Op weg naar een nieuwe basisopleiding...

2001-06-22
  • Jaargang 45
  • nummer 13
Dat is de hoopvolle titel van het lijvige commissierapport over de opleiding van a.s. predikanten binnen de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK).
De Landelijke Vergadering (LV) van dit kerkverband zette het gesprek over de opleiding op 9 juni voort. Het viel niet mee om ook echt ‘samen op weg’ naar zo’n basisopleiding te gaan.

Steunbehoevende kerken
Na de opening en de nodige huishoudelijke zaken, is eerst het rapport van de commissie Steunbehoevende kerken (CSK) aan de orde. Deze commissie is ingesteld om gemeentes die een structureel begrotingstekort hebben, financieel te ondersteunen. Het gaat dan vooral om kleinere gemeentes die een eigen predikant hebben. De CSK heeft zelf al grondig nagedacht over de criteria waaraan een gemeente moet voldoen om voor ondersteuning in aanmerking te komen. Toch had zij nog twee vragen aan de LV: hoelang mag structurele ondersteuning duren? En: wat is het minimale aantal leden van een gemeente om voor steun in aanmerking te komen? Deze vragen spelen juist nu op, omdat de uitgaven van de CSK de laatste jaren behoorlijk zijn opgelopen. Er wordt op de reserves geteerd. Br. H.G. Lakerveld, die namens de commissie een toelichting geeft, vindt dat laatste niet goed. Hij zou het ‘pijnlijk’ vinden, als er bij noodgevallen geen geld meer is om bij te springen. In het commissierapport stond al een voorstel om de bijdrage uit de kerken te verhogen tot fl. 8,- per lid.
Tegelijk zag de CSK in, dat zo’n verhoging niet alle problemen kan oplossen.
Moeten er misschien scherpere criteria worden aangelegd? Op verzoek van de LV (tweede zitting) heeft de CSK daarover nagedacht en een voorstel geproduceerd. In dit voorstel valt op, dat alleen gemeentes met minstens 125 leden in aanmerking komen voor steun en dat de maximale steun niet meer dan 40 % van het predikantstraktement bedraagt (nu 60 %).
De commissie nuanceert de eerste voorwaarde wel met een ‘tenzij’: er kunnen uitzonderingen gemaakt worden op basis van andere overwegingen.
In de bespreking haakt br. J. Bos daar op in. Hij wil de hulpverlening niet beperken, maar juist uitbreiden. Een norm van 125 leden is veel te zakelijk. Hij doet namens de gemeente van Lisse een appel: ‘help de kleine gemeentes’! Het gaat hem dan niet in de eerste plaats om financiële hulp. De huidige CSK is wel wat al te zakelijk van opzet. Er zijn ook andere manieren van hulpverlening. In Lisse kan men met 75 leden best goed functioneren o.a. door samenwerking met de Christelijke Gereformeerden ter plaatse en door goede begeleiding van de STAGG. Br. Bos wil dat een commissie (bv. een uitgebreide CSK) kleine gemeentes helpt bij het zoeken van andere vormen van ondersteuning.
Br. D. van der Veen, uit het genabuurde Katwijk, waarschuwt voor al te enthousiaste verhoging van landelijke bijdragen. Kleine gemeentes, die zich nu net kunnen bedruipen, raken door te hoge landelijke lasten steunbehoevend. En dat is niet de bedoeling.
Ds. J. van ’t Hof benadrukt dat hulpverlening vooral een geestelijke zaak is: algemene richtlijnen mogen niet de doorslag geven. Ds. G.J. Zwarts formuleert ad hoc een voorstel om de opdracht van de CSK in inhoudelijke en pastorale zin uit te breiden. Kortom: ‘steun’ moet dus meer zijn dan financiële steun. Het voorstel regelt verder dat de regio’s structureel bij de begeleiding van steunbehoevende kerken worden betrokken. Daarin klinkt iets door van de wens van ds. K. Muller, dat de kerken elkaar meer kunnen steunen door predikanten als ‘consulent’ werk te laten doen in vacante gemeentes.
Ds. Zwarts stelt verder voor, dat ook de ‘geestelijke groeipotentie’ van een gemeente als criterium geldt voor steunverlening. Zo kan een kleine gemeente, vanwaaruit veel evangelisatiewerk wordt gedaan, toch steun krijgen. Tenslotte moet de CSK nieuwe stijl ook in staat zijn om gemeentes te begeleiden in processen van reorganisatie (bij doorstart) of afbouw (bij opheffing) van het gemeenteleven.
Over het commissievoorstel en over het voorstel Zwarts wordt een volgende keer gestemd.

