Vergeving en genezing

2001-04-27
  • Jaargang 45
  • nummer 9
In zijn bijdrage aan het nummer van 13 april publiceert ds. De Jong de woorden die hij sprak als laatste criticus bij een preekvoorstel. We zullen dit 'laatste' niet in principiële zin opvatten, als zou hiermee het laatste woord over dit tekstgedeelte (de genezing van de verlamde) zijn gezegd. Ik proef in het geheel een poging om onze geloofsaandacht van de genezingen vandaan te richten op het centrale: de vergeving van zonden.
Ik zal niet zo heel ver mis zijn, als ik vermoed dat dit mede bedoeld is als tegenwicht tegen een opkomende belangstelling voor de dienst der genezing.

In de bespreking komen (we konden van ds. De Jong niet anders verwachten) waardevolle elementen voor.
Zeker waar hij ons bij het centrum van het geloof wil houden.
Toch wil ik de vinger leggen bij een merkwaardige vooringenomenheid tegen het belang van wonderen van genezing. Zo ziet hij, anders dan Christus, een duivelse trek (toe maar!) in de actie van de vrienden die een verlamde voor Jezus' voeten leggen.
Misschien zit hier een pastorale bedoeling achter die mij ontgaat, maar het is toch meer Schriftgebruik dan Schriftuitleg.
Verwarrend is dat hij verderop eerst stelt ‘wij geloven niet zo gemakkelijk dat ons de zonden vergeven worden’, terwijl hij even verder schrijft dat wij verveeld zeggen: ‘Vergeving? Ja, natuurlijk. Het allergrootste en allerwonderlijkste is voor ons vanzelfsprekend geworden. Daarom vliegen wij voor een nieuwe kick op de genezing af’. Tja...

Gereduceerd
Wonderlijk is ook de manier waarop collega De Jong zijn stellige overtuiging argumenteert ‘Het is wel degelijk zo, dat volgens het evangelie de genezingen een tijdelijke en aflopende zaak is geweest’. Hij voert daarvoor aan, dat in Mattheüs de zendingsopdracht op 't eind door Christus zou zijn gereduceerd van ‘gaat, predikt en geneest’ (uitzending van de 70) tot ‘gaat, doopt en leert’ (zendingsopdracht).
Bij een tekst uit Marcus kun je er dan toch niet aan voorbij zien, dat juist Marcus eindigt met een belofte dat tekenen als duiveluitdrijving, tongentaal en genezingen de gelovigen zullen volgen. Ik weet wel, dat dit gedeelte tussen rechte haken staat. Maar mocht het een toevoeging zijn (ik heb daar geen verstand van), dan is het toch van later tijd en weerspiegelt het eerder een ontwikkeling naar méér dan naar minder van deze tekenen.
Belangrijker vind ik, dat De Jong de genezing van een verlamde scheeftrekt tot een tekst waarin de heling ‘volkomen ondergeschikt’ wordt gemaakt aan de vergeving en die als zodanig ‘van een hoog hermeneutisch gehalte’ zou zijn ter verklaring van alle andere genezingsverhalen. Dat komt mij volstrekt willekeurig voor en het zou betekenen, dat wij bij ziekte altijd over zonde moeten beginnen! Kijk nu eens naar de feiten: Jezus spreekt bij genezingen haast nooit over vergeving, wel altijd over geloof. Hier, bij de verlamde, is kennelijk iets bijzonders aan de hand. Als ik nu eens accepteer, dat Jezus hier niet als God op aarde rondliep, maar dat Hij waarachtig mens geworden was (volgens Johannes hèt criterium voor de gezonde leer). Dan zie ik hier de gaven van de Geest krachtdadig uitgedrukt.
Terwijl een verlamde man hem voor de voeten geworpen wordt, ontvangt Hij een woord van kennis, waardoor Hij weet dat déze verlamde man verlamd is van schuld en daarom legt Hij daar de vinger bij, wat Hij anders nóóit deed bij iemand die als zieke voor Hem werd gebracht. Vervolgens ontvangt Hij een woord van wijsheid om de Farizeeën in hun overleggingen te weerleggen. En in samenhang met het aanwezige geloof van de vrienden ontvangt Hij de gave van genezing om de man te herstellen. Zo loopt die man weg, als een wandelend bewijs van de kracht van vergeving op aarde, waartoe de Zoon des mensen bevoegdheid gekregen heeft, evenals degenen die Hij die bevoegdheid verleend heeft.

