Hebt gij de Geest ontvangen?
2000-03-03
In de bundel De Heilige Geest (Kok Kampen, 1949) onder redaktie van o.a., prof. dr. J.H. Bavinck schrijft deze een afsluitend hoofdstuk met het opschrift: Hebben wij den Heiligen Geest ontvangen. Dit opschrift is een verwijzing naar de vraag van de apostel Paulus aan de discipelen van Johannes de Doper, Handelingen 19. Bavinck haast zich te erkennen dat er rechtmatige bedenkingen tegen dit opschrift zijn in te brengen. Immers, deze vraag is voor de kerk van Jezus Christus sinds Pinksteren ongepast. De Heilige Geest is uitgestort in de gemeente, zodat de Catechismus ons leert belijden "...dat Hij ook mij gegeven is (vr/a.53)".- Jaargang 44
- nummer 5
Tegelijk wil Bavinck in zeker opzicht het goed recht van deze vraag ook voor de kerk na Pinksteren handhaven. Bavinck wijst op het gegeven dat zowel binnen het korte tijdbestek van het boek Handeling, als gedurende de eeuwen van de geschiedenis der kerk ,"er tijden zijn geweest van vloed en vervulling door de Heilige Geest, maar evenzeer van eb van teruggang, van sluimering."
Bavinck ziet zijn eigen tijd als één van eb en wijst daarvoor op het gebrek aan besef van zonde en eerbied, gebrek aan geloofszekerheid en blijdschap, verontrustend terreinverlies van de kerk in de samenleving, kerkelijke verdeeldheid, gemis aan het jagen naar heiliging uit de overwinning van de Heer. Vijftig jaar na dato lijken deze woorden me nog altijd aktueel!
Bavinck besluit dan met: "Er moeten ergens binnen ons bronnen verstopt zijn, zodat het werk van den Geest zich niet in heerlijkheid openbaren kan. Er moeten ergens schansen opgeworpen zijn. Het is voor de kerk van onze dagen van het allergrootste belang de oorzaken op te sporen, en dan in nederige gehoorzaamheid onze treden te zetten in zijn spoor"(p.452).
Ik kan mij vinden in zowel het vermoeden dat er ergens bronnen verstopt en schansen opgeworpen zijn, als de aangewezen weg om die op te sporen en in gehoorzaamheid de weg van de Geest te gaan..
Een vraag die vragen oproept!
De vraag van Paulus in Hand.19 intrigeert mij.
Uiteraard moeten wij deze vraag in zijn heilshistorische context laten staan. Hij kan bv. niet aangevoerd worden ter onderbouwing van een ‘second-blessing’-leer.
Maar daarmee zijn we nog niet van Paulus’ vraag af!
Treffend dat Bavinck juist met deze vraag ons prikkelt tot zelfonderzoek.
Wat mij intrigeert is dat Paulus hiermee een vraag stelt, die wij nooit zouden stellen!. En dan niet alleen omdat het heilshistorisch ongepast zou zijn, maar ook omdat voor ons besef de Heilige Geest Zijn presentie en Zijn werk zozeer verborgen houdt, dat wij Hem slechts in indirecte maar nooit in directe zin zouden missen, dan wel opmerken. Wij zouden veelmeer een vraag gesteld hebben met als strekking: Wat dunkt u van de Christus? Paulus vraagt echter expliciet naar de Heilige Geest.
Kennelijk was de presentie van de Geest in een gelovige niet alleen een beslissend criterium (vgl. Rom. 8:9) voor Paulus, maar ook - op de één of andere manier - waarneembaar.
Dat Paulus overigens de relatie met Christus evenzeer en zelfs als een eerste criterium voor een discipel aanmerkt, blijkt uit zijn tweede vraag naar hun doop.
En pas nadat zij in de Naam van Jezus gedoopt zijn, ontvangen zij - uitermate merkbaar - de Heilige Geest. Het beslissende van de Naam van Jezus blijkt in het ontvangen van de Heilige Geest!
Het moet opvallen dat Paulus pas doorvraagt naar de meest fundamentele laag, omdat hij de presentie van de Heilige Geest bij de broeders mist.
Het nieuwe van Pinksteren
De vraag: ‘Wat zou Paulus gemist hebben en hoe zou hij het gemis aan presentie van de Heilige Geest opgemerkt hebben?’ hangt nauw samen met het nieuwe (van de Geest) dat ons als kerk met en sinds Pinksteren gegeven is.
Als ik mij niet vergis weten wij daar niet zo goed raad meer mee.
Niet in onze belijdenis, maar wel in onze beleving is Pinksteren een aanhangsel bij Pasen geworden.
De feeststemming bij dit heilsfeit staat - onder ons - in de schaduw bij die van de eerdere heilsfeiten van Kerst en Pasen. De Heilige Geest gaat praktisch geheel schuil achter de verkondiging van Christus, gaat op in het onderwijs van de apostelen, valt samen met de ethische vernieuwing van de gelovigen, is de verborgen kracht achter de wasdom, is een verkondigde maar niet ervaren garantie van de volharding der heiligen.
Wij concluderen uit bekering, Schriftgetrouwheid, geloof, vernieuwing, wasdom, volharding, etc. tot de aanwezigheid van de Heilige Geest in de gemeente en in de gelovigen.
Deze geloofskennis is zeer kostbaar en onopgeefbaar!
Ons kerkzijn en mijn geloof heeft zijn diepste achtergrond en oorsprong in Gods Vaderhart en in het werk van Zijn Geest die Heer is en levend maakt. Wat een troost!
Hoofdbewoner.
Tegelijk doen wij het nieuwe van Pinksteren tekort als we praktisch alleen concluderen en veronderstellen in het geloof "Wij mogen weten dat...".
De Heilige Geest is niet alleen de verborgen achtergrond en oorsprong, Hij is de Hoofdbewoner van Zijn huis op aarde, de gemeente en individuele gelovigen. Dat betekent, dat je Hem als zodanig zult tegenkomen en meemaken.
En we kunnen er toch niet omheen dat dàt de algemene en verlossende ervaring van de gelovigen in het NT is.
Wij zijn uitermate huiverig geworden voor het gevoel en de ervaring in het geloof. Dat is altijd secundair. ‘Feit-geloofgevoel’.
Het gevoel is fijn, maar niet doorslaggevend en je kunt er nooit op bouwen. Deze wijsheid, door schande en schade geleerd, mogen we niet veronachtzamen, maar evenmin als norm verheffen boven de onmiskenbare gegevens van de Schrift.
Naar de bovenstaande maatstaven - ‘pas op voor het drijfzand van de ervaring!’ - zou de apostel Paulus met zijn onderwijs in Galaten 3: 1-14 ’voor zijn praeparatoir examen gezakt zijn.
Immers, midden in de crisis van dwaalleer en geloofsafval verwijst Paulus als beslissend en ultiem argument naar het ontvangen van de Heilige Geest. De waarheid van Paulus’ Evangelie (de prediking van het geloof, de gekruisigde Christus) bleek in het ontvangen van de Heilige Geest.
Paulus wijst niet naar een (gelovige) veronderstelling, maar naar een evident gebeuren dat nog vers in het collectieve geheugen van de gemeente gegrift staat. Paulus schrijft "gij hebt veel ondervonden" en specificeert dat met "Die u de Geest schenkt en krachten onder u werk". De ondervinding niet als fijne (maar niet fundamentele) toegift, nee: de ondervinding van het ontvangen van de Heilige Geest als de start van hun christenzijn (Gij zijt begonnen met de Geest). De gave van God is de Heilige Geest! De belofte aan Abraham ‘in uw zullen alle volken van de aardbodem gezegend worden’ wordt vervuld in het komen van de Heilige Geest - dankzij Christus en Zijn kruis alleen! (3:13v.).
Onderpand, eersteling, zegel, uitgestorte Liefde
Het ontvangen van de Heilige Geest als een gemeentelijke ervaring, een ‘veel ondervinden’, zien we ook terugkomen in de metaforen die de apostel gebruikt: de Geest als onderpand (2 Kor. 12: 21 v; 5:5;Ef.1:4), als eersteling (Rom.8:23)en ook de verzegeling met de Geest. (2 Kor.1:21v;Ef-1:13, 4:30).
Deze metaforen staan in het kader van het ‘reedsnog niet’ van het heil in Christus. In Hem is de nieuwe toekomst al begonnen en de Geest deelt dat uit als een teken, voorproefje van die nieuwe werkelijkheid en tegelijk als een garantie dat de voleinding zal komen. In de gave van de Geest komt nog niet het volle heil, maar Hij laat ons dat heil al wel ondervinden midden in ons nog onverloste bestaan. De gemeente mag zo in deze tussentijd leven als Gods volk van de toekomst: Gods kracht in al onze zwakheid, ‘als een kaars in de wind’, die toch blijft branden. (vgl. 2Kor.2:9-12).
Een andere ‘ervaringstekst’ van Paulus vind ik in Rom. 5. Opnieuw het ondervinden van de Geest in het kader van bemoediging en verzekering midden in de verdrukking.
Paulus schrijft over de liefde van God (voor ons) die in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest. Een algemene, overvloedige ervaring van Gods liefde waarnaar Paulus verwijst als teken dat de hoop (op het volle heil) niet zal beschamen. Een overweldigende ervaring van Gods liefde die zijn rotsvaste zekerheid en achtergrond heeft in wat Christus voor ons heeft gedaan (vs.6). (Opnieuw de cirkel met de twee brandpunten van Christus en de Geest). De Kanttekenaren bij de Statenvertaling hebben hiervan geweten, aangezien zij bij dit vers aantekenen: "Namelijk tot een vertrooster in ons gemoed, en een onderpand van onze erve; Joh. 14:16,17; 2 Cor. 1:22; Ef. 1:13. En dit is het eerste fundament, waarom de hoop niet beschaamt, omdat de Heilige Geest hierin niet kan liegen".
De Heerlijkheid is weer terug!
Een feest van herkenning en bemoediging in mijn zoektocht in de dingen van de Geest zijn voor mij de boeken van Gordon Fee. Allereerst zijn grote, exegetisch werk ‘God’s Empowering Presence’, maar ook zijn inmiddels vertaalde boekje ‘Paulus, de Geest en het volk van God’ dat ook voor niettheologen heel leesbaar is! Wat mij vooral heeft verblijd, is zijn heldere uiteenzetting dat Pinksteren de vervulling is van de oude belofte dat God weer zal komen om weer in het midden van Zijn volk te wonen. En dat op een manier die (in Christus) van alle schaduwachtigheid is ontdaan en inderdaad een eerste, werkelijke, proeve is van hoe het eenmaal in alle volheid zal zijn. Fee laat zien dat de centrale noties in de oude profetische beloften als het nieuwe verbond, het nieuwe hart en de terugkeer van Gods Heerlijkheid naar Zijn Tempel, hun vervulling hebben gevonden in de komst van de Heilige Geest, dankzij het werk van Christus. Pinksteren niet als een aanhangsel bij Pasen, maar als de eerste werkelijke vervulling van Gods heilsbelofte uit het OT. De Geest is de Geest der belofte. Als Petrus zegt "Voor u is de belofte en voor uw kinderen, en voor allen die verre zijn", dan bedoelt hij daarmee de Heilige Geest! Fee: " De Geest is Gods persoonlijke aanwezigheid in onze levens en in ons midden. Hij leidt ons op de weg van de gerechtigheid om Zijns Naams wil; Hij brengt alles in alle mensen tot stand, Hij is bedroefd als zijn volk Zijn karakter niet weerspiegelt niet Zijn heerlijkheid onthult, en Hij is aanwezig in ons aanbidden, als we zingen;’ lof en glorie en kracht zij God en het Lam’. Als we willen doordringen tot Paulus’ opvattingen moeten de leden van Gods volk uit een later tijd zoals de onze, deze realiteit vooral aan den lijve ondervinden"
(Paulus, de Geest en het volk van God, p37).
Als ik dit tot mij door laat dringen en als ik zo opnieuw het NT ga lezen, gaat er een wereld voor mij open, in het NT en in mijn eigen leven, in ons leven als kerk. Het NT geeft getuigenis van Gods Empowering Presence (Krachtgevende Tegenwoordigheid) in Zijn gemeente en in de gelovigen, tempels van Zijn Geest. En dat mogen wij nu ook ondervinden!
Voor en na
k heb mij lange tijd afgevraagd wat nu eigenlijk het verschil was tussen geloven voor en na Pinksteren, tussen Gods kinderen in het Oude en Gods kinderen in het Nieuwe Verbond. Ik kwam niet zoveel verder dan dat wij in het nieuwe Verbond meer weten. Wij weten van Christus, Zijn kruis en opstanding.
Maar ook de discipelen kenden alle feiten van kruis en opstanding en hemelvaart. Ook zij geloofden en deden dit door de Heilige Geest. Hoe anders.
Toch had God voor hen nog iets veel heerlijkers.
De belofte van de Heilige Geest. Gods Empowering Presence. De inwoning van de Vader en de Zoon door de Heilige Geest.
Daarop moesten ze tien dagen wachten, al biddend.
Eerder konden zij niet als getuigen de wereld in.
Als wij het OT bepreken dan gaan we ervan uit dat de OTische heiligen net zo geloofden als wij, alleen wij weten meer. Zou het niet zo kunnen zijn dat wij op dit punt toch weer ‘bijgeschoold’ moeten worden, omdat wij feitelijk teruggezakt zijn naar een manier van geloven als van voor Pinksteren?
(Waarbij we niet moeten vergeten dat het eerste accent ook in het NT niet ligt bij de individuele gelovige , maar bij de gemeente).
Wat bedoelt de Here als hij leert dat de kleinsten van het koninkrijk der hemelen groter zijn dan Johannes de Doper, de grootste profeet van het OT? (Mat.11). Dat is toch stellig meer dan alleen meer heilsfeitenkennis.
Moeten we inderdaad niet de mogelijkheid openhouden dat in een lang proces van uitdoving wij naar een pre-pinksteren niveau zijn teruggezakt?
Dat in dat proces van uitdoving of van bedroeven van de Geest factoren als verwereldlijking van de kerk en de zeer dominante geest van de Verlichting met zijn funeste, cartesiaanse boedelscheiding van geest en materie. Hebben wij de mogelijkheden van de Geest niet te veel gesneden op de maat van onze menselijke mogelijkheden?
En moeten we de charismatische bewegingen van deze eeuw niet zien als een reactie op deze inperkingen van het werk van de Geest door de kerken?
Ongetwijfeld zijn veel van deze bewegingen in hun reacties doorgeschoten en zelfs ontspoord. Maar hadden we in deze reacties toch niet veel meer de klop op de deur moeten horen. Is de polarisatie in de 20ste eeuw tussen deze bewegingen van de Geest en de kerken niet één van die tragische missers geweest? Had de Heilige Geest ons als kerken wellicht veel meer willen vervullen en toerusten met Zijn Empowering Presence in een eeuw die als nooit tevoren een apocalyptisch karakter heeft gekregen? Geeft God ons in onze tijd toch weer nieuwe kansen?
Allemaal vragen, waarop ik geneigd ben met ja te antwoorden.
Leven in het radicale midden.
Om de polarisatie te doorbreken tussen de kerken met hun accent op dat stille, nauwelijks merkbare werk van de Geest en de groepen met hun accent juist op de bijzondere en spectaculaire gaven van de Geest, komt Fee met een prachtige uitdrukking: wij moeten leren leven in het radicale midden. Als ik hem goed begrijp, dan bedoelt hij hiermee dat wij allereerst weer oog voor en besef moeten krijgen van die werkelijke en heerlijke Tegenwoordigheid van de Geest in onze gemeenten en in ons persoonlijk leven. Dat wij ons erin oefenen daarin ook open voor Hem te staan en Hem ruimte te geven, opdat Zijn zegen het als dauw van Hermons top op onze droge landerijen mag nederdalen. Dat wij werkelijk geloven en waar laten zijn, dat Hij in ons midden en in ons persoonlijk woont en door ons wil werken. Dat Hij door ons heen anderen wil aanraken.
Dat Hij stromen van levend water uit ons binnenste wil laten vloeien.
Zo worden de tegenstellingen tussen de ‘bijzondere’ en de ‘gewone’ gaven van de Geest verkwikkend gerelativeerd.
De Geest kan door mij of ons als gemeente heen de ander aanraken - hetzij door een lief gebaar, hetzij door een wijze raad, hetzij door een fijn gesprek, hetzij door een handoplegging, hetzij door een profetie, hetzij door een degelijke preek, hetzij door een voorbede, hetzij door een ministry.
Hetzij door het spreken in een andere taal of door wat dan ook dat de Heilige Geest ons blijkens de Schrift wil geven om elkaar te dienen tot heil en tot eer van Gods Naam. Zie ook wat Petrus schrijft in 1Petrus 4:11!
Fee: Voor Paulus betekende het leven of naar de Geest het aanvaarden van zowel de vrucht als de gave; en dat met overgave.
Dit is wat ik noem leven in het radicale midden.
De Geest als een aan den lijve ervaren en krachtgevende aanwezigheid had voor Paulus en zijn gemeenten een sleutelrol in het christelijk leven, van begin tot het eind. De Geest bestreek het hele spectrum: levenskracht, groei, vrucht gave, gebed, getuigenis en al het andere. P.14, a.w.
Blij met Houten.
Ik blijf blij met wat ik ook in Houten heb gezien, gehoord en meegemaakt.
Het meer van Houten is wat mij betreft toch vooral het meer van: ‘God is meerder dan ons hart’. Hij zit niet opgesloten in onze denkkaders en vaste patronen. Wij moeten Hem meer zoeken. Toen Jozua de Gibeonieten op bezoek kreeg met een verzoek tot een verbondssluiting, handelde hij en zijn mannen geheel correct door zich te houden aan het geopenbaarde goddelijke verbod om een verbond aan te gaan met de Kanaänieten. Ze hebben nauwkeurig onderzoek gedaan en zich ervan vergewist dat deze zaak in orde was. Voorts handelden zij naar de richtlijnen der liefde en namen deze zoekende heidenen in hun midden op. Niets op aan te merken. Echter zij vergaten de Here te raadplegen, zo staat er. Hij had hen ongetwijfeld op het spoor van het bedrog gezet.(Jozua 9) In Houten probeert men - zoals in brede kringen van Gods kinderen vandaag - dat heel bewust en gericht raadplegen van de Here, inhoud te geven. Niet in concurrentie met, maar juist in gehoorzaamheid aan het geschreven Woord. Zowel in Houten (uit eigen ervaring en uit de verhalen) als in veel literatuur heb ik daarvan mooie, zegenrijke voorbeelden gezien, waarvan ik zeg: als dat niet van de Geest is, dan weet ik het niet meer!. Laten we elkaar hierin zoeken en dienen en bewaren voor uitglijders en niet opnieuw elkaar de greppels insturen door onheilige polarisatie: laten we samen verder gaan, levend in het radicale midden!
Midden in deze wereld: Gods volk van de toekomst van Jezus Christus!