Verwachting

2001-04-27
  • Jaargang 45
  • nummer 9
Het bijzondere van mijn lessen over seksuele voorlichting is dat ik geen voorlichting geef.
Wat ik wel doe is les geven hoe mijn leerlingen seksuele voorlichting zouden kunnen geven als zij straks als groepsleider zelf voorlichting moeten geven aan jongeren.

Het probleem is echter dat het kennisstartniveau van mijn 18-jarige leerlingen moeilijk te bepalen is. Uit ‘Jeugd en Seks’, uitgave 2000 blijkt dat 16,7 jaar de gemiddelde leeftijd is waarop een jongere in ons land voor het eerst gemeenschap heeft.
Zijn mijn leerlingen voorlopers, gemiddelden, of laatgemiddelden?
Ik weet het niet, en vraag het ook niet.
Ik vind dat dat privé-zaken zijn die mij niets aangaan.

In mijn lessen zit een item over tienerzwangerschappen.
Ik meld dat uit onderzoek blijkt dat juist onder christenjongeren een relatief hoog aantal tienerzwangerschappen voorkomt.
De reden wordt direct door mijn leerlingen herkend; ‘Christenjongeren doen niet aan voorbehoeds-middelen, want wij doen toch niet aan seks voor het huwelijk.’ Helaas is op het moment van vurige begeerte de rem en de broek vrij los.
Met alle gevolgen van dien.

Na de les komt ze naar me toe met een blik die mij genoeg zegt.
Ik heb eigenlijk geen tijd, maar maak tijd.
Ze zegt dat ze zwanger is. Dat als haar ouders het horen ze haar eruit zullen zetten. Ze zegt dat haar vriend het nog niet weet en dat hij het dan vast uitmaakt. Ze zegt dat ze het met haar mentor al heeft besproken.

Ik kijk haar aan. ‘Waarom kom je bij mij, en praat je niet verder met je mentor?’ Ze vertelt dat ze niet zoveel aan de mentor heeft. Ze vervolgt: ‘Hij is tegen abortus, want dat is volgens hem moord. En hij vindt dat ik het aan mijn ouders moet zeggen.’

Radeloze ogen. Ik denk aan mijn collega. Aardige vent. Oprecht Christen.
Stapt in valkuil nummer één uit mijn college aan de leerlingen.
Mentor blijkt weer eens een moeilijk vak te zijn.

Maar ja.
Ook ik ben nogal tegen abortus, maar tegelijkertijd snap ik dat dit meisje niet om mijn waardeoordeel vraagt.
Ze vraagt steun en hulp bij het maken van grote en verstrekkende keuzes.
En uit haar verhaal blijkt dat haar ouders en vriend in haar ogen niet de eersten zijn om die steun van te krijgen.
Triest.
Ik maak aan het eind van de dag ruimte voor haar in mijn agenda.

Als ze bij me zit vertelt ze met haar handen in haar schoot en met zenuwachtig wriemelenden vingers haar verhaal.
Ik vraag haar of ze weet wat FIOM en VBOK doen.
Ik leg haar uit dat FIOM alle opties open laat en dat VBOK pro-life is.

Ik vraag haar niet wat ze wil, maar vraag haar wel of ze zich kan herinneren wat ze dacht en voelde toen ze zich realiseerde dat ze zwanger was. Helaas voor het ongeboren kind zegt ze nadrukkelijk dat ze afschuw voelde.
Ik zie de overlevingskansen van dit ongeboren kind slinken.
‘Hoeveel weken ben je?’, vraag ik.
Ze weet het niet.
Ik vraag haar wanneer ze een test gedaan heeft.
Dat heeft ze niet.
Ik vraag haar deze week een test te doen.
Ik zeg haar dat ik haar volgende week weer zal spreken.

Die week ben ik ziek.
Een week later loop ik haar toevallig tegen het lijf in de gang. Klasgenoten erbij.
Ik zeg niets, blijf even dralen, maar ze komt niet. Na twee dagen pik ik haar op aan het einde van een les.
‘O ja’, zegt ze, ‘Dat is waar ook.
Ik was niet zwanger...
Stom hè?’

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief