Tegemoetlopen en achternahollen
2001-05-11
Een zendeling vertelde mij eens hoe het eraan toegaat wanneer in een nog onontsloten cultuur de eerste stapjes gezet worden op het gebied van bijbelvertalen. Hoe men zich dan vergaand aanpast omdat voor zoveel zaken in de stamtaal eenvoudig geen woorden bestaan. Wat zijn schapen als men alleen maar varkens kent?- Jaargang 45
- nummer 10
En hoe men zich dan behelpt door (bijvoorbeeld) Psalm 100:3 als volgt weer te geven: ‘Hij heeft ons gemaakt en Hem behoren wij toe, zijn volk, de varkens die Hij weidt’. Toegegeven, om geheel andere redenen zou je soms voor deze weergave iets voelen, maar ideaal kun je zo’n vertaling natuurlijk niet noemen.
Gelukkig blijft het hier niet bij. Allengs komt de stamcultuur naar buiten toe open te liggen en maakt men kennis met allerlei zaken die men zelf vanouds niet in huis had. Men verzint er namen voor, hetzij dat men die opbouwt uit de eigen taalschat hetzij dat men zijn toevlucht neemt tot leenwoorden uit een andere taal. De varkens moeten dan ook al gauw plaats maken voor de schapen, ook al kent men die alleen maar van plaatjes. Je hebt dan in die beginfase van het bijbelvertalen te maken met een tegemoetkoming aan een cultuur die zich in de richting van de bijbel beweegt. Naarmate men vordert op die weg kunnen de tegemoetkomingen steeds meer achterwege blijven en kan de bijbel zichzelf steeds beter kwijt in zijn eigenlijke bedoeling en verwoording. Ik denk dat wat ons betreft hetgeen op dit gebied ideaal is zo rond de tijd van de Statenvertaling tamelijk goed bereikt is geworden.
Dat toen de ontvangende taal, ons Nederduits dus, zo ver was dat ze tegen de bijbel in zijn oorspronkelijke talen kon zeggen: ‘Zie, uw dienstmaagd, mij geschiede naar uw woord’. Na dit hoogtepunt echter is het bij ons weer bergafwaarts gegaan. Langzaam maar zeker trad de secularisatie van onze cultuur in. Onze taal verwijderde zich van die van de bijbel. Er moesten nieuwe bijbelvertalingen komen. Deels was dat terecht, een gezonde ontwikkeling van de taal (bijvoorbeeld de toename van het onderschikkend ten opzichte van het nevenschikkend zinsverband) maakte dat nodig. Om van de voortgaande studie van de bijbelse talen maar te zwijgen. Maar van de andere kant kunnen we helaas niet altijd van een verbetering spreken. In plaats van aan de op het evangelie toelopende mens tegemoet te komen holt men nu veelal de zich van het evangelie verwijderende mens achterna.
De inspraak van de ontvangende taal
Veel bijbelvertalingen van de laatste tijd hollen, in tegenstelling tot dat tegemoetkomende van het begin, inderdaad de geseculariseerde mens achterna en hun uitgangspunt is de moderne vervreemding van de inhoud van Gods Woord. Ook de NBV ontkomt daar niet aan. Ik tenminste mis daarin veel van de genuanceerdheid van de Schrift die ik in de loop van mijn bediening zo lief gekregen heb. En als ik dan vraag of dat nuanceverlies nu vanwege de grondtalen nodig was, vanwege nieuwere inzichten in het Hebreeuws of het Grieks bijvoorbeeld, dan moet ik in de regel zeggen: nee, helemaal niet! De moderne gehaastheid heeft er geen tijd meer voor. En verder zijn het (vermoed ik) de vertegenwoordigers van de ontvangende taal die komen met hun ‘Zo zeggen wij dat niet’, om aan die maatstaf veel nuances op te offeren. Psalm 103:1 bijvoorbeeld heeft het over ‘al wat binnenin mij is’. Dat is in de NBV geworden: ‘mijn hart’. Dit is nu wel niet onjuist, maar ik proef in de oorsprongstekst de schroom om het inwendig leven van de mens exact te benoemen: waar begint het en waar houdt het op? Ook de nieren en de ingewanden maken er immers deel van uit. Voorzichtig dus, neem het maar zo ruim mogelijk en leg er maar geen beperkingen aan op! Zoiets.
Daar is in de NBV niets van over. De ontvangende taal heeft merkbare inspraak gekregen, nu niet omdat de woordenschat te kort schoot, zoals in het begin, maar doordat het geestesleven van de moderne mens zich door zijn dunheid en gehaastheid van de taal-eigen(zinnig)heid der Schrift verwijderd heeft. Zonder daar de makers van de NBV persoonlijk op aan te kijken zeg ik toch dat de bijbel daar in deze vertaling onder lijdt. Want het is als motto wel mooi gesproken: ‘brontekstgetrouw en doeltaalgericht’ (wat de NBV als leuze voert), maar dat is toch meer de omschrijving van een probleem dan een handzame vuistregel, want wat gebeurt er nu eigenlijk als de brontekst en de doeltaal niet accorderen?
Welke van die twee krijgt dan de overhand? Ik vrees de laatste en ik zou dat ook met een menigte van voorbeelden kunnen staven. De ontvangende taal is mijns inziens te nadrukkelijk aanwezig. En dan vooral als artistieke, als mooie taal, want van de religie is bij velen alleen het kunstzinnige aspect nog over.
Mooier is niet altijd beter
Het punt, waarop ik mijn bedenkingen heb, is dat er in de NBV teveel verklaard en te weinig vertaald wordt. In de pseudo-vertaling HET BOEK is dat helemaal het geval, maar de NBV lijdt, meer subtiel, toch ook aan dit euvel. Toen destijds de nieuwe psalmberijming van start ging, heerste bij sommigen wel de overmoedige gedachte dat de psalmen nu herdicht in plaats van opnieuw berijmd zouden gaan worden. Nu vloeide daar voor een psalmberijming weinig bloed uit, want ergens is er voor een berijming natuurlijk een groot stuk vrijheid ten opzichte van het origineel vereist. Maar bij een nieuwe bijbelvertaling luistert het nauwer. Die moet bepaald geen herschrijving van de bijbel worden. Voor mij mag de bijbel ook in zijn vertaling het merk van zijn oorsprongstijd blijven dragen. De indruk hoeft niet gevestigd te worden dat de Schrift een eigentijds taalmonument is. Uitdrukkingen als ‘God der goden’ en ‘Heer der heren’ (Psalm 136:2 en 3) mogen van mij gerust blijven staan om mij eraan te herinneren dat de bijbel van ver weg komt. Dat hoeft niet ‘allerhoogste God’ en ‘oppermachtige Heer’ te worden zoals de NBV wil. Een besef dat de Schrift over vele eeuwen heen tot ons spreekt kan geen kwaad. En het hoeft ook geen mooier Nederlands te zijn dan het Hebreeuws of het Grieks van het origineel. Want ik erken wel dat het aangenaam is om in Psalm 84:3 met de NBV te lezen: ‘Mijn hart, het schreit in mijn lijf om de levende God’ (aangenamer dan: ‘Mijn hart en mijn vlees jubelen tot de levende God’ van het NBG), maar dat dat vlees van mij ook meedoet in dat schreien of jubelen (het kan allebei), dat ben ik dan toch kwijt. Mooier is niet altijd beter. De bijbel is trouwens niet zo artistiek als men tegenwoordig graag wil. Psalmen die op het Hebreeuwse alfabet gemaakt zijn kan ik tenminste niet mooi vinden.
Gekunsteld Rederijkers-gedoe. Maar ze zijn daardoor wel gemakkelijker uit het hoofd te leren. En dat is ook een verdienste, zij het geen artistieke.
Prikkelende kleinigheden
Ook moet worden gezegd, dat de NBV soms met een onnodig vlakke vertaling komt. Wat voor winst is er nu eigenlijk gelegen in het weerkeren van de mens bij zijn sterven ‘tot de aarde’, terwijl psalm 146 het in vers 4 over ‘zijn aarde’ heeft? ‘Zijn aarde’? Dat begrijpt toch geen mens meer? Misschien niet, maar wie met de bijbel vertrouwd is wordt hier onmiddellijk herinnerd aan Genesis 3:19, waar de nauwe band tussen mens en aardbodem betuigd wordt: ‘...totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt’.
Volgens Psalm 104:29 keren ook de dieren bij hun sterven ‘tot hun stof’ terug, wat in de NBV correct weergegeven wordt met: ‘ ...dan keren zij terug tot het stof dat zij waren’.
Waarom daar wel een herinnering aan het element waaruit de dieren bestaan en in Psalm 146, waar het over de mens gaat, niet? Moet juist ook hem niet zijn oorsprong indachtig gemaakt worden om hem de nodige bescheidenheid bij te brengen? Wie orders geeft tot het doen verbranden van zijn lijk moet over dat hobbeltje van Psalm 146 heen: zijn aarde, daar hoort hij; we zijn ook in de dood geen hoogvliegers. Heilzaam, dunkt mij, maar het hobbeltje is in de NBV geslecht.
Het zijn van die prikkelende kleinigheden die op deze manier van vervlakkend bijbelvertalen verloren gaan. Van die glinsterende stukjes glas tussen het grind, die je doen ophoren. Juist in het ongewone van zijn zegging kan de bijbel zo boodschappelijk zijn. Ik geef toe, het lijkt spijkers zoeken op laag water dat ik de vinger bij deze dingen leg en ik weet ook wel dat de bijbel als geheel door geen vertaalmethode kapot te krijgen is, maar wat ons aangeboden wordt voert de pretentie een verbetering te zijn. En dat kan ik nog niet inzien.
De verticale oorlog
Tegen de vertaling van psalm 46 heb ik weer andere bezwaren. Vanaf vers 9 heet het daar: ‘Kom en zie wat de HEER heeft gedaan, verbijsterend is wat hij op aarde verricht: wereldwijd bant hij de oorlog uit, bogen breekt hij, lansen verbrijzelt hij, wagens verbrandt hij in het vuur’. Pacifistische oren worden hier gestreeld. Maar wat ongezegd blijft is dat de Here God tegenover het wapengeweld dat tegen Hem wordt ingezet zijn eigen geweld stelt dat, zoals uit het begin van de psalm blijkt, verwoestend voor de schepping uitpakt, waarom dan ook in vers 9 gezegd wordt: ‘Komt en aanschouwt de werken des HEREN, die verwoestingen op aarde aanricht’. Uit de weergave van de NBV: ‘verbijsterend is wat hij op aarde verricht’ kun je die verwoestingen op aarde weliswaar nog enigszins opmaken (als je tenminste de oudere vertalingen nog in je hoofd hebt), maar bedóeld zijn ze niet meer, want het verbijsterende waar de NBV het over heeft betreft het beëindigen van de oorlogen, zoals de dubbele punt op het einde van vers 9 aangeeft.
Nu gebruiken wij voor het hoogst ongewone dat de oorlogen gestopt worden tegenwoordig in onze taal ook wel het woord ‘verbijsterend’ en wel om verbazing tot uitdrukking te brengen. Zo moet het hier door de NBV ook bedoeld zijn. Maar dit betekent wel dat die hele zin ‘die verwoestingen op aarde aanricht’ zakelijk uit de tekst verdwenen is. Dat de Here God in plaats van de oorlogen van beneden zijn eigen oorlogen voert en dat alleen in Sion bescherming daartegen gevonden wordt (lees Jesaja 24 en het boek Openbaring als commentaar hierbij!), dat klinkt in de psalm niet meer door. Het is een pacifistisch lied geworden. ‘Nou is het uit!’, zegt God boos tegen elk wapengekletter.
Maar waar zijn zijn eigen verwoestingen die Hij in zijn oorlog tegen de boze nodig heeft en die ons kunnen helpen om het vreselijke gebeuren van onze tijd toch in zijn hand te laten?
‘Hem’ en ‘Uw’
Interessant is wat we lezen in Psalm 24. Nadat in het begin van de psalm de vereisten geformuleerd zijn voor het rechte bezoek aan de tempel wordt in vers 6 afsluitend gezegd: ‘Dat is het geslacht van wie naar Hem vragen; die uw aanschijn zoeken; dat is Jakob’. Het gaat me nu even om die eigenaardige persoonswisseling: eerst wordt iets over de Here God gezegd (naar Hem vragen) en vervolgens richt de psalm zich tot Hem (uw aanschijn zoeken).
Het gaat hier om een stijleigenaardigheid van de bijbel die je betrekkelijk vaak tegenkomt. Een karakteristiek van het Hebreeuws kun je het niet noemen, want deze taal moest er zich net zo bij aanpassen als ons Nederlands.
Daarom noem ik het een bijbels stijlkenmerk en de Schrift weet er een grote levendigheid van zegging mee te bereiken. Hier ook, de priester wendt zich eerst tot de mensen die hem de vraag stellen: Wie mag... ? Daarbij wordt over de Here God in de derde persoon gesproken. En opeens gaan in datzelfde vers de ogen van de priester die aanvankelijk de vragers aankeken omhoog naar God en heten de ware vromen zij ‘die uw aangezicht zoeken’. Opeens wordt zo tot in de taal toe duidelijk dat de priester die de vereisten onder woorden brengt, coram Deo (voor Gods aangezicht) spreekt en deze rekwisieten niet zelf verzint. De NBV echter wist in vers 6 dat verschilletje uit en zegt: ‘Dat valt hun ten deel die u zoeken, die zich tot u wenden - het volk van Jakob’.
Twee keer u i.p.v. dat eigenaardige Hem en U. Nu zeg ik niet dat deze vertaling hiermee ontkent dat de priester coram Deo spreekt, want dat is kennelijk niet het geval, maar in die afwisseling van Hem en U zo dicht bij elkaar worden de gemeente en de Here God als het ware kortgesloten en daarom ervaar ik het als een schoolmeesterachtige verbetering dat zo’n verschil wordt weggewerkt. En datzelfde rode potlood is ook aan het werk geweest in Psalm 99:4 en Psalm 145:12, terwijl in Psalm 104 het grootste deel van de tekst door de NBV van de Hij-vorm in de u-vorm is omgezet. Kennelijk vond men dat mooier. Maar in die Hij-vorm is de psalm behalve een hymne ook een leerdicht. En het is dus bij een meer dienende vertaling prachtig om te zien hoe het loven en het leren ook door de taal (de wisseling van U en Hij) bij elkaar gehouden worden. Dat moet een vertaling niet verstoren.
Op de kleintjes letten
Ik realiseer mij dat ik met mijn bespreking negatief ben. Maar ik ben nu eenmaal een verwoed psalmenlezer.
En wel een die geleerd heeft ‘op de kleintjes te letten’. Nee, het is waar, ik ervaar deze vertaling niet als positief.
Het is alsof een beroeps-tekstschrijver een wat onbeholpen document dat toch wel de moeite waard is onder handen heeft genomen om het voor publicatie in gereedheid te brengen.
Naar de eisen, natuurlijk, van wat tegenwoordig schoon heet. Inderdaad hier en daar een soort herschrijving van de bijbel. Wel moet daar deze opmerking bij dat ik de NBV hier beoordeel met de vraag voor ogen of zij onze nieuwe kanselbijbel kan zijn. Daarvan zeg ik met overtuiging: nee, niet graag! Maar er zijn natuurlijk ook andere doelen waarvoor deze vertaling wel, of meer geschikt is. Bijbelvertalen kan op twee manieren: Je brengt de mensen bij de bijbel of je brengt de bijbel bij de mensen. Het eerste gebeurt in de kerk. De mensen komen daar op het Woord af.
Daarvoor mag ook inspanning van ze gevergd worden. Wanneer echter de kerk met het Woord naar buiten treedt is aanpassing van de taal geoorloofd en is zelfs het achterna hollen waar ik het in het begin over had verdedigbaar.
(Al moeten we het nut hiervan niet overschatten. Met name kerkmensen zie ik naar nieuwe vertalingen grijpen, terwijl onkerkelijken de Statenvertaling citeren.) Wat mij echter in onze tijd onmogelijk toeschijnt, is het maken van een bijbelvertaling voor kerk en wereld beide. Dat leidt onherroepelijk tot ondervoeding van de gelovigen. Zij raken bij de moderne vertalingen de smaak voor nuances kwijt en gewennen zich aan een meer oppervlakkig lezen van de Schrift. Het Woord is het enige wat wij als kerk hebben. Als de inspanning afneemt dat Woord in al zijn fijnheden te verstaan, kiezen wij vrijwillig voor geestelijke verarming. Het kunstzinnig oor moge dan bij de gladdere vertalingen gestreeld worden, het verlies aan inhoud is mij daarvoor toch te groot.
Het is mijn diepe overtuiging dat Gods openbaring in Hebreeuwse en Griekse oren even duidelijk en tegelijk even vreemd geklonken heeft als in de onze. Alle reden dus om bij het vertalen zo dicht mogelijk bij het origineel te blijven.
Niet omdat het Hebreeuws of het Grieks heilige talen zouden zijn en op zichzelf een bron van openbaring, maar uit eerbied voor de grote en kleine geheimen waarvan de woorden de dragers zijn. En de verstaanskloof dan?
Die is er niet alleen nu, die was er ook toen. Voor toen en nu geldt dat slechts de Heilige Geest als Pontifex Maximus, als de grote Bruggenbouwer bij uitstek, in staat is de kloven tussen Gods spreken en ons verstaan te overbruggen.
Het gaat tegenwoordig in de kerken vaak over de Heilige Geest en allerlei buitenissigs wordt van Hem verwacht.
We zouden ons wat meer moeten concentreren op zijn eigenlijke ambt, dat Hij namelijk de Spreker-met-macht is van het Woord Gods in deze wereld. In plaats van het al maar opnieuw vertalen van de bijbel voor de gemeente (waar ik weinig heil in zie en waar de bijbelkennis ook van achteruit gaat) moet er meer gebeden worden bij het Woord. Veni, Creator Spiritus!