Doorgaande Reformatie eindigt

2001-05-25
  • Jaargang 45
  • nummer 11
Professor J. Douma is pas 70 jaar geworden. Rond zijn verjaardag verscheen ‘Hoe gaan wij verder?’, een bundel over ontwikkelingen in de gereformeerde kerken (vrijgemaakt).
Ik wil er in Opbouw graag aandacht aan besteden. Allereerst omdat wij kerkelijk het naaste familielid zijn en ook omdat Douma een van degenen is, waar ook wij door de jaren heen veel aan gehad hebben, in zijn meedenken met de tijd op het vlak van de christelijke ethiek. Het boek heeft iets van een balans, een balans opgemaakt op het zevende kroonjaar. Er komen persoonlijke memoires in voor, die me vooral interessant lijken voor wie Douma kennen. Maar door het hele boek heen komen belangrijke passages voor, die zelfs nog wel over méér gaan dan alleen de koers van de vrijgemaakten.

Onvermijdelijk zullen (in elk geval oudere...) Nederlands Gereformeerden het eerst kijken naar wat Douma te melden heeft als terugblik op de scheuring van 1968. Daar zal ik ook mee beginnen, maar er is bepaald meer.

Open Brief
We hebben het dan over de tijd, waarin de Open Brief verschenen was (in 1966) en veel stof had doen opwaaien.
Er werd sinds de Vrijmaking van 1944 flink gewerkt aan de opbouw van een gereformeerde wereld en daar was iedereen bij nodig. En juist toen het zo belangrijk was om de neuzen in één richting te hebben, schreef die Open Brief dat het wel begon te lijken op een Vrijmakingsgeloof en dat we met klein vaderlands gedoe bezig waren in een tijd waarin de wijde wereld in beeld kwam. Als ik het stuk zelf nog eens lees, dan denk ik meewarig: ach ja, typisch jaren zestig.
Toen moesten de vaste structuren en het gezag het ontgelden, terwijl de grote uitdagingen van de nieuwe tijd een ieder naar het hoofd stegen. Maar goed, dat is mijn terugblik. In die tijd werden drie dingen de ondertekenaars erg kwalijk genomen: dat ze met de synodalen wilden gaan praten (de Gereformeerde Kerken in Nederland noemen we dat nu), dat er passages waren die je als kritiek op de belijdenis kon beschouwen en dat ze de doorgaande reformatie bekritiseerden (waarover verderop).

Niet juist om te schorsen
Douma schrijft daarover, dat hij nog steeds de Open Brief een slecht stuk vindt, dat de kerken veel kwaad berokkend heeft. Maar materieel stemt hij toe, dat het gewraakte Vrijmakingsgeloof er inderdaad was (p. 36). En hij beschrijft, hoe hij zelf betrokken is geweest bij de schorsing van een van de ondertekenaars, ds. Brands te Valkenburg (Z.H.). Het schorsingsbesluit was van zijn hand. Hij voelde zich er toen al beroerd over, maar nu vindt hij bovendien, dat hij er verkeerd aan gedaan heeft.
Verderop (p. 163v) beschrijft hij dat uitvoeriger. Eerst over het verschil in interpretatie van de Open Brief dat er bestond. De vrijgemaakten stelden destijds, dat ondertekening per definitie betekende dat je de binding aan de belijdenis op losse schroeven stelde, maar vele ondertekenaars ontkenden dat. Welnu, dan had je hen niet mogen schorsen om die enkele ondertekening. Maar Douma gaat verder en zegt: ‘zelfs als men op de interpretatie let die de schrijver van de Open Brief, ds. B.J.F.
Schoep, aan de beruchte passage aan het slot van de Open Brief heeft gegeven, zou het niet juist zijn alleen hierin een grond te vinden om iemand in zijn ambt als predikant te schorsen’.
Voor insiders is duidelijk, dat professor Douma hiermee op een heel centraal punt spijt heeft van wat gebeurd is en ik kan er alleen maar met respect uit citeren. Intussen is dit alleen maar een onderdeel van het bredere punt waarop de auteur gas terug neemt. De hoofdlijn in zijn terugblik nu is, dat hij heel duidelijk afstand neemt van de zogenaamde 'Doorgaande reformatie', dat is het streven van na de Vrijmaking om de reformatie van de kerk door te zetten in alle delen van het leven. Dat is de drijvende kracht geworden achter de oprichting van tal van gereformeerde organisaties. Vanaf de scholen en de krant (het Nederlands Dagblad) tot een vakbond en een Toer- en Caravanclub toe. Die hele 'doorgaande reformatie' is uiterst succesvol geweest, maar heeft een zware tol geëist op het vlak van de omgang met elkaar en met de wereld.
Douma beschrijft nu, hoe deze beweging op dit moment spaak loopt in de afbrokkeling van de vrijgemaakt-gereformeerde zuil. Dat werd onder meer duidelijk in de manier waarop het GPV is overgegaan in de Christenunie. Ik neem een flinke passage in z'n geheel over omdat die me cruciaal lijkt.

Exclusivisme
‘Ik zeg met nadruk dat de praktijk de onhoudbaarheid heeft aangetoond van het exclusivisme dat met de ‘doorgaande reformatie’ meekwam. Maar het is niet minder van belang om dat exclusivisme ook principieel af te wijzen.
Dat heeft het GPV, voorzover mij bekend, nooit gedaan. Begrijpelijk is dat wel, want een politieke partij heeft met haar achterban te maken. En het is voor een deel van die achterban een hele opgave om de eens gekoesterde ideeën openlijk los te laten. Mij gaat het hier om meer dan de praktijk, al is het zeker ook belangrijk dat wijdoor de feiten achterhaald - leren een betere weg in te slaan. Maar het is even belangrijk om, wanneer we op de weg terugzien die we vanaf de Vrijmaking hebben afgelegd, toe te geven dat we door ons exclusivisme gewetens hebben gebonden met een ondeugdelijk beroep op de Schrift. We hebben mensen beschuldigd van ontrouw die geen ontrouw was. We hebben over schuld gesproken waar geen schuld was. We hebben van broeders en zusters, die weigerden instemming te betuigen met (een bepaalde vorm van) de doorgaande reformatie, gezegd dat ze de kerk niet meer zagen, de Vrijmaking verloochenden, geen Gideon en Daniël wilden zijn, etc. etc. En dat alles in naam van een goddelijk gebod van doorgaande reformatie, dat geen goddelijk gebod was. Wanneer dat inzicht doorbreekt, wankelt uiteraard de vrijgemaaktgereformeerde zuil. Want als er met anderen goed valt samen te werken in christelijke geest, verliest het exclusief vrijgemaakte optreden z’n zin.’ (pag. 117v).
Ik ben echt onder de indruk van deze analyse. Het getuigt van kracht en niet van zwakheid om terug te komen op een eerder ingenomen standpunt. En vooral: om verder te komen is het van belang om je over het verleden te uiten, hoe moeilijk dat ook is. Ik hoop maar, dat wij de kracht hebben om (op andere terreinen) ook zo naar het verleden te kijken.
Wat de toekomst van die organisaties betreft: Douma neemt aan, dat de vrijgemaakte zuil nog wel verder zal afbrokkelen.
‘Wat vrijgemaakt-gereformeerd was, zal in de meeste gevallen wel in confessioneel-gereformeerd veranderen’ (p. 121), waarbij hij hoopt dat de verandering gepaard zal gaan met kerkelijke vereniging van alle gereformeerde belijders in ons land.
Ik weet wat u nu denkt... U denkt nu: ‘nou, nou, als de doorbraak niet verder reikt dan het gereformeerde kringetje..’ .. Dat denk ik ook wel en ik kan er ter geruststelling bij zeggen, dat de auteur hierin niet helemaal consequent is.
Meteen aansluitend gaat hij namelijk betogen, dat de Drie Formulieren in de politiek (en op nog wat terreinen) niet nodig zijn; een meelevende Baptist mag ook meedoen. Maar als geheel blijft zijn blikveld wel tot het gereformeerde beperkt. Soms heb ik de indruk, dat hij de doorgaande reformatie als een ernstige, maar incidentele misser wil schrappen om de gereformeerde wereld waarvan die deel uitmaakte, verder onveranderd intact te houden.
En of dat gaat lukken...

Ghetto-situatie
Het aparte is, dat de inzet van de bespreking veel breder was. De auteur stelt de vraag aan de orde of het bezitten van eigen christelijke organisaties geen schaduwzijden heeft. ‘Zo stond er in Evangelical Quarterly in 1990 een artikel waarin iemand scherpe kritiek leverde op de Nederlandse christelijke organisaties. Hij sprak van een extreme ghetto-situatie, die eraan had meegewerkt dat de publieke zedelijkheid in Nederland merkbaar slechter was dan in een groot deel van Europa, waar christenen hun plaats waren blijven innemen in gemengde organisaties. Zo’n opmerking kunnen we niet zo maar naast ons neer leggen. Verwennen we elkaar misschien teveel, zodat de mensen ‘buiten’ minder van onze christelijke inzichten profiteren dan wanneer we in hun eigen midden onze bijdragen zouden leveren? We zouden lid kunnen worden van b.v.
een linkse organisatie om dáárin te zeggen en te doen wat van een christen verwacht mag worden! Als christenen zich apart gaan organiseren, aldus het artikel, neemt hun invloed op de totale maatschappij af.’ (pag 103 v).
Nu neemt Douma deze conclusie zelf niet over, maar neemt eruit mee dat we mèt onze eigen organisaties geen bolwerk mogen zijn, maar een taak voor de wereld hebben. Toch laat de kritiek uit 1990 mij niet los. Ik schrijf dit stukje midden in de roes van succes van het liberalisme: de euthanasiewet is erdoor, minister Borst is teruggefloten met haar begrip voor de pil van Drion maar senator Kohnstamm neemt het melodietje over en wil een brede discussie, waarbij het vooral moet gaan over de vraag of die pil nu echt alleen geschikt is voor bejaarden. Intussen moesten alle zwangere vrouwen maar eens getest worden of ze geen gehandicapt kindje verwachten, zodat er vroegtijdig geaborteerd kan worden.
Met al onze eigen organisaties, gereformeerd of niet, staan we een beetje te pruttelen langs de kant. Waarom gebeurt dat allemaal juist in Nederland? Ik heb mijn oordeel niet klaar, maar de verklaring van Evangelical Quarterly laat mij niet los. Daarmee heeft Douma, bij mij althans, meer onrust los gemaakt dan hij bedoeld zal hebben.

Wordt vervolgd.

n.a.v. dr. J. Douma, Hoe gaan wij verder? Ontwikkelingen in de gereformeerde kerken (vrijgemaakt). Kampen, 2001. 191 pagina's, fl. 29,90

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief