De christelijke godsdienst en de godsdienst in het algemeen (2) *

2000-02-18
  • Jaargang 44
  • nummer 4
De keerzijde
Maar nu de keerzijde. Tot dusverre hebben we de zaak van overheidskant bekeken. Niet dat van de zijde van onze overheid het verzoek om voorbede gedaan is of wordt, maar we hebben gezien dat er voor haar redenen genoeg zijn om dat inderdaad te doen. We keren ons nu tot de kerken aan wie zo'n verzoek gedaan wordt of die zelf op de gedachte van voorbede komen. Het gaat dan om de vraag (en ik sluit daarmee aan bij uw laatste toespitsing) of de jaarlijkse gebedsdienst van de kerken ter gelegenheid van de opening van het parlementaire jaar eigenlijk niet een interreligieus karakter zou moeten dragen.
Als we hiermee naar de scheepskapitein uit het verhaal van Jona zouden gaan en hem zouden vragen of wat hij van ieder afzonderlijk daar op dat schip vroeg door de schepelingen niet gezamenlijk gedaan zou kunnen worden, met bijvoorbeeld het argument dat dit meer effectief zou zijn, dan zou hij ons denk ik raar aangekeken hebben. En dat niet (enkel) omdat hij tot een oudere tijd behoorde en 'zover nog niet was'.
Nee, het was de gedachte zelf achter zijn opstelling die hem daarbij in de weg zou hebben gestaan.
Want eigenlijk schreef de man een soort wedstrijd uit tussen de verschillende godsdiensten die hij aan boord had. De god die hielp, die zou de echte zijn. Zo horen we hem ook tegen Jona zeggen: 'Sta op, roep tot uw god, misschien zal die god onzer gedenken, zodat wij niet vergaan' (vers 6).
Is het niet de ene, dan misschien de andere. Het was hem namelijk echt ernst dat er geholpen zou worden, de nood was te groot. Maar in het mengen van de verschillende religies zou hij geen heil hebben gezien, dat zou volgens hem meer tot verzwakking dan tot versterking van het gebed hebben geleid. Als u mij nu tegenwerpt dat men in die tijd toch polytheïstisch was, dan stem ik u dat wel toe, maar wijs er toch op dat ook in een polytheïstisch milieu de goden wel degelijk uit elkaar gehouden werden. Er was een tempel voor god zus en een tempel voor god zo, maar er was geen tempel voor gemengd bidden.

In Jezus’ naam
De gedachte om een gebedsdienst interreligieus te maken kan alleen maar opkomen bij mensen die niet goed meer weten wat religie is. De religieuze binding heeft iets absoluuts en iets onvoorwaardelijks, iets waar niet mee te schipperen valt. Religie is een onvoorwaardelijke overgave aan God en een zich volledig afstemmen op wat Hij wil. Bij godsdienst is het God die de dienst uitmaakt. Wie dat anders ziet moet het woord godsdienst in tweeën splitsen: Gods dienst, namelijk: aan ons, wat een omkering is van de religieuze gedachte.
Welnu, de wil van onze God is dat Hij wil aangebeden worden in de naam van Jezus. Daar is de bijbel zo duidelijk over, dat elk misverstand daaromtrent uitgesloten is. Reeds het Oude Testament zegt: 'Wij zullen ons tot Sion wenden, waar Gij ons bidden hoort' (Psalm 65 : 1, berijmd). Dat was een keus, via Sion kwam men tot God. En dat Sion, dat was de plaats van het Immanuel-geheimenis: God-met-ons, op grond van de verzoening, en het Nieuwe Testament zegt dat dàt z'n vervulling gekregen heeft in Jezus Christus. Sion is de voorgestalte van Jezus Christus, getuige diens profetische naam Immanuel (Mat. 1 : 23) die in het Oude Testament zowel aan de Davidszoon (Jes. 7 : 14) als aan Jeruzalem met zijn heiligdom (Ps. 46 : 8 en 12) gegeven was. En zo kunnen we dan ook in het Nieuwe Testament lezen: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als gij de Vader om iets bidt, zal Hij het u geven in mijn naam. Tot nog toe hebt gij niet om iets gebeden in mijn naam' (Joh. 16 : 23/4). Uit deze woorden blijkt heel duidelijk dat het gebed voor een christen in Jezus' naam beslist onopgeefbaar is. Ook een moslim trouwens zal als oprechte belijder van zijn geloof het gebed niet samen met een christen kunnen doen.
Daarvoor verwerpt hij te hartgrondig het middelaarschap van onze Here Jezus Christus. En van een orthodoxe jood geldt hetzelfde.
Dat exclusieve, waar mensen zich zo aan kunnen stoten: 'Daar heb je die christenen weer!', is dan ook helemaal geen particulariteit van het christelijk geloof alleen, het is eigen aan elke religie die God en zichzelf serieus neemt. En dat een vrijzinnige jood op dat gezamenlijk bidden aandringt ('Rabbijn Soetendorp toonde zich hier een warm pleitbezorger voor', lees ik in een brief van de Haagse Gemeenschap van Kerken van 6 januari van dit jaar) zegt ook al niets, want ons verwijt aan de vrijzinnigheid van welke kleur ook is nu juist dat zij geen besef van Gods heiligheid en eigenheid heeft.

Bidden ’in elkaars aanwezigheid’?
Maar heeft de kerkenraad van de Hervormde Gemeente te 's-Gravenhage het in zijn brief van 7 juli niet over een bidden 'in elkaars aanwezigheid'? ('De Haagse Raad voor Levensbeschouwingen en Religies meent', schrijft de kerkenraad, 'dat de maatschappelijke en interlevensbeschouwelijke ontwikkelingen het rechtvaardigen om de basis voor de samenkomst op Prinsjesdag te verbreden en om in elkaars aanwezigheid te bidden'.) En is dat toch niet wat anders dan gezamenlijk bidden?
Inderdaad is dat wat anders, maar wat zou de winst hiervan zijn? Het verlies is in ieder geval dat men door uitdrukkelijk in elkaars aanwezigheid het verschil in bidden te laten uitkomen (wat mijns inziens een eis der oprechtheid is), men elkaar onnodig pijn doet. 'In elkaars aanwezigheid bidden' zie ik dan ook als een van die wolligheden zoals alleen onze tijd daar op kan komen. En let op, zoiets komt altijd weer hierop neer dat het niet de andere religies zijn die zich voegen, maar dat het de christelijke godsdienst is die zich aanpast en van zijn proprium afstapt. Ik geef wel toe dat er precedenten van zijn. Ik denk aan de interreligieuze samenkomsten ter gelegenheid van de begrafenis van slachtoffers van vlieg- of andere rampen.
Maar mij kan dat niet overtuigen en ik zou er de voorkeur aan geven (zoals door sommigen ook gedaan is) de geliefde dode in eigen christelijke kring te begraven. Aparte kerkhoven hoeven voor mij niet. Maar bij een begrafenis hoor ik graag het evangelie van de Opstanding in navolging van die van Jezus. Daar wil ik ook van zingen, samen met mijn broeders en zusters in het geloof.
Me daar vrijwillige beperkingen bij op te leggen ten gerieve van andersgelovigen zie ik niet als een plicht van naastenliefde.
Er zijn nu eenmaal zaken die je niet met anderen kunt delen. Daartoe behoort in het huwelijk je man of je vrouw en in de religie je God. En premier Kok, die er, getuige de gevoerde correspondentie, ook voor is de gebedsdienst in bovenvermelde zin te verbreden zou ik willen wijzen op het voorbeeld van de scheepskapitein uit het boek Jona.
Die man had nog benul van wat religie eigenlijk is. Natuurlijk veegt een niet-godsdienstig mens als Kok alle religies op een hoop. Natuurlijk is hij ten aanzien van godsdienstige verschillen onverschillig.
Maar het is vreemd in een kerkelijk stuk zijn mening als argument tegen te komen.

Toch iets samen
Maar kunnen aanhangers van verschillende religies dan niets gezamenlijks doen? In de richting van de overheid? Dat hoort u mij niet zeggen. Wanneer dat nodig mocht zijn of worden, zou een gezamenlijke deputatie van de verschillende religies naar de overheid kunnen stappen om (bijvoorbeeld) de zaak van de godsdienstvrijheid te bepleiten. Of zaken die de ethiek of de moraal raken, want op die gebieden is er op sommige punten wel overeenstemming.
Maar een gezamenlijke activiteit op die gebieden zou dan toch alleen kunnen berusten op het verschil dat we maken tussen godsdienst en christelijke godsdienst.
Ik wil op dit verschil toch nog even apart ingaan.
Wellicht helpt het u te weten dat ook de bijbel dit verschil kent en maakt.
Niet uitdrukkelijk, trouwens, je maakt het meer uit de teksten op dan dat die zich er expres over uitlaten.
Enkele voorbeelden wil ik daarvan geven.
Toen Jezus tegen Pilatus zei dat deze geen macht over Hem zou hebben als hem die niet van Boven gegeven was (Joh. 19 : 11), deed onze Here een beroep op een godsdienstig besef bij de man dat niet Israelitisch, laat staan christelijk gevuld was en toch wel degelijk ergens op sloeg. Het was de sensus divinitatis (= besef van God) die overal in de wereld voorhanden is.
Ook Jozef, in de verkleding van de Egyptische onderkoning, werkte daarmee toen hij geruststellend tegen zijn broeders zei: 'Ik vrees God' (Gen. 42 : 18), met andere woorden: ik sta onder een morele code die religieus gefundeerd is, waardoor ik niet maar voor de vuist weg leef. 'Ik vrees God',de broers konden dat niet anders opvatten dan als een beroep op de interreligieuze God (om zo te zeggen), want zij hielden Jozef voor een Egyptenaar.
Zoals het Amalek werd kwalijk genomen dat hij, door het volk Israel op laffe wijze van achteren in de rug aan te vallen, er blijk van gaf God niet te vrezen (Dtr. 25 : 18).
Welke God vreesde Amalek niet? Onze God natuurlijk, wie anders?, zegt u. Maar andere volken wordt dat verwijt van gebrek aan Godsvrees niet gemaakt. Die vreesden dus wel God en dat was duidelijk niet de God van Israel. Ook Abraham vergiste zich toen hij in de Filistijnse stad Gerar dacht: 'Wellicht is er geen vreze Gods in deze plaats en zullen zij mij doden om mijn vrouw' (Gen. 20 : 11). De godsvrees was daar wel. Deze sensus divinitatis is het die als iets gemeenschappelijks in alle godsdiensten opduikt.
En let wel, deze Godsvrees bergt een zekere garantie voor humaniteit in zich, zoals je eigenlijk uit alle gegeven voorbeelden uit de bijbel kunt opmaken.
Onze Meester heeft het in een van zijn gelijkenissen over een rechter 'die God niet vreesde en geen mens ontzag' (Luc. 18 : 2).
Welnu, daar heb je het verband tussen die Godsvrees en die humaniteit.
Wie God vreest ontziet mensen. En het is nu op het brede terrein van deze Godsvrees, van dit rekening houden met God, dat de verschillende godsdiensten soms iets gezamenlijks kunnen ondernemen. Bijvoorbeeld het pleit voeren voor godsdienstvrijheid of protesteren tegen een kwalijke ontwikkeling op ethisch gebied. Maar tot deze buitenste rand van de godsdienstigheid behoort zeer zeker het gebed niet. Dat maakt juist integendeel het intiemste van de godsdienst uit.

Ongeloofwaardig
Misschien dat de regering zelf nog wel tot een soort gezamenlijk gebed in staat is. Abraham Kuyper pleitte destijds voor een raadsgebed waar een jood aan mee zou kunnen doen. Aan dat pleidooi zou hij vandaag een multi-religieuze uitbreiding kunnen geven. Maar wat zo'n gemeenteraadsgebed betreft, dat blijft dan wel bij een korte formule, vergelijkbaar met de zogenaamde 'bede' in de troonrede. Echter, wanneer de kerk, vertegenwoordigd in de Raad van Kerken, een gebedsdienst belegt, dan is het mi volstrekt ongeloofwaardig dat zij het meest eigene dat zij in huis heeft, namelijk de aanroeping van God in de naam van Jezus, thuis zou laten.
Je moet dan ook maar niet gek meer opkijken als de mensen gaan zeggen: Wat geeft het of ik naar de kerk of naar de synagoge of naar de moskee ga; het komt toch allemaal op hetzelfde neer.
Dit wegpoetsen van elk verschil lijkt ruimdenkend, maar het kan alleen maar de onverschilligheid in de hand werken.

’Christus zal heersen waar de zon........’
Het is wel duidelijk dat mijn hele verhaal berust op een heel duidelijk verschil dat ik maak tussen kerk en staat. Wat de staat kan, kan de kerk niet en wat de kerk kan, kan de staat niet. Het zijn twee eigen terreinen. En toch zijn ze ook in onze tijd ergens verbonden en is er een veld van gemeenschappelijkheid en dat is de godsdienst in de algemene zin van het woord, dus zonder confessionele invulling van welke kant ook. Ik denk dat het voor ons christenen heel moeilijk is om deze onderscheidingen te maken. Die tussen kerk en overheid, nou ja, dat gaat nog, daar is ook een traditie van aanwezig, maar dat andere onderscheid, tussen godsdienst en christelijke godsdienst, dat is voor ons nieuw. Daar kijken we onwennig tegenaan. Kan dat wel? Er lijkt een relativeren van het eigen geloof voor nodig. 'Lijkt nodig', zeg ik, want ik geloof niet dat het om een relativering gaat. Het heeft meer met bescheidenheid te maken.
En met het vermogen, waar we zeker in het burgerlijke leven niet buiten kunnen, om zich in andermans positie te verplaatsen.
Onlangs was in de krant te lezen dat Kuitert in een discussie over een bepaald gezang een opmerking had gemaakt.
Het was het gezang: 'Jezus zal heersen waar de zon gaat om de grote aarde om' (Gezang 281).
Hij zei dat hij dit gezang vroeger wel had opgegeven, maar dat hij er zich nu voor schaamde.
Vreemd, maar ik denk dat hij er een onbescheidenheid in hoorde. Wat niet nodig is maar wat inderdaad wel kan. Het is niet denkbeeldig dat wij die heerschappij van Christus in de achter ons liggende eeuwen onbewust in het politiek-maatschappelijke vertaald hebben. En in zoverre we dat gedaan hebben is er inderdaad reden, niet om ons te schamen, maar wel om ons te herzien. Wij gaan nu begrijpen dat wij het met de heerschappij van Christus over een geestelijke werkelijkheid hebben, anders gezegd: over een geheimenis des geloofs, waarmee wij niet zomaar de straat op kunnen gaan en waar we al helemaal onze uiterlijke machtsmiddelen niet achter kunnen zetten. In de kerk evenwel koesteren we dit geheimenis en zeggen we tegen elkaar dat Christus 'alle macht heeft in hemel en op aarde' (Mat. 28 : 18), wat bijvoorbeeld betekent dat zijn evangelie op alle niveaus van het leven ter sprake komt en Hij overal de mensen noopt tot het maken van een keuze: voor of tegen Hem. Dat alom tegenwoordig stellen van zijn boodschap en daar op de meest ongedachte wijze de mensen, ook de groten der aarde, mee confronteren, daarin vooral zie ik de almacht van Christus schitteren.
Het is een verborgen almacht, maar wel duidelijk op te merken voor wie gelooft.

*Causerie voor de gezamenlijke gemeentevergadering van de NGK en de CGK van 's-Gravenhage (-Zuid). Het eerste deel is in de vorige Opbouw gepubliceerd.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief