Veranderen en toch jezelf blijven (2)
2001-04-27
Dr A. van der Dussen heeft voor Opbouw zijn toespraak, die hij in november jl voor de Landelijke Ouderlingenconferentie uitsprak, bewerkt. In Opbouw 45/8, v.a. pagina 156, ging de predikant uit Eindhoven in op ‘Verandering en identiteit’ en ‘Identiteit van de kerk’, in deze editie het afsluitend vervolg.- Jaargang 45
- nummer 9
3. Het gelijkblijvende: honorering van onze traditie
De aloude gereformeerde kerken roepen bij veel mensen van deze tijd hetzelfde gevoel op als zo’n oude, vergeelde klassenfoto: totaal verouderd.
De mensen die zich omgekeerd erg thuis voelen in dat verleden voelen zich nu gemakkelijk een vreemde eend in de bijt, onbegrepen door de huidige generatie Maar als we de identiteit van de kerk in het oog hebben, moet het mogelijk zijn een brug te slaan, zo, dat de oudere generatie zich niet vervreemd voelt in de kerk van vandaag, en zo, dat de jongere generatie zichzelf in onze traditie herkent. Daarbij is in de eerste plaats te denken aan het erfgoed van de Reformatie.
Wat er ook verandert – als het goed is rust ook nu ons kerkelijk leven nog op die drie pijlers: het sola Scriptura, het sola fide en het sola gratia. Dat we als gemeente ervan leven dat God zelf tot ons spreekt; dat ons heil enkel en alleen rust in Gods genade; dat onze betrekking tot God bepaald wordt door een volledige overgave aan Hem in het geloof – dat gold ten tijde van Abraham, het gold ten tijde van de Reformatie, en het geldt nu. Langs die lijnen loopt de verbinding van het verleden en het heden, en moet het mogelijk zijn voor ouderen en jongeren om elkaar in het gemeente-zijn te herkennen.
In de tweede plaats is via onze gereformeerde traditie het erfgoed van de Oude Kerk tot ons gekomen. Denk bijvoorbeeld aan de oeroude en klassieke teksten van de apostolische geloofsbelijdenis en de geloofsbelijdenis van Nicea/Constantinopel. Het is ontroerend om te bedenken dat wij, telkens wanneer wij met die woorden ons geloof belijden, pal naast de kerk van meer dan 16 eeuwen geleden staan.
Maar om eens, in de derde plaats, dichterbij bij huis te blijven: hoe zit het met de gereformeerde kerken van de jaren 30, 40, 50 van de twintigste eeuw? Ongetwijfeld vertoonden die kerken een aantal eigenaardigheden waar heel velen vandaag de dag het hoofd over schudden of zelfs verontwaardigd afstand van nemen. Maar het zou toch te dol zijn als die dingen ons beeld van het verleden zouden domineren! Anders gezegd: het moet toch mogelijk zijn om met dankbaarheid en respect de identiteit van de algemene kerk te herkennen in de Gereformeerde Kerken waaruit wij voortgekomen zijn, hoe ‘ouderwets’ zij ook op mensen van de huidige generatie kunnen overkomen. Ik noem een aantal dingen op.
• Menige christen van nu is in een van die aloude Gereformeerde Kerken gedoopt. Dat alleen al is om met grote waardering naar de kerk van het verleden te kijken: ze reikt ons het sacrament aan van de inlijving in het lichaam van Christus!
• De Gereformeerde Kerken hebben als indrukwekkende erfenis nagelaten, dat zij haar leden psalmen heeft leren zingen. Over katholiek gesproken: de aansluiting met het volk van het oude verbond werd zo gerealiseerd!
• Die kerken hebben buitengewoon veel energie en geld gestoken in het bijbrengen van bijbelkennis aan haar leden. Wat hebben oudere christenen van nu veel te danken aan hun vorming op verenigingen.
Wat is er ook een zegen uitgegaan van al die christelijke scholen waar toegewijde leerkrachten de bijbelse verhalen vertelden aan kinderen, die daar nu nog profijt van hebben.
• De Gereformeerde Kerken hebben zodanig ernst gemaakt met het Sola Scriptura, dat zij de moed hadden de autoriteit van grote mannen als Abraham Kuyper aan te vechten. Petje af!
• Evangelisatie is nooit het sterkste punt geweest van de Gereformeerde Kerken, maar zeg niet dat zij vergaten dat Christus’ gemeente ertoe bestemd is zout der aarde te zijn. Hoeveel inspanningen heeft men zich in de gereformeerde wereld niet getroost, om via politieke en maatschappelijke organisaties de samenleving te dienen vanuit het evangelie. Bij alle aanmerkingen die daarop ook gemaakt kunnen worden is het een kwestie van billijkheid om daarin een heel karakteristieke gelaatstrek van de katholieke kerk op te merken. • Het was de Gereformeerde Kerken van het verleden ernst met de uitwerking van de vreemdelingschap: de afstand tot ‘de wereld’ werd metterdaad in praktijk gebracht.
Laat het waar zijn dat het gebeurde op een manier die wij nu krampachtig vinden ("niet naar de bioscoop; niet dansen") - men zocht toch maar naar concretisering van het ‘in de wereld, maar niet van de wereld’.
Het loont de moeite om eens wat vaker zó naar het verleden te kijken. Dat vraagt inspanning in een tijd, die er veelal toe aanmoedigt om met de rug naar de traditie toe te gaan staan en er korte metten mee te maken. Maar het besef dat de kerk katholiek is, vraagt er juist om de gemeenschap met het verleden op te merken en daar zuinig op te zijn. Ga vanuit deze intentie in gesprek met oudere kerkleden die alle veranderingen niet meemaken, en ga samen met hen op zoek naar wat essentieel was in de kerk van veertig, vijftig jaar geleden. Maak van de andere kant duidelijk dat, wat er ook verandert, de kerk van nu oog heeft voor de functie van de traditie om bindmiddel te zijn tussen het verleden en het heden. Zulke gesprekken kunnen wat betekenen voor de concrete beleving van de gemeenschap der heiligen.
4. Veranderingen
Onmiskenbaar zijn onze kerken aan het veranderen. Dat heeft met twee dingen te maken: de noodzaak om verstaanbaar te blijven in een veranderde, geseculariseerde wereld; en de voortgaande ontwikkeling in de identiteit van de kerk.
A. Veranderingen ter wille van de verstaanbaarheid.
Heel duidelijk is dat het geval in de liturgie. Een voorbeeld: ik zag een gedeelte van de televisie-uitzending van een kerkdienst van de samenwerkingsgemeente CGK/NGK in Alkmaar.
Opvallend was de gevarieerde invulling van de dienst. Er werd niet alleen uit het Liedboek gezongen, maar ook uit andere bundels. Voor de begeleiding maakte men gebruik van het orgel, maar ook van andere instrumenten. Er trad een koor op, en voor het gebed en de Schriftlezing deed men een beroep op gemeenteleden.
Het thema van de preek werd ingeleid door een ‘act’. De predikant werkte met visueel materiaal ter ondersteuning van het gesproken woord. Kortom: men had er alles aan gedaan om de dienst aansprekend te maken, voor de televisiekijker, en dus ook voor de eigen gemeente. Alkmaar komt daarvoor een compliment toe, maar blijkt hierin niet uniek te zijn: overal in ons kerkverband zijn gemeenten druk bezig naar meer aansprekende vormen te zoeken. Dat is geen luxe, maar noodzaak: onze traditionele kerkdiensten zijn hun verstaanbaarheid aan het verliezen!
Maar niet alleen in liturgisch opzicht zijn aanpassingen nodig om verstaanbaar te blijven. Ook de aanstelling van vrouwen in de kerkelijke ambten heeft er naar het oordeel van sommigen alles mee te maken. "Dit valt aan onze kinderen niet uit te leggen!"
wordt er wel geroepen als kerkenraden vasthouden aan het principe dat alleen mannen in het ambt kunnen dienen. Ziedaar het argument van de verstaanbaarheid: een nieuwe generatie ‘verstaat’ het niet, dat principe. De grote vraag is natuurlijk, of daarmee het pleit beslecht is. Het is immers ook mogelijk dat je ter wille van de verstaanbaarheid veranderingen doorvoert waardoor je je identiteit verliest. Dat zou bijvoorbeeld gebeuren wanneer men bij de aanstelling van vrouwelijke ambtsdragers een loopje zou nemen met het Schriftgezag, of gedreven zou worden door de angst in de maatschappij niet voor vol te worden aangezien. Op deze punten hebben wij ons dan ook te verantwoorden wanneer we de ambten willen open stellen voor vrouwen. Maar wanneer die verantwoording overtuigend is, komt het mij voor dat de openstelling van de ambten voor vrouwen niet slechts een kwestie is van ‘toegestaan’: uit het oogpunt van de verstaanbaarheid is zij inderdaad gewenst.
B. Veranderingen als groei in identiteit.
Zoals gezegd: identiteit is niet alleen een kwestie van ‘jezelf blijven’, maar heeft ook te maken met ‘jezelf worden’ Kun je zeggen dat in de loop van de jaren juist door de veranderingen heen onze identiteit op een nieuwe manier tot uitdrukking is gekomen? Ik denk het wel, en wijs daarvoor op de volgende punten.
• De notie van de vreemdelingschap is sterker voor ons gaan leven. We zijn in de Nederlandse samenleving een kleine minderheid geworden als kerken. Onze jongeren zijn vaak eenlingen op school. Dat maakt het moeilijker om kerk en christen te zijn, maar het is zeker niet enkel verlies. De kerk in het verleden had de neiging om zichzelf als een machtsfactor in de samenleving op te stellen. Onze nieuwe positie in de marge van de samenleving, brengt ons dan ook in zeker opzicht dichter bij de Here Jezus. Hij zelf heeft immers ‘buiten de poort’ geleden, en wacht zijn volgelingen vervolgens ‘buiten de legerplaats’ op (Hebreeen 13;12,13).
• In samenhang daarmee leren we ook weer meer van genade leven. De kerk in het verleden wekte soms de indruk van een zekere gearriveerdheid. Dat is anders aan het worden: er is een tendens om ons bescheidener op te stellen. We weten het tegenwoordig wat minder goed. We blazen wat minder hoog van de toren. We proberen eerlijker om te gaan met de minpunten van ons als kerken. Zo voelen we ons als kerken ‘zwakker’ worden. Maar biedt ons dat juist niet de kans onze ware sterkte helderder te gaan zien: de genade van God? (vgl. II Corinthiers 12:9,10) • We zijn op een nieuwe manier aan het ontdekken dat de kerk katholiek is. Vroeger stonden de gereformeerden wel erg op zichzelf. Na de Vrijmaking nam dat zelfs nog toe. De ‘ware kerkgedachte’ leidde in de praktijk tot een klimaat van hoogmoedige eenkennigheid, om van ernstiger uitwassen niet te spreken.
Ik meen dat hier het woord ‘scheefgroei’ op zijn plaats is: zo omgaan met niet-vrijgemaakte christenen – dat kon echt niet! Een krachtige correctie was broodnodig, en is gelukkig ook gekomen. Het is verheugend om op te merken dat de huidige Vrijgemaakte Kerken wat dat betreft ook aan het veranderen zijn. Maar wat onszelf betreft: als Nederlands Gereformeerde kerken zijn we een oecumenischer opstelling aan het leren. We zijn de rijkdom van het Liedboek van de Kerken (meervoud!) naar waarde gaan schatten.
We zijn gaan ontdekken hoe bevruchtend het contact is met andere kerken en christenen. Van de Christelijke Gereformeerden leerden we de waarde van de bevindelijkheid; van de evangelischen het belang van evangelisatie; van de Rooms Katholieken de devotie en spiritualiteit (Henri Nouwen!); van de christenen in de Derde Wereld de spontaniteit en vrijmoedigheid (het evangelistencongres in Amsterdam). Het heeft alles te maken met de katholiciteit van de kerk van Christus: de kerk gaat ver boven ons eigen plekje uit!
5. Identiteit als ijkpunt: jezelf niet verloochenen
Sommige dingen zijn onopgeefbaar. Bij alle veranderingen en bij alle pogingen om verstaanbaar te blijven mogen we niet aan onze identiteit als kerk van Jezus Christus ontrouw worden. Het is niet denkbeeldig dat juist de drang om als kerk en christenheid verstaanbaar te blijven ertoe leidt dat je iets wezenlijks opgeeft. Dat zie ik metterdaad bij mensen als Kuitert en – in mindere mate – Nico ter Linden gebeuren. Maar laten we het ons niet te gemakkelijk maken door nu naar anderen te wijzen. Hebben we niet alle reden om ook kritisch naar onszelf te kijken? Ik stip een aantal punten aan.
• Wij leven er als kerk van, dat God zelf tot ons spreekt. Mij dunkt: het is zaak dat wij daar in onze opvatting van de Bijbel voldoende oog voor blijven houden. Wanneer onze aandacht voor ‘de menselijke factor’ in de Schrift als resultaat zou hebben dat wij niet meer reëel zouden verwachten dat God de Heer zelf daarin het woord tot ons richt, dán is onze identiteit in het geding. Ook denk ik aan de verleiding, om de Schrift zo uit te leggen als in ons straatje past.
Maar als God werkelijk tot ons spreekt door de Schrift, zal dat betekenen dat wij haar als ons ‘tegenover’ hebben te respecteren!
• Tot de identiteit van de kerk behoort het ‘leven van genade’. Dat is en blijft echter een vrijheid waarvoor ook de religieuze mens steeds weer terugschrikt.
Voortdurend dreigt de genade plaats te maken voor de wet, en gaat het ‘(vrome) moeten’ met ijzeren vuist over ons regeren. Dan komen de voorwaarden voor acceptatie door God weer om de hoek kijken: "Je bent alleen een goed christen als je .."
De stippeltjes kunnen zowel ‘rechtsevangelisch’ ingevuld worden ("…als je evangeliseert; als je in tongen spreekt; als je niet rookt", enz.) als ‘links-oecumenisch’ ("… als je meedemonstreert tegen extreem rechts; als je je afkeer uit over het grootkapitaal"
enz.).
• Wezenlijk voor de kerk is dat zij God op zijn Woord gelooft. Het kan geen kwaad dat wij bescheidener worden en dingen minder zeker weten dan in het verleden. Maar laten we op onze hoede zijn voor de sepsis, en groot blijven denken van God.
• Onopgeefbaar voor de kerk is voorts, dat zij een gemeenschap vormt die gebaseerd is op verzoening. Mensen die elkaar nooit of te nimmer zouden hebben uitgezocht, worden in Christus samengevoegd tot één lichaam. Laten we in verband daarmee op onze hoede zijn voor een kerkelijke gemeenschap die bepaald wordt door een clubjesgeest; waarin gelijkgezinden elkaar opzoeken; die christenen die zich misschien niet helemaal thuisvoelen vriendelijk voorstelt het bij een andere club te proberen… • De vreze des HEREN wil de kerk stempelen tot een gemeenschap die weet heeft van de heiligheid van God. Wordt die ‘gelaatstrek’ niet uitgewist als een kerk vóór alles ‘gezellig’ wil zijn, de ruige psalmen vervangt door enkel nog maar knusse liedjes, en het evangelie samenvat als ‘een aai over de bol’?
• De kerk wordt door God geroepen om in vreemdelingschap te leven op aarde. Dat geeft ons reden om meer ernst te maken met cultuurkritiek ("hoe wereldgelijkvormig zijn we?"), met ethische bezinning ("Hoe besteden we ons geld? Hoe gaan we met natuur en milieu om? Hoe is het met onze seksuele moraal gesteld?"), met het besef van de voorlopigheid van dit leven ("Hoe kijken we tegen het sterven aan?").
• Het is de bestemming van de kerk het zout der aarde te zijn.
• Realiseren we ons dat als Nederlands Gereformeerde kerken voldoende?