Geld speelt geen rol...
Br. F. van Egmond geeft vervolgens een toelichting bij het verslag van de Diaconale Commissie (DC). De DC houdt o.a. toezicht op het werk van de Stichting voor ambulante geestelijke gezondheidszorg (STAGG). Omdat deze stichting werk doet ten dienste van de NGK, vraagt zij jaarlijks een financiële bijdrage van deze kerken. Alleen blijkt nu, dat verschillende kerken deze bijdrage niet kunnen of willen betalen.
De voortgang van het werk komt daardoor in gevaar. Br. Van Egmond vraagt zich af: ‘Geld speelt geen rol voor een Heer van stand, waarom voor zijn kinderen dan wel’? De DC verzoekt de LV daarom, voortaan landelijk bijdragen te innen voor de STAGG, in de hoop dat de opbrengst dan groter is.
De broeders L.C. van den Berg en G. van Raalte gaan daar niet zomaar mee accoord. Zij vinden niet, dat de kleine NGK een eigen voorziening voor geestelijke gezondheidszorg moeten onderhouden.
Br. Van den Berg wil niet koste wat het kost dit ‘eigen werk’ in stand houden en bepleit een aanleun-optie bij bv. de stichting Eleos. Br. Van Egmond is het daar niet mee eens. De STAGG heeft namelijk eigen expertise opgebouwd in de zgn. ‘tweedelijnszorg’ en is zo een ‘aanvullende hulpinstantie’.
Andere instanties verwijzen wel eens mensen naar de STAGG en vice versa.
Daarom: ‘we moeten de STAGG in leven houden zo lang we kunnen’. Ds. C.T. de Groot vraagt zich af, of een kerkverband zomaar geld kan innen voor een stichting. Ds. Muller wil daarom eerst overleg met de financiële commissie, voordat de LV een besluit neemt. Dat overleg komt er, zodat pas een volgende keer gestemd wordt over het verzoek van de DC.

Jeugdwerk: Nederlands Gereformeerd?
Alle NG-kerkenraden kregen in het voorjaar van 2000 een brief van de Stichting Nederlands Gereformeerd Jeugdwerk (NGJ). In deze brief vertelt het NGJ iets over de gewijzigde koers: van landelijk naar lokaal, van 16 + naar tieners. De stichting heeft zelfs een eigen medewerker aangesteld als ‘tienercoach’ (André Maliepaard), die het plaatselijke clubwerk op professionele wijze kan ondersteunen. Het NGJ vraagt daarvoor financiële steun van de NGK: fl. 2,- per lid. De kerk van Lelystad schreef daarop een brief aan de LV, met het verzoek om het jeugdwerk eens landelijk te bespreken.
Ter vergadering licht ds. De Groot deze brief toe: ‘ik denk dat we gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het jeugdwerk’. Hij weet dat de statuten en het bestuur van het NGJ ook nadrukkelijk aansluiting zoeken bij het kerkverband. Daarom roept ds. De Groot de LV op: ‘laten we er een kerkelijke zaak van maken’. Hij dient namens de kerk van Lelystad een voorstel in van die strekking. De meeste afgevaardigden kunnen zich er wel in vinden. Br. I. van Keulen vindt het van ‘eminent belang’ dat het jeugdwerk ‘professioneel’ begeleid wordt. Hij pleit daarom voor ruime financiële steun voor het jeugdwerk, want ‘die jonge Maliepaard moet wel eten’. Voormalig NGJ-bestuurslid br. J.M. Louwerse mist wel wat in de huidige koers van het NGJ.
Voor de organisatie van het jeugdwerk is veel aandacht, maar voor de ‘inhoudelijke bijdrage…leunen we sterk op anderen’. Hij is er niet van overtuigd, dat het NGJ om meer kerkelijk te worden de stichtingsvorm moet opgeven. Het voorstel van Lelystad wordt nu op enkele punten aangepast en vervolgens met een grote meerderheid door de vergadering aanvaard. De kerken besluiten daarmee tot het instellen van een ‘commissie jeugdwerk’ die gaat onderzoeken hoe zij ‘zonodig in een andere vorm dan die van een stichting’ ‘zowel inhoudelijk als financieel verantwoordelijk kunnen zijn’ voor het werk van het NGJ. Ondertussen roept de LV haar op, het jeugdwerk ‘van harte en royaal te (blijven) steunen’.

Opleiding predikanten
De LV gaf op 21 april het moderamen de opdracht om met het bestuur van het Nederlands Gereformeerd Seminarie te gaan praten over het voorstel van de commissie Opleiding predikanten (COP). Dat gesprek heeft op 23 mei plaatsgevonden en de praeses, ds. J. Bouma, doet daarvan verslag.
Hij vond het gesprek ‘positief’, er was een ‘open en broederlijke sfeer’. De bezwaren van het NGS spitsen zich op twee punten toe. In het rapport van de COP wordt volgens het NGS te weinig rekening gehouden met ‘late roepingen’, mensen die op latere leeftijd predikant willen worden. Het seminarie biedt hen een ‘deur’ naar het ambt.
Het andere, ‘meest principiële’ bezwaar is, dat het NGS geen theologen, maar dominees wil opleiden. Een theologenopleiding geeft veel aandacht aan de ‘voorvragen’, een domineesopleiding richt zich vooral op ‘praktische schriftkennis’. Het moderamen is het met het NGS eens dat er aandacht moet zijn voor ‘late roepingen’. Het had echter ook een tweetal vragen aan het NGS: is er inhoudelijk nu echt zo’n groot verschil tussen het NGS en de opleiding in Apeldoorn of Kampen (vrijgemaakt)?
En: welke garanties kan het NGS geven voor het academisch niveau van de opleiding? De praeses constateert dat er aanzienlijke verschillen zijn blijven bestaan, maar hij denkt dat deze niet onoverbrugbaar zijn. Er is ‘veel meer overeenkomst’. En ‘ook in de kerken zelf leven we met…verschil in inzicht naast elkaar’. Hij zou graag zien, dat het NGS mee doet in de uitwerking van de aanzet die door de COP is gegeven. Het moderamen heeft zelf, op basis van het COP-rapport, een uitgebreid voorstel geformuleerd.
Dit voorstel doet weer het nodige stof opwaaien. Ds. Zwarts roept de LV op tot realiteitszin. Een eigen basisopleiding is niet hét antwoord, want er zullen altijd studenten zijn die elders beginnen met hun studie. Hij ziet liever een open instroom, goede begeleiding en een gezamenlijke afronding.
Enkele afgevaardigden willen in het moderamenvoorstel een duidelijker omschrijving van wat ‘het eigene van de kerken’ inhoudt. Br. K.R. Veenhof onderstreept nog eens het commissiestandpunt.
Hij vindt het ‘verduisterend’, dat het NGS heel globaal spreekt over "het gevaar van de theologie". ‘Wij vechten voor het waardevolle van de theologie’. Ook benadrukt hij het belang van praktische argumenten: studenten willen graag studiefinanciering, en dat kan alleen via een erkende opleiding.
Ds. J.J. van Es spreekt namens de regio Harderwijk zijn twijfels uit over de wenselijkheid van de aanleun-optie.
Hij herhaalt zijn standpunt, dat de huidige situatie naar tevredenheid van de kerken is. Het ‘geschetste scenario ziet er gewoon niet beter uit dan wat we nu hebben’. Ds. Van Es memoreert, dat er nog een heleboel vragen zijn blijven liggen die tijdens de derde zitting zijn gesteld. Hij vindt dat het gesprek met het NGS moet worden voortgezet. In de houding van de kerken ten opzichte van het NGS merkt hij een ‘verschuiving’. In Doorn (LV 1998) was er zorg om de versnippering in de opleiding en om het teruglopende studentental. Met het NGS als zodanig was er geen moeite.
Die moeite lijkt er nu wel te zijn.
Een deel van de kerken in zijn regio staat verder op het standpunt: ‘je dient als kerken je eigen dominees gewoon helemaal zelf op te leiden’. Ds. J. Kiers vindt dat de LV vorm en inhoud verwart.
Er wordt nu gesproken over de vorm (de opleiding), maar eerst moet duidelijk zijn wat een predikant eigenlijk nodig heeft (de inhoud).
Ds. Bouma reageert namens het moderamen op de gestelde vragen. Hij benadrukt dat het moderamen wil dat de kerken ‘gezamenlijk een weg gaan’.
Van het NGS mag dan iets gevraagd worden, ook al doet dat pijn. Er is geen sprake van, dat de kerken ‘goed varende schepen’ achter zich verbranden, zoals ds. Van Es opmerkte.
Veeleer gaan de kerken bezig om samen iets nieuws op te bouwen: een instituut, ‘waar alle of zoveel mogelijk studenten heen gaan’. De praeses nodigt de afgevaardigden uit om wijzigingsvoorstellen schriftelijk bij het moderamen in te leveren. Tijdens de volgende zitting, op 23 juni, kan het gesprek over de opleiding dan (min of meer) afgerond worden.

