Tekst en uitleg
2000-03-31
"Bevelen waren voor mij het allerhoogste en dienden gehoorzaam te worden uitgevoerd. ... Het zou denkbaar zijn geweest, dat de beroemde kameel door het oog van een naald kroop, maar het was ondenkbaar, dat ik een bevel niet zou hebben uitgevoerd."?- Jaargang 44
- nummer 7
De bovenstaande regels zullen de lezer misschien niet veel zeggen.
Ongetwijfeld wordt het anders wanneer het vraagteken plaats maakt voor de naam van de auteur: Adolf Eichmann, de Duitse oorlogsmisdadiger die op 31 mei 1962 in Israël is terechtgesteld vanwege zijn aandeel in de moord op talloos veel Joden. Nadat hij in mei 1960 was gearresteerd, is hij in zijn cel zijn memoires gaan schrijven, met als inleiding daarop de tekst waaruit hierboven geciteerd is. "Hij erkent in zijn verhaal dat hij na de Duitse nederlaag geheel van streek was. De autoriteiten naar wiens bevelen hij zijn leven had ingericht waren hem in één klap ontvallen. Voor het eerst begon hij na te denken over de zin van zijn leven.
Hij moest toegeven dat een leven gebaseerd op gehoorzaamheid in feite tot gemakzucht had geleid." (NRC Handelsblad van 13 augustus 1999) Dat neemt niet weg, dat Eichmann zich blijft verschuilen achter zijn superieuren.
"Bevel is bevel," zo luidde zijn verdediging.
Het weerhield zijn rechters er niet van hem de verantwoordelijkheid voor de organisatie van de vernietiging van de Joden toe te rekenen. De gedachtegang daarachter is natuurlijk, dat je van volwassen mensen mag verwachten dat ze nadenken voor ze bevelen uitvoeren, zeker als het gruwelijke en criminele bevelen betreft. Met andere woorden: het verweer 'bevel is bevel' loopt stuk op de mondigheid waarop mensen mogen en moeten worden aangesproken.
’Hoezo eigenlijk?’
Het voorbeeld van Eichmann toont aan, hoe verschrikkelijk het kan misgaan wanneer mensen zich onmondig gedragen.
Als gezag zodanig functioneert, dat mensen klakkeloos aan hun superieuren gehoorzamen en slaafs de instructies opvolgen die ze van hen krijgen, ontspoort het! Zo gezien is mondigheid een groot goed, waartoe mensen moeten worden opgevoed.
Wees er blij meehoe vermoeiend het ook kan zijn - als jongeren kritische vragen stellen aan het gezag en niet alles voor zoete koek aannemen.
Zij zullen zich alleen tot verantwoordelijke mensen kunnen ontwikkelen, als ze geleerd hebben zich een eigen oordeel te vormen en op goede gronden de denkbeelden en normen over te nemen die hun worden bijgebracht.
Dat geldt ook in de kerk. Vermoeiend is het zeker, dat tegenwoordig niemand meer iets kan beweren zonder reacties te krijgen in de trant van 'Hoezo eigenlijk?' Wat was het leven vroeger eenvoudig, toen de meeste mensen ervan uitgingen dat dominee het wel zou weten, en toen kerkenraden alleen maar de instructies hoefden op te volgen die de synode gaf. Maar wie zou nog naar die tijd terug willen?
De praktijk heeft bewezen dat dominees en synodes het nodig hebben dat ze nagerekend worden.
Zouden er nog wel Nederlands Gereformeerden zijn die dat niet nodig vinden? Anders wordt het echter, als die mondigheid wordt toegepast op het lezen van de Bijbel. Het gezegde 'dat staat in de Bijbel' wordt geacht het einde van alle tegenspraak te betekenen.
Maar wat, als de mondige gelovige ook daarbij de vraag stelt 'hoezo eigenlijk?' Mag dat? Moet het misschien zelfs? Het argument 'het staat er toch' zou er toe kunnen leiden, dat verder nadenken overbodig wordt geacht. En krijg je dan geen gekke dingen?
Geldt soms ook van de denkbeelden en normen die wij rechtstreeks aan de Bijbel menen te ontlenen, dat we er goede gronden voor moeten hebben alvorens we ze kunnen overnemen?
’Met gedekten hoofde’
Dat klinkt naar wantrouwen ten opzichte van de Bijbel. Is het feit dat iets in de Bijbel staat, al niet reden genoeg om het te aanvaarden? Je zou zeggen van wel. Maar dan toch weer: ook als in de Bijbel zou staan dat de vis in de buik van Jona terecht is gekomen?