Als een muur van gebed
Inderdaad, die vergeving is het grootste.
Zou het nu principieel zo zijn, dat de bevoegdheid om te vergeven is overgegaan op de latere discipelen en de (mindere) bevoegdheid om te genezen niet? Wat God heeft samengevoegd, scheide de mens niet. Versta me goed: ik heb in mijn bediening ook vaker over vergeving gesproken dan over genezing. Maar ook genezingen heb ik mogen meemaken, en mijn geloof in de vergeving van zonden is erdoor gegroeid. Wanneer ik geroepen werd om demonen te bestraffen, voelde ik me met mijn gereformeerde vooroordeel wel eens erg alleen. Maar gelukkig werd ik er door geholpen, en wel door gereformeerde ouderlingen en diakenen die als een muur van gebed om me heen waren. Ik zal ze nooit vergeten.
Dat is trouwens wel een punt: het vergeten.
Voordat we te gauw concluderen dat genezingen niet meer zo voorkomen, mochten we ons wel eens afvragen of we Gods wonderen niet vergeten.. Hoeveel ouderen (maar ook jongeren) hebben in hun herinnering niet ergens een moment van Gods wonderlijke hulp, dat vergeten dreigt te worden. Daniël bracht de meeste tijd door buìten de leeuwenkuil.
Jakob heeft wel andere dromen meegemaakt dan die ene te Bethel. Maar hij zette er wel een steen bij ter herinnering (ik schreef daarover ooit in Opbouw).
Ik heb ernstige bedenkingen gekregen tegen degenen die de bijzondere gaven van de Geest beperken tot de bijbelse tijd. Ik zie anderzijds ook niet zoveel in wie van mening zijn, dat de Geest precies dezelfde gaven nu nog moet geven. Maar ik verlang naar openheid om van God te ontvangen wat Hij geven wil en ik geniet van plaatsen waar dat gebeurt, ook als ik er nieuwe dingen leer. Onze kerken hebben op dit punt een merkwaardige geschiedenis. Elders heb ik wel eens beschreven, hoe onze kerken de enige ter wereld zijn die ooit (Dronten 1988) formeel hebben uitgesproken, dat liederen waarin de Geest aangeroepen wordt ‘definitief’ zijn afgewezen. Zodat, in strijd met de belijdenis van Nicea, het gebed ‘Veni, Creator Spiritus’ bij ons taboe is. Ik schaam me daar nog altijd voor en vind het prachtig, dat juist in onze kerken dit gebed nu in allerlei vormen weerklinkt, met openheid (misschien wel eens te gretig, maar mag het?) voor alles wat de Geest wil schenken aan gaven en krachten.

Frontsituaties
Genezingen, het mag van De Jong nog wel op het zendingsveld en eventueel ook wel eens elders. In frontsituaties, zullen we maar zeggen. Maar leven wij niet in een frontsituatie? Enerzijds worden Christus' woorden 'Het is volbracht' spottend in de mond genomen door een minister die haar triomf over de euthanasie wet uitdrukt, terwijl ze ter leniging van de ultieme nood dodende pillen wil laten verkopen.
Anderzijds maken we deel uit van een kerk die in verwarring is op de meest fundamentele punten. Zou het God misschien in zijn genade goeddunken om met betoon van Geest en kracht ook nu nog mensen te helpen, helend en vergevend?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief