Voor wie is de wet?

2001-05-25
  • Jaargang 45
  • nummer 11
Aanleiding tot deze korte overdenking is de wet die onlangs is aangenomen ter legalisering (onder bepaalde omstandigheden) van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.
Wet en regelgeving hebben de laatste tijd naar aanleiding van dit wetsvoorstel sterk in de belangstelling gestaan. Daarom wil ik een ogenblik met u stilstaan bij de vraag: Wetten, voor wie zijn die eigenlijk? We horen Paulus in het voorgelezen stukje van zijn brief aan Timotheus zeggen dat de wet niet gesteld is voor de rechtvaardige, maar voor de wettelozen en de tuchtelozen en voor nog een hele serie zondaars meer.

Dat is wel een heel opmerkelijke uitspraak! Daarmee is immers gezegd dat de mens die goed leeft (de rechtvaardige) eigenlijk geen wet nodig heeft. Waarom niet? Omdat liefde voor hem het grote gebod is. Die liefde luistert wel naar de wet, naar wat voor dingen ze aan de orde stelt. (Anders wordt de liefde blind; uit naam van de liefde immers doen mensen soms de vreemdste dingen.) Maar de liefde kan het, niettegenstaande dat luisteren naar de wet, toch stellen zonder de dwang die aan de wet eigen is.

Verwijs naar opstanding
Laat ik er een voorbeeld van geven. Paulus waarschuwt in één van zijn brieven voor de zonde van de hoererij.
Hij zegt dan niet: Het mag niet, want het zevende gebod verbiedt het. (U weet wel, het zevende gebod van de wet der Tien Geboden: ‘Gij zult niet echtbreken’.) Nee, dat verbod van Gods wet komt bij hem dan niet ter sprake. Wat zegt hij dan wél? Hij verwijst naar de opstanding van Christus, waardoor onze lichamen geheiligd zijn. ‘Weet gij niet dat uw lichamen leden van (de opgestane) Christus zijn?’ (I Cor. 6 : 15).Dan ga je je lichaam toch niet voor zulke dingen als hoererij gebruiken? Het gebod en de wet hier hanteren zou Paulus te formeel en te uiterlijk hebben gevonden. Zoals ook wij het terecht een beetje te mager vinden als wij de zonde nalaten met als enig argument: Het mag niet!
Punt, uit! Pas als de liefde er achter staat krijgt het nalaten van de zonde z’n waarde. Maar de wet kan zelf voor die liefde niet zorgen. De wet zoals Paulus die hier naar voren brengt heeft dus maar een heel bescheiden en beperkte functie.

Grensstenen
Laten we maar bij de Tien Geboden blijven. Weet u, dat zijn eigenlijk tien grensstenen die het gebied afperken waarop wij God mogen dienen. Anders gezegd: de wet is een ondergrens waar je niet doorheen mag zakken.
Blijven we binnen die grensstenen of boven die ondergrens, dan is het vervolgens de liefde die onze gids is voor het goede leven naar Gods bedoelingen. De liefde en niet de wet. De Tien Geboden vormen dus niet meer dan een grens die je niet mag overschrijden. Daarom zijn ze ook overwegend negatief geformuleerd: ‘Gij zult niet...’, ‘Gij zult niet...’ Ze zijn bedoeld om het ergste buiten de deur te houden. Ik denk dat de apostel dat bedoelt als hij van de wet zegt dat ze meer voor de deugnieten is dan voor de mensen die uit liefde tot God het goede zoeken te doen. De wet keert zich tegen diegenen die de meest elementaire beginselen van het goede met voeten treden Ze is een garantie voor een moreel bestaansminimum.

Streng en argwanend
Maar wil de wet in die zin werkzaam zijn dan mag er op geen enkele manier aan getornd worden. De wet moet dan streng zijn en zelfs argwanend, uitgaande van de meest kwalijke bedoelingen die mensen kunnen hebben.
Op financieel gebied beseffen wij dat en we accepteren het ook. Lees maar eens de polis van een verzekering.
Hoe achterdochtig de wetgever daarin alle denkbare machinaties (listen) van de gebruiker de pas afsnijdt. Dat komt omdat de wet niet gemaakt wordt met de fatsoenlijke mens maar met de booswicht voor ogen. Die mag op geen enkele manier houvast aan de wet krijgen om zijn misdadige plannen uit te voeren. En precies dat is nu bij die nieuwe euthanasie-wet zo anders.
Die gaat uit van de fatsoenlijke mens die in staat wordt geacht zijn oordeel te geven over het ondraaglijk en uitzichtloos lijden van zijn medemens om zo aan diens verzoek om euthanasie gehoor te kunnen geven. Zij laat na, deze wet, om de twee criteria die genoemd worden (ondraaglijkheid en uitzichtloosheid van het lijden) kritisch onder de loupe te nemen, ze ondersteboven en binnenstebuiten te keren om haar zo af te schermen tegen misbruik.
Onderling overleg tussen patiënt, arts en een geraadpleegde arts volstaat om nota bene een grondgebod: ‘Gij zult niet doden’ buiten werking te stellen. Geeft dat voldoende waarborg? Ik vrees van niet. Om iets te noemen: Er wordt nu nog uitgegaan van compassie en medelijden met de lijdende medemens, maar wat, als dat bij de verharding van de samenleving waarvan wij allen vandaag getuige zijn anders wordt? Zal dan niet blijken dat er teveel gaten in die wet zitten waar de kwaadwilligheid doorheen kan kruipen?

Noodweer
Trouwens, láten de zaken die hier aan de orde zijn zich wel wettelijk regelen? Het is ongetwijfeld waar dat er uitzonderingen zijn op het gebod ‘Gij zult niet doden’. Neem nu de noodweer. Dat een mens die aan het leven bedreigd wordt ter zelfverdediging, uit nood dus, zijn aanvaller doodt. Dat wordt terecht geaccepteerd. Maar noodweer ga je toch niet wettelijk regelen?
Ook ten aan zien van het negende gebod: ‘Gij zult geen vals getuigenis geven’, zijn er wel uitzonderingen.
We spreken dan van noodleugen. Maar geen zinnig mens gaat toch een wet maken die de noodleugen aan regels bindt? Juist het feit dat noodleugen noodleugen is maakt dat onmogelijk. Nood wijst op verlegenheid en verlegenheid is geen basis voor wetgeving. Of neem diefstal. ‘Men verachte de dief niet als hij steelt om zijn maag te vullen’, lezen we bij Salomo (Spr. 6 : 30). Okee, maar daarom is het nog wel stelen (toch, mijnheer Muskens?). Zo is er nu ook ruimte voor nood-‘euthanasie’. Dat weten we allemaal. Doktoren staan soms met de rug tegen de muur. Maar dat wil nog niet zeggen dat daar een wet voor gemaakt moet worden. Er moet een absoluut taboe blijven rusten op levensbeëindigend handelen. Nee, ik zeg niet dat dat in alle gevallen bestraft moet worden (zomin als de noodweer of de noodleugen of het stelen-uit-honger), maar het moet wel onder alle omstandigheden bestrafbaar blijven en als onwettig worden aangewezen.
Noodleugen moet leugen blijven heten, noodweer doodslag, stelen-om-demaag-te-vullen diefstal en euthanasie moord. Ter ondersteuning van het morele besef onder de mensen.

Veilig
En ook omdat juist de aan het leven bedreigde mens zich veilig moet weten in de handen van de dokter. Hij mag niet ten prooi vallen aan angsten dat zijn recht op leven niet meer in alle opzichten als een paal boven water staat. Morrelen aan een grondgebod ondergraaft dat basale gevoel van veiligheid. Ook dat dit met de beste bedoelingen gebeurt kan niet echt geruststellen. Want als de goede bedoelingen al lang vergeten zijn, bestaat die wet nog. Zoals gezegd: Nu is er nog compassie met de lijdende mens. Maar blijft dat wel zo, als de hardvochtigheid die nu alom in opkomst is, het voor het zeggen krijgt?
‘Uitzichtloos en ondraaglijk lijden’, hoe gaat dat in de toekomst ingevuld worden?
Als je ziet dat het vermogen om lijden te verduren zienderogen afneemt, bij de lijder zelf, bij familie en omstanders en in de samenleving? De glijdende schaal en het hellende vlak vormen geen denkbeeldig gevaar. Het glijden is trouwens al begonnen.

Menselijke natuur
En dat brengt me nog eens op de voornaamste reden waarom er op geen enkele grond wettelijke ruimte geschapen mag worden voor hulp bij zelfdoding. Die is gelegen in de aard van de menselijke natuur die geneigd is tot het kwade, zoals ons in de kerk geleerd wordt en ook uit de ervaring valt op te maken. In een tijd dat de publieke zede met sprongen achteruit holt (denk aan de groeiende criminaliteit: stelen, frauderen, liegen, echtbreken, moorden) is het zonder meer te verwachten dat van zo’n euthanasiewet misbruik zal worden gemaakt. Dat is eigenlijk het meest enge aan die nieuwe wet dat ze uitgaat van de goedheid van de mens. Wat is dat toch een taaie humanistische gedachte: het geloof in de goedheid van de mens,tegen alle klaarblijkelijkheid in. De bijbel zegt: ‘Wie vuil is wordt nog vuiler’ (Opb. 22 : 11). Dat zie je vandaag gebeuren en daar biedt deze wet geen of te weinig verweer tegen. Hoe waar is daarom wat de apostel zegt: ‘De wet is gesteld voor wettelozen en tuchtelozen, voor goddelozen en zondaars, voor onverlaten en onheiligen, voor vadermoorders en moedermoorders en doodslagers, hoereerders, knapenschenders, meinedigen en al wat verder ingaat tegen de gezonde leer...’ Hoe waar is dat en hoe zou het ook in onze tijd behartigd moeten worden! Ter bescherming van en uit eerbied voor het wonder van het menselijk leven dat God geeft.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief