Klassieke helden in eigentijdse vertelling

2000-03-17
  • Jaargang 44
  • nummer 6
Een crematieplechtigheid, een begrafenis en een gesprek. Zo zou je de inhoud van het boekenweekgeschenk, Het theater, de brief en de waarheid van Harry Mulisch, kunnen samenvatten. Het gesprek wordt gevoerd door twee getuigen van de dubbele uitvaart, Felix en Vera.
Felix, een toneelschrijver, doet verslag van de crematie en Vera, zijn jongere collega vertelt over de begrafenis. Het vreemde is dat de combinatie van de beide gebeurtenissen onmogelijk is. De ene sluit de andere uit. De hoofdpersonen in beide hoofdstukken zijn namelijk dezelfden, het toneelspelersechtpaar Herbert en Magda Althans.
In het eerste hoofdstuk is het Magda die gecremeerd wordt, waarbij Herbert een onthullende toespraak houdt, terwijl in het tweede Herbert begraven wordt na een toespraak van Magda. Absurd? Ja, zegt de schrijver in een nawoord zelf, maar niet absurder dan het leven zelf is. ‘Misschien toont het zo de volledige waarheid’.
Voor de werkelijkheid van het verhaal gaat dat in elk geval op. (84) 1)

Ultieme liefdesuitingen
Eigenlijk heb ik nu al te veel van de inhoud prijsgegeven, want een onbevangen lezer begint pas op bladzij 62 te merken dat er iets vreemds aan de hand is, namelijk als hij met Felix en Vera op weg blijkt te zijn naar de toespraak van Magda, van wie hij de crematie zojuist bijgewoond heeft. Maar je moet wel verder lezen, want terwijl de verhalen elkaar uitsluiten, kunnen ze niet zonder elkaar, sterker nog, door het ‘onmogelijke’ tweede verhaal vallen onbegrijpelijke dingen uit het eerste verhaal op hun plaats. De gelijktijdigheid van de gebeurtenissen is wel onmogelijk, maar alle gebeurtenissen die tot de dood leiden kloppen en vullen elkaar aan. Pas in het tweede hoofdstuk begrijp je dat Magda meteen heeft doorgehad dat Herbert loog om haar te helpen. Hij loog over dezelfde brief waarmee zij hem uit liefde bedrogen heeft. Het zijn de ultieme uitingen van liefde van zowel Herbert als Magda, maar ze leiden tot de ondergang van die liefde en tot de ondergang van henzelf. En de lezer wordt erin meegenomen, want je leert ze kennen als mensen die ontzettend veel van elkaar en van hun kinderen houden. Je krijgt begrip voor de ziekmakende angsten van Herbert en de machteloosheid van Magda.
En daarmee heeft Mulisch een verhaal geschreven dat langs de klassieke Griekse tragedie scheert en lijken Herbert en Magda tragische helden geworden die ondergaan door hun verkeerde beslissingen, terwijl ze denken dat het de goede zijn.

De zaak-Croiset
Ik kan me voorstellen dat het u intussen duizelt, maar het is dan ook allemaal bedacht door Harry Mulisch. Als aanleiding voor zijn vertelling gebruikte Mulisch de gebeurtenissen uit 1987 rondom de toneelspeler Jules Croiset.
Deze zag in de opvoering van een toneelstuk van Fassbinder 2) het bewijs van de onverschilligheid in ons land tegenover het opnieuw opkomende antisemitisme en het neonazisme.
Om aandacht te vragen voor de ernst van de situatie ensceneerde hij zijn eigen ontvoering.
Mulisch heeft de hoofdfiguren van zijn verhaal, Herbert en Magda gemodelleerd naar Jules Croiset en zijn vrouw, maar hij heeft de karakters zelf ingevuld en de feiten naar zijn hand gezet, zodat zijn eigen verhaal ontstond.

Lijkredes
De vertelling is knap geschreven. Eigenlijk bestaat hij uit niet meer dan twee lijkredes, maar ze zijn heel gevarieerd verwerkt. De eerste wordt uitgesproken door Herbert, de toneelspeler, en alleen daardoor al is hij boeiend. Overigens volgen we hem niet op het moment zelf, maar twaalf jaar later. Felix, op zoek naar een geschikte toneeltekst, neemt de rede over van videoband.
Hij onderbreekt die steeds met zijn eigen commentaar en dat van de ‘doodbidder’ die er zo zijn eigen gedachten over heeft en het allemaal veel te lang vindt duren.
Wat Magda gezegd heeft bij Herberts begrafenis wordt niet door haarzelf, maar door Vera verteld, voor zover ze zich alles na twaalf jaar nog herinnert; de leemtes vult ze op met haar eigen gedachten en interpretaties.
Verschillen tussen de twee hoofdstukken genoeg, maar ook prachtige parallellen, overeenkomsten.
Na Herberts bekentenis spreekt Felix zijn bewondering uit voor Herberts daad en Vera na het verhaal van Magda: ‘Daar was iets gebeurd waar mijn leven niet aan kon tippen’

Toneelspelers
De thema’s zijn vele. Het hele boek door is het toneelspel en de verhouding tussen toneel en werkelijkheid aan de orde. Herbert is in alles de toneelspeler, niet alleen in zijn herdenkingstoespraak bij Magda’s crematie – dit keer niet als de ‘slaaf van zijn tekst’, wel als de schèpper ervan - maar ook in zijn gelogen bekentenis tegenover de rechercheurs, die op hun beurt bij het verhoor de op de politieschool geleerde rol spelen. Ook de doodbidder is een acteur: zijn gevoelens zijn gespeeld.

Geen woord te veel
Mulisch jongleert met de taal en het verhaal: hij speelt met woorden en gebeurtenissen. Vera’s naam betekent waarheid, maar juist zij kan zich de gang van zaken niet meer zo goed herinneren; de dreigbrief noemt ze een liefdesbrief en voegt eraan toe. Ik verzin het er nu bij, want het is de waarheid. (76) Op een enkele passage na staat er geen woord te veel in de novelle. ‘Alles hangt met alles samen’ heeft Mulisch meer dan eens gezegd èn aangetoond, zoals in De aanslag en De ontdekking van de hemel. Hij maakt het ook in dit boekje waar.

Mooie gedachten
Je komt veel mooie gedachten en uitspraken tegen. Over dromen (61); over nazi’s in vergelijking met neonazi’s (ambtenaren die plichtsgetrouw slecht deden tegenover de neo’s die wéten dat het slecht is wat ze doen - 53); over Israël (‘die joodse triomf over Hitler’ - 69); en vele meer 3). En dat alles in een prachtige stijl met mooie vergelijkingen en beelden. Een intense ontroering heeft de vertelling me niet gegeven; wèl maakte het slot van de begrafenisdienst diepe indruk op me, als de deuren openzwaaien en de natuur binnenstroomt. Wie een boek als ‘De Aanslag’ mooi vindt om het verhaal, zal zich misschien teleurgesteld voelen als hij dit boek leest. Wie Mulisch leest om zijn schrijfstijl, zijn ideeën, zijn taal, zal er veel genoegen aan beleven. Voor wat ik hier verteld heb, heb ik maar een kleine greep uit mijn aantekeningen gebruikt. Lezers die van precies lezen houden, zullen nog veel meer moois tegen komen.

*) N.a.v. Harry Mulisch, Het theater, de brief en de waarheid. Ter gelegenheid van de boekenweek uitgegeven door de CPNB. Amsteram, 2000. Gebonden. Gratis bij betseding van f 24,50 aan boeken.
1) De tekening op de voorkant heeft de absurditeit schitterend gevisualiseerd in een Escher-achtig figuurtje van een driehoek.
2) Het vuil, de stad en de dood. De titel van het stuk maakt duidelijk hoe Mulisch aan de naam van zijn vertelling gekomen is.
3) Ik noem nog de vele gedachten over het verschil tussen begraven en cremeren. Zowel in de associaties als impliciet gaat de vorkeur uit naar begraven.


Een christelijk geschenk De glazen schelp van Jaap Zijlstra is het verhaal van een bijzondere vriendschap.
Een vriendschap die begint op de lagere school en eindigt met de vroegtijdige dood van een van beide vrienden. Het verhaal vertelt van hun worsteling om het geloof, de omgang met homofiele geaardheid van de een, de strijd tegen angstgevoelens en psychische ziekte van de ander. Het is het meest geslaagde actieboek van de CLK *) tot nu toe.

Mikpunt
Als Tjerk Tuinstra op het strand een jongen op een heel aparte manier met het opkomend water ziet dansen, voelt hij zich meteen tot hem aangetrokken.
De jongen, Marten de Rijke, en hij blijken veel gemeen te hebben – ze houden allebei van vogels en willen beiden schrijver worden en gedichten maken. Op school blinkt Marten in alles uit, zowel in de leervakken als bij gym. Maar hij weigert mee te doen met de ruwe spelletjes van de anderen.
Als hij dan ook nog de eerste prijs wint bij een interscholaire gedichtenwedstrijd, gebruiken de klasgenoten hem als mikpunt voor hun pesterijen. Hoewel Meester Klarenbeek op een schitterende manier echte verbroedering tot stand te brengen, is voor Marten de mishandeling het begin van een paranoïde vrees. Hij voelt zich als een prooi van roofvogels. Na de lagere school gaan Marten en Tjerk gescheiden wegen, maar de contacten blijven.
Tjerk wordt na de ULO schrijver op het gemeentehuis en Marten gaat na het gymnasium Nederlands studeren. Door dingen die hem overkomen groeit het gevoel in Marten dat de wereld het op hem gemunt heeft: een niet terechte arrestatie in Amsterdam, grof gedrag van een hoogleraar in zijn richting. Had zijn vader, een Canadees militair, hem ook al niet ‘voor zijn geboorte in de steek gelaten?’

Homofiel
Tjerk ontdekt zijn homofiele geaardheid, maar besluit erover te zwijgen. Behalve tegenover Marten, die begrijpt dat de intensiteit van Tjerks vriendschap alles met zijn geaardheid te maken heeft, maar hij accepteert dat. Als Marten in Groningen gaat studeren trekt Tjerk daar ook naar toe. Martens achtervolgingswaan wordt geleidelijk aan erger, maar de grote klap komt als zijn moeder onverwacht, nog jong, overlijdt. De combinatie van zijn toenemende vervolgingsangsten en zijn schizofrenie maken het onmogelijk zelfstandig te blijven wonen en hij wordt opgenomen.

Schizofreen
Op een aangrijpende manier wordt Marten in zijn ziekte getekend. De warwinkel van zijn gedachten, zijn ondraaglijke angsten, ze worden volledig invoelbaar gemaakt. In brieven en gesprekken leegt hij zijn ‘nokvolle’ hoofd. In vliegende vaart volgen de zinnen elkaar op, waarbij hij in zijn wanen nog zeer rake dingen zegt. De woordenstromen van de intelligente schizofreen maken hem voor zijn ‘geneesheren’ interessant demonstratiemateriaal.
Voor jonge theologen en studenten. Aan het eind van een van de colleges schreeuwt hij het uit: ‘O God, help me, ik sterf van angst’. Als zijn angst hem boven het hoofd groeit, springt hij van een hoge verdieping van het ziekenhuis. Nog een paar dagen leeft hij. Machteloos moet Tjerk toezien hoe Mark achteruitgaat.
Hij sterft in Tjerks armen, hem met de vragen achterlatend: ‘Waarom moest juist hij, een zacht en vriendelijk mens, zo gekweld worden? Als er een God bestaat dan is hij nu in het licht. Als, als, als.

Liefde en vriendschap
Van hun eerste ontmoeting af aan komt de verhouding liefde en vriendschap ter sprake.
Als meester Klarenbeek duidelijk maakt dat Judas wel een vriend van Jezus was, maar geen liefde voor Hem had, vindt Tjerk dat hun relatie maar moet lijken op die van David en Jonathan. Op het moment dat hij zijn homofiele geaardheid ontdekt, wordt het weer moeilijker, maar Marten reageert haast laconiek: ‘Je vriendschap kan ik wel beantwoorden, maar je liefde niet’. Het resulteert in een zuivere verhouding, die prachtig getekend wordt. Er is meer dat indruk maakt: de manier waarop Tjerks ouders op zijn homofilie reageren: zijn moeder fijngevoelig, zijn vader met een gebaar, een enkel woord.

Geloofsworsteling
Dwars door de andere verhaallijnen heen speelt de worsteling om het geloof een rol. In de klas gaat het nog om de mogelijkheid de straf van een ander op je te nemen, maar al gauw wordt het een existentieel probleem.
De pesterij van de medeleerlingen op de christelijke school vormt voor Marten de eerste aanzet tot afhaken. Heel cynisch is zijn opmerking dat roofvogels ook bidden voor ze hun prooi oppakken. Later, als hij ontdekt hoe hij op een spiritistische séance bedrogen is, grijpt hij dat aan als bewijs dat alle geloof bedrog is. De tegenwerpingen van Tjerk zijn boeiend, al ziet hij achteraf wel in dat zijn geloof in de ‘herschepping’ op dat moment nogal naïef was. ‘En als de put waarin jij zit nu een een bouwput blijkt?’ ‘Dan is het Pasen’, reageert Martin. Op een moment dat Tjerk daar zelf niet meer in kan geloven.
Toch komt dat paasmoment voor Marten, omdat God Zelf hem in zijn nekvel grijpt, waardoor het licht doorbreekt en ‘alle teksten tegelijk in zijn hoofd aanwezig zijn’.
Maar Tjerk ‘maakt dat niet mee’; voor hem zijn er alleen maar vragen over.

Gave compositie
De verteller is Tjerk. Hij schrijft zijn verhaal op voor Karin om haar duidelijk te maken, waarom Marten de relatie met haar verbroken heeft.
Hij doet dat achteraf met nogal wat vooruitwijzingen.
Zo kan hij zijn vertelling beginnen met het op het eerste gezicht wat cryptische korte beginhoofdstuk, waarin de schizofrene Mark aan het woord is, terwijl daarna de schoolperiode volgt – geschreven op de toonhoogte van jongens van die leeftijd.
Met name die schoolhoofdstukjes zijn flitsend geschreven. De novelle is gaaf gecomponeerd. Hij begint aan het strand bij de vloedlijn en daar eindigt hij ook, als Tjerk een fraai gevorme schelp weer in zee legt. Het verwijst naar de ‘glazen schelp van Marks (levens)verhaal’. Het is ook het beeld van Mark zelf, als glasblazer: ‘Glas, je blaast er je adem in.
Mens en materiaal worden één. Doorzichtig, kwetsbaar.’ En daarmee zijn we aangeland bij de beeldende taal van Jaap Zijlstra’s boek, waarin de dichter zich verraadt. Hij speelt met woorden; ook in de schizofrene woordenstroom van Marten staan prachtige vondsten. De glazen schelp is een mooie echt christelijke novelle met ontroerende momenten.
Om meer dan één keer te lezen.
Jaap Zijlstra (1933) is predikant in Amsterdam. Hij schreef eerder de roman Een leeuw op de weg (over de profeet uit Juda uit 1 Koningen 13 - heel boeiend), maar is vooral bekend als dichter. Gedichtenbundels: Lichtgeraakt, Ik zie je zo graag. Liederen: Van harte brengen wij U lof en gezang 73 en 249 uit het Liedboek.

Jaap Zijlstra, De glazen schelp.
Kampen, 2000. Uitgegeven door het Christelijk Lektuur Kontakt i.s.m. Voorhoeve.
Tijdens de boekenweek (hier verlengd tot 14 april) f 3,95; daarna f 14,95

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief