Schuld en aanvaarding

2000-03-03
  • Jaargang 44
  • nummer 5
Ik denk dat deze Psalm voor veel mensen ver van hen afstaat. De dichter koppelt zijn situatie, zijn narigheid heel direkt aan God, aan straf. Het lijkt er sterk op dat hij een diep besef heeft van God en van zichzelf. Dat wil zeggen: diep besef van Gods heiligheid en van menselijke schuld.

Heiligheid
En dat zijn precies twee dingen die voor velen van ons hoe langer hoe verder weg zijn komen te staan.
Gods heiligheid werd wel eens zo ver doorgevoerd dat je voor je gevoel niet vertrouwelijk met Hem kon omgaan. Zeg maar: hij was wel God in de hemel -ver weg, majesteitelijk-, maar niet: onze Vader – dichtbij, vertrouwd.
Nu wordt God vaak wel heel erg omlaag gehaald. De stap van geloof in God in de hemel naar geloof in God in de mens is door velen gezet en de stap is dan snel gezet naar geloof in jezelf. Psalm 6 stemt me tot nadenken: hoe doe ik dat? Hoe ga ik om met God? Hoe kijk ik naar Hem in ‘t diepst van mijn gedachten?

Schuld(besef)
Wat onlosmakelijk te maken heeft met je kijk op God, is schuldbesef.
Voor velen een moeilijk punt. Veel mensen denken bij Psalm 6: wat een primitief geloof, wat simpel om je narigheid zo direkt te koppelen aan God. Schuld, schuldbesef, zonde, weten we eigenlijk nog wel wat het is? Dat is voor mij het punt, dat me treft, ná die eerste reactie.
Maar is zo’n eerste reactie niet ontzettend hoogmoedig, arrogant? Alsof ik het beter weet!

Existentiëel
De maker van ons lied wordt ziek van ellende en ziet daarin de hand van God. Wat je daarvan ook vindt, het lied is in ieder geval heel intens, echt, existentiëel. Je kunt God als ver weg ervaren. Wie een tijd lang aan huis of bed gekluisterd is, kan die ervaring nog veel intenser hebben. En dan gaat het niet meer alleen om ziekte en gezondheid, er gaat meer mee spelen. Je komt jezelf tegen, met de vraag: wie ben ik eigenlijk, wat wil ik met m’n bestaan? En m’n geloof, wat is het waard? Juist wie zulke vragen niet wegstopt, maar bij zichzelf toelaat, herkent, die zal tot de erkenning kunnen komen: er valt heel wat weg, er blijft niet zoveel overeind. Vaak kun je oudere mensen horen zeggen: "Als ik m’n leven over kon doen, zou ik het anders doen." Oftewel: ik verbeeld me niets. En of dat nu het harde werken betreft of de opvoeding van kinderen of wat ook maar, ik zou het anders doen. Dat is pijnlijk als je tegen het eind van je leven zo’n conclusie moet trekken… Want er valt niets over te doen.

Ernstige vragen
Onze dichter heeft stilgestaan bij bovengenoemde vragen. En het is goed om dat te doen. Hij is tot de conclusie gekomen dat ziekte en zonde met elkaar te maken hebben.
(Dat is iets anders dan de zogeheten vrienden van Job. Zij wezen van zich af. Deze man doet dat niet. Hij wijst naar zichzelf.) Zijn doodzieke leven brengt hij in relatie met zichzelf en dus (!) met z’n schuld. Hij loopt er niet overheen. Wanneer wij tegen hem zouden zeggen: "Kop op, man, zo slecht ben je niet", of: "Je mag zonde en ziekte niet met elkaar in verband brengen", dan zouden we hem niet serieus nemen.
Voor velen is de werkelijkheid, de ervaring, dat ondanks het goede in je leven, dat het toch bij elkaar genomen mager is, is geweest, zonder al te veel waarde. Dat is geen somber getob, maar reëel.
‘t Is niet met je hoofd in de wolken of je kop in het zand, maar met beide benen op de grond.

Aanvaarding
En ná met deze vragen bezig te zijn geweest in alle eerlijkheid –en daarna pas kan het misschien ook alleen- is er de omkeer: de HEER heeft mijn huilen gehoord, mijn smeking, Hij neemt mijn gebed aan.
Ik proef er in: ook al ben ik ziek, ook al ben ik zondig, al is m’n leven mislukt, al heb ik zo weinig voor de ander betekend, Hij neemt mij aan, met m’n tranen, met m’n schuld. God verdoezelt die niet –waarom zou Hij?
Met m’n schuld aanvaardt Hij mij.
Ziekte en dood, en daarachter schuld en zonde, kun je alleen maar dragen, wanneer je weet hebt van deze trouwe God en van zijn liefde in Jezus Christus. Wanneer je over eigen leven of naderend einde of dat van een ander nadenkt, wanneer je je machteloos voelt of verbijsterd staat, wanneer je in dat alles weet, toch weet, van Christus die ons nooit en te nimmer loslaat, hoe groot je schuld ook is, dan kun je Paulus misschien nazeggen, al is het met tranen in je ogen en in je ziel: als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn? Ik ben er zeker van dat werkelijk niets ons zal kunnen losmaken van Gods liefde, die is in Christus Jezus onze Heer. Geen wegpoetsen van gevoelens, geen verklaringen, geen oplossing, maar wel kracht van Godswege, aanvaarding, draagkracht voor onderweg.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief