Kale stengels
2001-05-11
We schuifelen het lokaal in en kijken met stiekeme blikken naar tassen en pakketjes van collega’s.- Jaargang 45
- nummer 10
We lijken wel leerlingen die een sinterklaasfeestje hebben en proberen een glimp van de surprises op te vangen.
We hebben weer eens een bezinningsdag om onze algemeen christelijke identiteit onder de loep te nemen.
De opdracht van de identiteitscommissie was deze keer: Toon een voorwerp waarmee je, al vertellend, je eigen identiteit duidelijk maakt aan de collega’s.
Als we beginnen kijken we onwennig de kring rond.
Vooral het ‘elkaar leren kennen’ is het doel van de ochtend, vertelt de dagvoorzitter.
Ze is een vrouw met gevoel voor dramatiek.
Er staat een prachtige bos gemengde bloemen op tafel. Ze vertelt dat ze die gisteren van haar man kreeg omdat ze 10 jaar getrouwd waren. Omdat ze het zo’n mooie bos vond, nam ze hem maar mee voor ons allen. Kunnen we er samen van genieten op zo’n speciale dag.
Er wordt instemmend geknikt.
Het is inderdaad een mooie bos.
Ze vervolgt haar opening en vergelijkt ons allen met die prachtige bos. Al de aanwezige mensen, iedereen met z’n eigen ‘identiteit’ tezamen vormt een kleurrijk geheel. Ze bespreek daarbij een paar bijzondere bloemen en licht ze voorzichtig tussen twee vingers iets op uit de vaas.
‘Juist de verscheidenheid siert ons.’ Dan pakt ze een schaar.
En zonder een spier te vertrekken knipt ze een prachtige lelie van z’n steel.
Als dood valt de bloem op tafel.
Met de schaar nog in de aanslag kijkt ze de geschrokken kring rond.
‘Jullie zien dat het best wel mogelijk is om op één verplichte identiteit te komen.’ Weer een knip.
Weer een bloem die valt.
‘We kunnen zelfs prima één gezamenlijke identiteit hebben.’ Onverstoorbaar knipt ze door.
‘Niet doen!, we snappen je al’, roept een collega.
Ze gaat wel gewoon door.
Knip.
Knip.
Binnen een halve minuut is de prachtig gekleurde bos gereduceerd tot een vaas met groene onthoofde stengels.
aangeslagen en verbaasd kijken 21 docenten naar een bizar tafereel.
‘Als er iemand is die hier dwingend één identiteit wil voorschrijven, dan is dit het resultaat. Laten we daarom elkaar in onze waarde laten en een goed gesprek hebben.’
En zo gaan we uiteen. In teamverband vertellen we om de beurt aan de hand van een voorwerp hoe het zit met onze kleur. Er wordt zelfs gehuild.
Een collega vertelt dat ze qua identiteit nog wel iets met Jezus heeft. Hij staat bij haar op zolder… en ze laat een poster zien van de Goede Herder.
Deze poster had ze vroeger als kind boven haar bed. Vandaag de dag kon ze er nog net niet helemaal afscheid van nemen. Een ander vertelt, aan de hand van een prachtige geëmailleerde Yin en Yang over de balans die ze nu in haar leven ervaart. Yoga en meditatie vormen daarbij de belangrijkste elementen.
Veel collega’s ervaren ruimte om te kunnen vertellen hoe zij persoonlijk moeite hebben met de verplichte ‘christelijke’ kleur.
De sfeer is open. We hoeven nu even niet te vertellen hoe we (geen) invulling geven aan de christelijke boodschap, maar kunnen open spreken over ieders eigen waarheid.
Ik leer mijn collega’s inderdaad beter kennen.
Voorzichtig turf ik het aantal collega’s dat Jezus nog als Heiland zegt te kennen.
Het blijft een schamel hekje, zonder dwarsbalkje.