Degeneratie en evolutie

1998-01-09
  • Jaargang 42
  • nummer 1
Graag wil ik reageren op de positiefkritische recensie van mijn boek 'Degeneratie, het einde van de evolutietheorie' in Opbouw van 12 december door Jan A. Mol. In het artikel wordt de suggestie gewekt (en daarna bestreden) alsof het in de degeneratietheorie mogelijk zou zijn dat alle soorten uit één hogere oersoort zouden kunnen ontstaan.
Dit is absoluut niet het geval. In het boek wordt duidelijk gesproken over een meervoudige oorsprong van het leven (of scheppingsorde, zo u wilt) en er is een heel hoofdstuk gewijd aan het bepalen van de (niet te overschrijden) grenzen tussen deze typen. Vervolgens bestrijdt dhr. Mol de gedachte alsof alle variatie het gevolg van degeneratie zou zijn. Ook dat is echter absoluut niet wat ik stel in mijn boek. Ik benadruk nu juist dat het vooral de recombinatie is die nieuwe variatie tot stand brengt. De recombinatie is een (door God) ontworpen mechanisme dat ervoor zorgt dat het directe nageslacht een nieuwe combinatie van bestaande genen van de ouders ontvangt. Dit mechanisme is in veel sterkere mate verantwoordelijk voor biologische verandering dan mutaties (= kopieerfoutje in het DNA), terwijl de recombinatie altijd voor geheel unieke individuen zorgt. Van mutaties is verder bekend dat 99% schadelijk is (= degeneratie).
Als er daarom beoordeeld moet worden waardoor biologische verandering tot stand komt, dan is dat op de eerste plaats vooral de recombinatie. Dan, mijlenver daar achteraan, degeneratie en vervolgens enorm ver dáárachter en slechts in zéér beperkte mate: moleculaire 'evolutie'.
Voor alle duidelijkheid: ik stel dat het leven begonnen is met de creatie van in complexiteit en structuur verschillende oertypen (oermens, oerkat, oerrund, oerwolf etc.). Vanuit deze oertypen is een uitwaaiering aan varianten en ondersoorten mogelijk (door de recombinatie), waardoor we de diversiteit en soortenrijkdom waarnemen die er nu is (10 tot 100 miljoen 'soorten').
Deze differentiatie houdt echter wel in dat ondersoorten steeds minder genetische diversiteit hebben dan hun voorouders. Door mutaties treedt vervolgens ook degeneratie op. Dit betekent dat soorten genetisch dus steeds armer worden in de loop van de tijd. Voor macro-evolutie zou juist een gestage generatie van nieuwe genen nodig zijn (geweest), en dat is nou net wat we niet waarnemen. Bijbels gezien is de mens gevallen en daardoor is hij en de schepping vervallen.
Na de val lezen we: "dorens en distels zal de aarde voortbrengen"; Kaïn kon met een zus nageslacht krijgen omdat zij nog geen enkele erfelijke ziekten onder de leden hadden, in tegenstelling tot ons; de leeftijd van de mensen tussen Adam en Noach was honderden jaren, na Noach neemt het snel af, tot de schamele 80 die wij net halen (onder intensieve medische begeleiding) - de mensheid heeft aan een ernstige vorm van genetische degeneratie geleden.
Resumerend: Charles Darwin heeft wel iets ontdekt (namelijk dat er zoiets als natuurlijke selectie is), maar zijn fout was dat hij een richting aan de biologische verandering gaf. Er zou een ontwikkeling van laag naar hoog zijn. De huidige inzichten in de genetica laten juist zien dat er géén richting is en dat áls er een richting aangegeven moet worden deze naar beneden gericht is. Vandaar dat de theorie die hier rekenschap van geeft getiteld is als tegenhanger van die ontwikkelingsgedachte: de degeneratietheorie.

Peter Scheele, Eindhoven

Auteur van “Degeneratie, het einde van de evolutietheorie”.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief