamphuis aan de bundel; die gaat over de functie van en de binding aan de belijdenis. Hendriks schrijft:
Kamphuis attendeert erop dat christelijke confessies hecht zijn verworteld in historische situaties en ontwikkelingen.
Ze zijn uitdrukking van het geloof van de kerk in de loop van haar geschiedenis.
De confessie verkondigt niet een tijdloze waarheid, maar ze laat zien hoe de kerk steeds weer bezig geweest is het evangelie vast te houden en uit te dragen in haar concrete situatie. Dat betekent dat er alle ruimte is voor vernieuwing van de belijdenis.
Kamphuis meent dat wij, wat dit betreft, zitten met 'een grote achterstand’.
Bij ieder onderdeel van de christelijke leer zijn nieuwe vragen opgekomen. Vragen die door vele theologen grondig zijn doorgedacht, maar aan onze belijdenisgeschriften is dat niet te zien. Juist in een postmoderne tijd moet het geluid van de kerk bij vernieuwing klinken. Kamphuis verzucht: ‘Wat zou het geweldig zijn als we kwamen tot een verwoording van ons geloof gericht op de vragen van onze tijd’ (p. 140). Ik kan mij zijn verzuchting voorstellen, maar hij ziet het mijns inziens te somber wanneer hij zegt: ‘Geen wonder dat we nu, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, met een mond vol tanden staan’.
Er is niet zoveel nieuws onder de zon.
Oude dwalingen en vraagstellingen komen bijna altijd weer terug, zij het in een ander jasje. Daarom ben ik ten aanzien van de actualiteit van onze confessies wat optimistischer dan Kamphuis hier blijkt te zijn.
Wat de auteur schrijft over de aard van de geloofskennis in de belijdenis uitgedrukt, is zeer lezenswaardig. Die geloofskennis heeft een fragmentarisch karakter, het gaat niet om een systeem, er wordt ook bij tijd en wijle eerbiedig gezwegen. Het hoort bij de aard van de geloofskennis dat men op grenzen stuit. Het trof me dat Kamphuis opmerkt: ‘Misschien heeft de zekerheid waarmee de gereformeerde geloofsleer is overgedragen en waarmee de gereformeerde dogmatiek heeft gesproken, dit fragmentarische en beperkte karakter van onze geloofskennis wel eens verduisterd’.
Wat me aan dat laatste het meest opvalt is nog niet eens dat Kamphuis het zo onder woorden brengt, als wel dat Hendriks er enthousiast voor blijkt. Me dunkt dat dat in het verleden ook wel eens anders is geweest.
Intussen zijn er natuurlijk wel grenzen; die komen bij Hendriks in zicht bij het slot van het boek:
Het laatste opstel is van professor S. Griffioen. Hij heeft moeite met het ondertekeningsformulier dat een ‘juridisering’ van de binding aan de belijdenis betekent. Hij pleit voor een grotere openheid in het publiek bespreken van controversiële onderwerpen. De binding zoals die door het ondertekeningsformulier is vastgelegd, staat deze openheid in de weg. Handhaving van de belijdenis is alleen heilzaam wanneer ze met een levend geloof is geïntegreerd. En dat levende geloof kent ook soms zijn twijfels. Laat die maar een stem krijgen.
Ik kan hier niet breed meer ingaan op wat Griffioen schrijft. Wel wil ik opmerken dat hij mijns inziens te veel uit het oog verliest de bijzondere plaats die Christus in zijn kerk aan ambtsdragers geeft. Zij hebben ‘goede leiding’ te geven, de ‘gezonde leer’ voor te staan, de kudde te ‘weiden’ in het Woord. Daarom is er dat ondertekeningsformulier met zijn binding. Die binding is niet louter ‘juridisch', maar voluit ook existentieel. De ambtsdrager dient de leer van de kerk ‘van harte’ te zijn toegedaan. Haar belijdenis dient de zijne te zijn. Daarbij wordt de gemeente door deze binding bewaard voor allerlei wind van leer en persoonlijke inzichten. Is er bij een ambtsdrager moeite met enig stuk van de aangenomen leer, dan wordt hij zeker niet monddood gemaakt. Het ondertekeningsformulier wijst de weg naar de kerkelijke vergaderingen, waar zijn moeite besproken kan worden. Dat is een wijze weg die van zorg voor de gemeente getuigt!
Boeiend om zaken die van onze kant in de samensprekingen steeds opnieuw zijn aangedragen verwoord te vinden door Vrijgemaakt Gereformeerden zelf! Misschien moet ik dat boek toch maar eens lezen....