De kerk(dienst) failliet?
2001-05-11
In het (CG) Kerkblad voor het Noorden van 9 februari stond een schokkend artikel van J.E. van Delden onder bovenstaande kop. De reacties erop zijn tot nu toe vooral sussend: het zal allemaal wel een beetje meevallen. Ik vrees dat het dat niet doet, en dat het tijd wordt dat we als kerken de harde werkelijkheid tot ons laten doordringen. Wat Van Delden schrijft is me (helaas) uit het hart gegrepen. Zonder verder commentaar geef ik het hier door. Van Delden noemt zijn artikel een wanhopige poging om iets duidelijk te maken van wat er aan de hand is in de kerk en de prediking. Wanhopig omdat ik oprecht vrees niet begrepen te worden. Wanhopig ook vanuit de pijn die ik voel als ik naar de kerkdienst kijk. (...) Ik heb de afgelopen jaren met veel predikanten diepgaand gesproken over de crisis in de kerk en eredienst. Het schokte me dat veel van hen die zo met hart en ziel werken binnen het systeem tegelijkertijd ook hun geloof in het systeem verliezen. Nee, niet het geloof in God, gelukkig niet, maar wel het geloof in het systeem. (...) Met het woord ‘systeem’ bedoel ik het geheel van de manier waarop we kerk zijn: met bijbel, belijdenisgeschriften, kerkorde, synode, classis, kerkelijke cultuur, kerkelijke taal (het vakjargon, de tale Kanaäns), een theologische universiteit, tradities, beroepskrachten die fulltime op wetenschappelijk niveau theologisch geschoold zijn (predikanten), twee keer per zondag een kerkdienst waar de prediking centraal staat, enzovoort. In dit systeem zijn veranderingen, zo blijkt ook uit de praktijk, vrijwel onmogelijk. (...) Op papier lijkt het allemaal nog goed te gaan: weinig terugloop qua ledental, betrokkenheid van velen, vasthouden van de identiteit en van de fundamentele geloofswaarheden. En toch knaagt het gevoel dat het helemaal niet zo goed gaat, dat de buitenkant als een façade nog wel in stand gehouden wordt maar dat van binnen het bederf toeslaat. Ik zal zonder uitputtend te zijn proberen enkele symptomen te noemen: - Jaargang 45
- nummer 10
1. Juist omdat (zie boven) veranderingen in het systeem praktisch onmogelijk zijn, groeit de kloof tussen theorie (het systeem) en de praktijk (dat wat we in werkelijkheid geloven), daarmee ook tussen ouderen en ambtsdragers (die nog volop deel uitmaken van het systeem) en de jongeren die leven in een postmoderne wereld en zelf ook sterk beïnvloed zijn door het postmodernisme.
2. De kerkdienst: als ik om me heen kijk zie ik heel vaak (natuurlijk, er zijn uitzonderingen, maar het gaat nu om de regel) dat men ‘zit te wachten tot het voorbij is’. Het Woord van God een tweesnijdend zwaard? Ja, dat geloof ik, maar ik zie er meestal zo weinig van. In het Reformatorisch Dagblad stond een artikel over de prediking waarin het beeld werd gebruikt van de tandarts: ‘het is vervelend, het duurt gelukkig niet zo lang en je moet stil zitten tot het over is’. (...)
3. Veel jongeren gaan braaf mee naar de kerk, ‘onder ons nog wel, bij de SoW-kerken is dat wel anders’. Fijn, prachtig, ze lopen in het gareel. Ja? Echt waar? Spreekt u wel eens met ze, echt, van hart tot hart?
Hun meegaan kan ook een manier zijn om geen problemen te creëren met hun ouders. Welke jongeren kiezen echt bewust voor een christelijke levensstijl? Onderzoek daarover geeft aan dat de werkelijkheid volstrekt anders is dan de schijn. Muziek, drank, geldbesteding, seks: is er echt verschil? Wachten met seks tot het huwelijk? ‘Ja, natuurlijk’, zeggen jongeren als je er naar vraagt, vooral als ze weten wat je graag wilt horen. Tegen elkaar zeggen christelijke jongeren iets heel anders: ‘Nee, geen seks met de eerste de beste, maar als je echt voor elkaar voelt...’
4. Een leven lang predikant, twee keer per zondag preken, veertig jaar lang.
Rekening houden met jongeren, ouderen, verpleeg-kundigen, soldaten, met gezinnen en alleenstaanden, met homoseksuelen, jong getrouwden, kinderlozen. Eigentijds, pakkend, boeiend, authentiek. Ik weet dat vele predikanten onder deze last dreigen te bezwijken, dolgraag zouden willen stoppen, vastlopen, losgemaakt worden of ziek of overspannen of burn-out. En je kunt niet stoppen, want je hebt geen vak geleerd en het probleem is eigenlijk niet bespreekbaar want naar wie moet je toe? En predikantzijn is geen vak maar een roeping, een staat des levens. Je kunt geen kant op. Wat is er toch aan de hand?
5. Van alle tijd en energie en geld die we naast onze drukke baan en ons gezin nog over hebben en in de kerk, in de gemeente steken, vraag je je wel eens af: wat is het rendement?
Veel van dat alles (ik schat zo'n 90%) is intern gericht. Wat betekenen we als kerk nog voor de wereld? De kerk als een zoutend zout? Werkzaam of samengeklonterd?
6. Wat ook opvalt is dat er zo veel werk door zo weinig mensen gedaan wordt. Samen kerk zijn? Het lijkt soms meer de hobby van enkele fanatiekelingen. Maar zo mogen we natuurlijk niet spreken.
7. Conflicten - die zijn er gelukkig niet. Nou ja, in die ene gemeente, daar staan gemeente en kerkenraad tegenover elkaar alsof ze vijanden zijn. Maar verder... Nou ja, veranderingen zijn een pijnlijk punt, en sommigen dreigen met weglopen (chantage heet dat) als er echt iets verandert, als we ritmisch gaan zingen of als we af en toe ook eens evangelische liederen gaan zingen of als de ouderling de zegen uitspreekt en daarbij de handen opheft, maar verder... (...) Er zijn hoopgevende voorbeelden van gemeentes die veranderen juist om kerk te blijven en geen fossiel te worden. Maar allereerst is de vraag: bent u echt bereid op weg te gaan aan Gods hand en met de Geest en het Woord als gids? Wat het dan ook kost? Of wilt u liever een stil en gerust afsterven meemaken?