Houdt mondigheid niet in, dat we op een of andere manier toch ook zelf inzien dat iets is zoals het in de Bijbel staat? Van ons wordt toch niet gevraagd, dingen te slikken die we innerlijk niet aanvaard hebben? Naar mijn idee hoort het inderdaad bij de mondige houding die God zelf bij ons verwacht, dat we in zekere zin tekst en uitleg kunnen geven als we op grond van de Bijbel bepaalde geloofsbeslissingen nemen. Een voorbeeld.
In het vorige artikel werd reeds aangeduid, dat Paulus in I Corinthiërs 11:13,14 een beroep doet op het gezond verstand van zijn lezers. Hij rekent erop dat zij zullen inzien waarom vrouwen niet blootshoofds moeten bidden of profeten (11:5). Hij volstaat niet met het poneren van de stelling dat een vrouw het hoofd moet dekken bij het bidden (11:6), maar draagt daarvoor argumenten aan. Met andere woorden: Paulus eist geen slaafse gehoorzaamheid onder het motto 'bevel is bevel', maar geeft zelf tekst en uitleg. Hij nodigt zijn lezers uit met hem mee te denken om zo te komen tot innerlijke aanvaarding van de regel die hij stelt.
Dat is een belangrijk gegeven. Paulus zelf blijkt als eerste de vraag 'hoezo eigenlijk?' te stellen! Hij rekent op mondige lezers, die niet klakkeloos doen wat hij zegt maar ook zelf een weg met hun denken afleggen om te komen op het punt waar hij ze hebben wil. Prachtig natuurlijk. Maar er zit ook een keerzijde aan. Stel dat de argumentatie niet overtuigt, wat dan? Krijgt het Schriftgezag dan de korzelige toon van 'bevel is bevel'? Of heeft dan het voorschrift, dat vrouwen het hoofd moeten dekken bij het bidden, zijn langste tijd gehad? Het laatste, zou ik zeggen. De praktijk leert, dat voorschriften op den duur hun kracht verliezen als het niet meer lukt ze overtuigend te beargumenteren.
Neem de bewuste passage, I Corinthiërs 11:3-15.
Paulus beroept zich onder andere op 'de natuur', 11:14. "Mannen met lang haar? De eerste de beste niet-christen kan je vertellen dat dat 'niet kan'." Ja, dat gold toen. Maar Calvijn reeds merkte op dat in zijn dagen 'de natuur' helemaal niet leerde dat het een schande voor mannen is om lang haar te dragen. Daar gaat het argument!
Trouwens, ook de conclusie van 11:10 stelt ons voor problemen. Niemand weet (meer) wat Paulus precies bedoelt als hij zegt dat de vrouw 'een macht' op het hoofd moet hebben 'vanwege de engelen'.
Daarmee neemt ook dit deel van de argumentatie in waarde af. Wat heb je aan de verwijzing naar de schepping in 11:7- 9, als de conclusie voor raadsels stelt? Het gevolg kon niet uitblijven: ook het voorschrift als zodanig heeft voor de meeste vrouwen zijn zeggingskracht verloren.
Natuurlijk, het beroep op het 'kale' Schriftgezag heeft heel lang kunnen bewerken dat het 'met gedekten hoofde' bleef functioneren: "Het staat er toch?!" Maar laten we er geen illusie over hebben: als je totaal niet meer inziet waarom het goed is om als vrouw lang haar te hebben of een hoed op te zetten bij het bidden, dan wordt het voorschrift op den duur onherroepelijk nietszeggend.
Het is werkelijk van groot belang dat het Schriftgezag niet autoritair wordt opgelegd, maar gepaard gaat met innerlijke aanvaarding.
De vrouw in het ambt
Het is goed en nodig om dat ook te beseffen bij de discussies over vrouwelijke ambtsdragers. Is dat iets dat niet naar Gods wil is?
Veel orthodoxe christenen komen inderdaad tot die conclusie. Zij beroepen zich daarvoor op bijbelteksten die klare taal lijken te spreken. Toch is daarmee het pleit nog niet beslecht. Enkel zeggen 'Het staat er toch!' is niet genoeg. Iets van duidelijkheid waaróm God het niet zou willen, is onontbeerlijk. Vaak wordt vergeten, dat men zich gedurende de eeuwen die achter ons liggen óók niet alleen op bijbelteksten beriep om het kerkelijk ambt voor vrouwen gesloten te houden. Men beschikte wel degelijk over inhoudelijke argumenten.
Het gevoelen dat vrouwen niet echt geschikt waren om in het ambt leiding te geven aan de gemeente van Christus werd breed gedeeld. Zo schrijft G. Ch. Aalders in 1941 in zijn Korte Verklaring op Prediker 7:28 "dat de algemeenmenschelijke verdorvenheid zich bij de vrouw nog sterker openbaart dan bij den man." Als je dat werkelijk gelooft, heb je natuurlijk alle reden om geen vrouwen tot ambtsdrager in de kerk te benoemen. Men meende in te zien waaróm de zwijgteksten in de bijbel staan: de vrouw is dieper in het moeras van de zonde weggezonken dan de man. 'Meende': dat is verleden tijd. In de tegenwoordige tijd zal niemand het Aalders meer nazeggen.
Ook tegenstanders van de vrouw in het ambt roepen om het hardst dat de vrouw niet minder is dan de man, maar anders; dat man en vrouw weliswaar niet gelijk zijn, maar wel gelijkwaardig. Wat ze daarmee ook precies bedoelen, het is in elk geval iets heel anders dan wat Aalders indertijd schreef. Gelukkig maar.
Intussen is het daarmee veel moeilijker geworden dan voor vorige generaties om inhoudelijk te beargumenteren waarom vrouwen geen ambtsdrager mogen zijn. Over blijft meestal slechts het kale beroep op de 'zwijgteksten'.
Dat krijgt daardoor iets onwerkelijks en gewrongens. Daar loop ik als studiebegeleider tegen aan. Wat moet ik zeggen tegen vrouwelijke theologische studenten die graag dominee willen worden? Ik kan de lezer verzekeren, dat zij in gelijke mate als mannen bevlogen kunnen zijn om het evangelie te brengen, begiftigd met de talenten die daartoe benodigd zijn, beschikkend over het geestelijk onderscheidingsvermogen om gezaghebbend te kunnen waken over de rechte leer.
Moet ik tegen zulke vrouwen zeggen dat ze in de gemeente moeten zwijgen en thuis hun man om opheldering vragen (I Corinthiërs 14:34,35)?
Moet ik hun op I Timotheüs 2:14,15 wijzen en voorhouden, dat de vrouw door de verleiding in overtreding is gevallen en dat haar roeping in het moederschap ligt? Nog afgezien daarvan dat niet alle theologische studenten trouwen en kinderen krijgen: ik kan met de beste wil van de wereld niet inzien dat de argumenten die toen golden om deze dingen tegen vrouwen te zeggen, ook betrekking hebben op de vrouwen zoals ik ze nu tegen kom. Er is integendeel een fikse spanning ontstaan tussen de inhoudelijke argumenten die juist pleiten voor de toelating van zulke studenten tot het ambt van predikant, en de teksten die dat lijken te verbieden. De situatie herinnert mij aan die van de fietser die op de vroege zondagmorgen helemaal voor niks voor rood staat te wachten.
Daarom zou ik zeggen: zo kan het niet meer. Of er moeten goede, overtuigende argumenten worden gegeven (betere dan die van Aalders!), óf het licht mag niet langer op rood blijven staan. Als de orthodox gereformeerde kerken niets anders weten te doen dan eindeloos te herhalen dat de bijbel het toch echt niet goed vindt en dat we toch beslist moeten wachten voor dat rode licht, maken ze het zich te gemakkelijk. Het is een manier van bijbelgebruik waar we in de praktijk niet mee uitkomen, en die op den duur ook een ondermijnende uitwerking zal hebben op het gezag van de Schrift. Het is bovendien verwarrend en onbevredigend voor de desbetreffende vrouwen.
Ik weet dat die gevoelens niet mogen worden gebruikt om de discussie onder druk te zetten, maar ik vraag me wel af of men zich in de kerken voldoende bewust is van deze kant van de zaak.
Intussen duikt opnieuw de vraag op die reeds een en ander maal gesteld is.
Blijvend bij het beeld van de verkeerslichten laat zij zich zo formuleren: is de consequentie van mijn betoog niet onherroepelijk, dat de bijbellezer gaat uitmaken of de bijbel het licht op rood mag zetten of niet? Houdt dit pleidooi voor tekst en uitleg niet in, dat de bijbelse verkondiging onder het juk van onze mondigheid door moet? Het is duidelijk: er ligt nog genoeg stof voor een derde artikel.