De predikantsopleiding
COP
De commissie Opleiding predikanten (COP) kreeg van de LV van 1998 de opdracht mee, te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om het onderwijs van het Nederlands Gereformeerde Seminarie (NGS) en de Theologische Studiebegeleiding (TSB) te integreren tot één basisopleiding. De commissie kwam er al snel achter dat die mogelijkheden er nauwelijks zijn. Het is, naar het oordeel van de COP, voor de NGK heel moeilijk om een eigen basisopleiding op te zetten en in stand te houden. Dat kost namelijk veel geld, omdat overheidserkenning niet haalbaar is. Ook zijn daarvoor veel gequalificeerde docenten nodig. Bovendien is het voor studenten helemaal niet aantrekkelijk om –zonder studiefinanciering in een academisch isolement aan een kleine instelling te studeren.
Met deze conclusie kun je twee kanten op. Het ene alternatief is, dat de NGK de bestaande situatie gewoon handhaven.
Aanstaande predikanten krijgen dan hun hele opleiding aan de Theologische Universiteit Apeldoorn (TUA) of volgen de basisopleiding van het NGS en ronden elders hun studie af. Dit alternatief wordt o.a. door de regio Harderwijk bepleit.

De aanleun-optie
Het andere alternatief staat bekend als de ‘aanleun-optie’. Of, meer officieel: een organisatorisch-bestuurlijke link met een bestaand wettelijk erkend opleidingsinstituut.
In dit scenario schrijven theologiestudenten zich in bij een bestaand instituut in en volgen daar het grootste deel van hun studie. Maar een deel van de vakken volgen zij dan via een eigen NGK-instituut. Aan zo’n instituut krijgen studenten dan iets mee van de NG-huisstijl, van het eigene van NGS en TSB. De COP was het er unaniem over eens, dat dit alternatief wenselijk is. De conclusies en aanbevelingen bij het commissierapport gaan die kant ook op.

De LV tot nu toe
Tijdens de derde zitting kwamen daar kritische vragen over. De COP is zo toch eigenlijk haar boekje te buiten gegaan?
Ze heeft namelijk meer gedaan dan wat haar opgedragen was, door zelfstandig de ‘aanleun-optie’ te onderzoeken? Na de nodige discussie gaf een meerderheid van de afgevaardigden achteraf toestemming voor de door de COP gevolgde handelwijze.

Het moderamenvoorstel
Daarmee had de LV inhoudelijk nog niets besloten over de opleiding. Daarom kwam het moderamen 9 juni tijdens de zesde zitting met een voorstel, in de lijn van de aanbevelingen van de COP. Als dat voorstel wordt aangenomen, spreekt de LV o.a. uit:
• dat de COP ‘met goede argumenten’ gekozen heeft voor een onderzoek naar een eigen ‘opleidings- en begeleidingsinstituut’ (I.a.);
• dat ‘het eigene van de kerken zoals die vorm heeft gekregen in de TSB en het NGS’ in zo’n instituut ‘een plaats behoort te hebben’ (II.d.);
• dat de NG-kerken aan zo’n instituut goede docenten moeten aanstellen die ‘bewezen hebben op adacemisch niveau te kunnen werken’ (II.e.);
• dat de kerken te klein zijn om ‘op verantwoorde wijze’ een eigen instituut draaiende te houden (IV.d.e.);
• ‘dat er mogelijkheden zijn voor een eigen… instituut in combinatie met in schrijving en studie’ aan de TUA (III.a.);
• dat het in verband met de "kleine oecumene" wenselijk is dat de theologische opleiding van de NGK ‘op enige wijze’ wordt betrokken in de samenwerking van de TUA en de Theologische Universiteit Kampen (vrijgemaakt) (III.c.);
• ‘dat van het NGS maximale medewerking aan de totstandkoming van een eigen…instituut…mag worden verwacht’ (VI.b.).

De COP krijgt volgens het voorstel de opdracht om in de komende jaren een meer concreet voorstel uit te werken.
Opvallend is het laatste onderdeel van het voorstel, nl. dat het besluit van deze LV ‘als een voorlopig besluit’ zal worden voorgelegd aan een ‘voortgezette LV’. Een ‘voortgezette LV’ is een speciale vergadering, waarnaar alle kerken die het Akkoord van Kerkelijk Samenleven (AKS) aanvaarden direct een afgevaardigde sturen. (Bij een normale LV is de afvaardiging indirect, via de regio’s. Vgl. AKS, art. 38). Voor dit middel zou de LV kunnen kiezen om zo zeker te zijn van een zo groot mogelijke steun voor een besluit over de opleiding. Het middel van de ‘voortgezette LV’ werd eerder ingezet in 1979 (Wezep) toen de NGK een besluit namen over de naam van het kerkverband en over het AKS.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief