Geen schoenen aan de voeten
2001-05-11
Nog niet zo lang geleden hebben de besturen van de bijbelgenootschappen besloten te blijven bij de weergave van de Godsnaam in de NBV met de HEER. De voorlopige keuze daartoe had veel tongen losgemaakt en pennen in beweging gebracht, maar de publiek gevoerde gedachtenwisseling over dit aspect van het Werk in uitvoering heeft niet geleid tot een bijstelling van de keuze. De aanduiding de HEERE uit de Statenvertaling wordt, na de HERE uit de Nieuwe Vertaling van 1951 in de kerkbijbel voor deze eeuw dus de HEER.- Jaargang 45
- nummer 10
Oude papieren
Een keuze die kan bogen op oude papieren en daar beroepen de pleitbezorgers van deze weergave zich dan ook grif op. Verreweg de belangrijkste troef is dan de Septuaginta, de vertaling van het Oude Testament uit het Hebreeuws in het Grieks die meer dan een eeuw voor het begin van onze jaartelling gemaakt werd ten behoeve van Joden in een griekstalige wereld. Die vertaling geeft de Godsnaam weer met kurios, het Griekse woord voor heer. Een wijze van weergeven die sindsdien in vertalingen veel navolging gekregen heeft. Zo is die weergave in ons eigen taalgebied herkenbaar in de reeds genoemde Statenvertaling (de HEERE) en Nieuwe Vertaling (de HERE), maar ook bijvoorbeeld in de Groot Nieuws Bijbel (de Heer) en Het Boek (de HERE). De katholieke Willibrordvertaling is zelfs naar deze weergave teruggekeerd: Jahwe in de oorspronkelijke editie (1975) is gewijzigd in de HEER in de herziene editie (1995).
Met de keuze voor de HEER schaart de NBV zich dus in een lange vertaaltraditie.
Eigennaam
Vanwaar dan de ophef over deze keuze? Daarvoor zijn een aantal redenen, waarvan de belangrijkste is dat het bij de Naam om een naam gaat. En het is terecht een goed gebruik eigennamen niet te vertalen. Bij de Naam gaat het nog bovendien om een heel bijzondere naam. Het is de Naam die aan Mozes onthuld wordt bij het brandend braambos, zoals verhaald in het derde hoofdstuk van het boek Exodus. In de Joodse traditie heet dit boek Namen, naar het eerste woord van het boek (Dit zijn de namen ...).
Het blijkt een boek waarin het nauw luistert wanneer het gaat om naam en identiteit. Veelbetekenend mag de farao (een titel vergelijkbaar met keizer of koning) geen naam hebben en krijgt daartegenover de naamgeving van Mozes juist bijzondere aandacht. Voor de onthulling van de naam van de God van Abraham, Izaäk en Jakob geldt dat laatste nog eens temeer. Nu gaat het bij de onthulling van de Naam om de onthulling van een geheimenis dat dan ook niet tot op de laatste letter prijsgegeven wordt. Wanneer Mozes God vraagt naar zijn naam luidt het antwoord: Ik ben die Ik ben (Exodus 3,14). Of, verderop in het boek, nadat Israël met het vervaardigen van een gouden kalf de naam en de eer van zijn God grondig geschonden heeft: Ik zal genadig zijn wie Ik genadig ben en Mij ontfermen over wie Ik Mij ontferm (Exodus 33,19). Deze omschrijvingen cirkelen, zoals u merkt, letterlijk om het geheim van deze God van wie er geen tweede is.
Schrijfwijze
De naam die de NBV gaat weergeven met de HEER wordt in het Hebreeuws geschreven met vier letters: JHWH. De Hebreeuwse tekst van het gehele Oude Testament is oorspronkelijk in enkel medeklinkers uitgeschreven. Pas in een later stadium zijn met een ingenieus systeem van puntjes en streepjes klinkertekens boven en onder de medeklinkers toegevoegd. Inmiddels was het al lang gebruik de Naam uit eerbied niet uit te spreken. Hoe die ooit geklonken zal hebben - de meest aannemelijke veronderstelling luidt: Jahwè - blijft dus op zijn minst met een rand van onzekerheid omgeven. De letters van die naam (JHWH) zijn de letters van het Hebreeuwse werkwoord zijn of geschieden - daarmee houdt de zekerheid wel ongeveer op. Het geheimenis rond de niet uitgesproken Naam JHWH bleef aangeduid door bij de medeklinkers van de naam de klinkers van het woord adonai te schrijven, het Hebreeuwse woord voor heer. Dat gebruik valt op te vatten als een handreiking de Heer te lezen waar JHWH geschreven staat.
Nu valt er veel op zijn plaats: de aanvankelijke keuze van de Willibrordvertaling voor de vermoede oorspronkelijke klank van de naam (Jahwe); de ook wel gebruikte naam Jehova als een argeloze en nooit bedoelde verbinding tussen de medeklinkers van JHWH en de klinkers van Adonai; en niet in de laatste plaats hoe de makers van de Septuaginta op het idee kwamen de Naam met de titel kurios of heer weer te geven.
Bezwaren
Dat de keuze van de NBV oude papieren heeft mag evenwel niet verhinderen (opnieuw) de vraag naar de deugdelijkheid van die papieren te stellen.
Het blijft een groot bezwaar een eigennaam in de vertaling met een titel weer te geven. Iedereen weet hoe pijnlijk het is wanneer er slordig met je eigen naam wordt omgesprongen.
De term de HEER roept op geen enkele wijze de gedachte op aan een eigennaam en dat is vooral daar fnuikend waar de eigenheid van de God van Israël in geding is, zoals bijvoorbeeld na het duel met Baäl op de Karmel in de belijdenis: de HEER, die is God (1 Koningen 18,39). Hetzelfde is het geval in verhalen waarin de opzettelijke wisseling tussen de soortnaam God en de eigennaam JHWH een verhaaltechnische functie heeft (bij wijze van voorbeeld noem ik hier slechts aanduidenderwijs het bekende verhaal van het offer van Izaäk waarin een nog tamelijk algemeen godsbesef bij Abraham bijgesteld wordt door de bode van JHWH die van de hemel roept; Abraham gaat met God op pad en komt met JHWH thuis zogezegdGenesis 22).
Bij dit eerste bezwaar voegen zich nog andere bezwaren. Het verschil tussen de titel Adonai en de naam JHWH is met de vertaling in de Heer en de HEER nog wel enigszins zichtbaar voor de lezer, maar in het geheel niet hoorbaar voor de luisteraar. Denk ook aan de combinatie Adonai JHWH die bij de profeten nogal eens voorkomt en de verwarrende vertaling daarvan met de Here HERE (wat zal de NBV daarvan maken?). Een niet gering bezwaar voor een vertaling die ook bedoeld is om voor te lezen en aan te horen. Zegt de apostel niet dat het geloof uit het gehoor is?
(Romeinen 10,17).
En dan zijn nog er de associaties met mannelijkheid en machtsverschil die de HEER oproept. Los van mogelijke overgevoeligheid daarvoor gaat het om de vraag of de naam JHWH die associaties bedoelt te wekken en dat is voor elke vertaalarbeid een wezenlijke vraag.
Gemiste kans
Kortom: de keuze van de bijbelgenootschappen voor de macht van de gewoonte bij de weergave van de Naam in de NBV ervaar ik als een gemiste kans. Die keuze is ook strijdig met een uitgangspunt van het project: taalkenmerken vervangen en tekstkenmerken handhaven in de vertaling.
Die eigenaardige Naam van vier letters en niet eigen klinkertekens is een tekstkenmerk bij uitstek. Een voortdurende herinnering aan het geheimenis waarmee de Naam omgeven is en een gedurig inprenten van het besef dat geen mens en geen groep greep heeft op de God die deze Naam draagt. Mijn voorkeur lag en ligt daarom bij de vier letters die deze eigennaam zoals alle andere onvertaald laat: JHWH. Dat vergt evenals in de Hebreeuwse handschriften een leeswijzer: handreiking wat te lezen waar JHWH geschreven staat. Een bijkomend voordeel lijkt mij dat die leeswijzer al naar gelang de doelgroep kan verschillen: van de Eeuwige tot de HEERE met drie e's. Want voor de beoordeling van een punt als de weergave van de Naam lijkt het me van belang verder te kijken dan de eigen kring; de bijbel wensen we toch aanzienlijk meer lezers toe. De noodzaak van een leeswijzer voor de Naam lijkt me bovendien een waarborg tegen gemakzucht bij de voorbereiding van het voorlezen van de Schrift in de eredienst.
Gewenste ontoegankelijkheid
Bij de aanvang van het werk aan de [NBV] sprak voorzitter Noorda van de begeleidingscommissie inspirerende woorden: Ook zal zo'n vertaling de verleiding moeten weerstaan van een al te grote duidelijkheid. Het klinkt misschien gek, maar een bijbelvertaling moet in bepaalde opzichten ontoegankelijk durven zijn. Deze waarschuwing klemt te meer omdat er in de recente vertaaltraditie een sterke neiging bestaat de lezers over elke hobbel heen te helpen. Dat kan ertoe leiden dat de tekst van de vertaling te vlak wordt.
De vertaalproeven die tot nu toe op tafel liggen blijven bij dat ideaal nog duidelijk achter. De weergave van de Naam is daar bepaald niet het enige, maar naar ik vrees wel een treffend voorbeeld van. De schoenen gaan me bij deze weergave te weinig van de voeten.