Feest van de oogst
2000-03-31
Paulus is op weg naar Jeruzalem. Hij heeft haast, want hij wil daar nog zijn vóór Pinksteren (Hand. 20:16). Pinksteren was toen nog geen christelijk feest. Niemand was nog op de gedachte gekomen de dag waarop de Heilige Geest was uitgestort, tot een christelijke feestdag te maken. Pinksteren was toen nog uitsluitend een joods feest: een dankfeest voor het gewas, een van de drie grote feesten waarbij tal van Joden uit de diaspora naar Jeruzalem trokken als bedevaartgangers om daar feest te vieren en hun offers te brengen in de tempel. Maar afgedacht van deze godsdienstige kant had het feest ook een sociale betekenis.- Jaargang 44
- nummer 7
Voor familieleden en vrienden die her en der over de vier windstreken verspreid woonden, was het een prachtige gelegenheid om elkaar en de familie uit Palestina eens te ontmoeten en bij te praten. Waarom Paulus zijn best deed om op de Pinksterdag in Jeruzalem te zijn, wordt niet vermeld.
Daar kan dus niets met zekerheid over gezegd worden. Het is niet uitgesloten dat er een zekere symboliek in meespeelde. Hij had het geld bij zich dat hij in de gemeenten van Griekenland had ingezameld voor de gemeente van Jeruzalem. Heel de oogst van die collecte werd door hem overgebracht.
Misschien vond hij het een aardige gedachte die oogst binnen te brengen op het joodse feest van de oogst. Het kan ook zijn dat Paulus toch ook min of meer als pelgrim ging. Weliswaar wist hij dat de offerdienst na Christus' dood niet meer nodig was. En hij heeft zich er ook heftig verzet tegen de opvatting dat de niet-joodse christenen naar joodse wetten moesten leven. Maar zelf was hij natuurlijk wel een Jood. Het kostte hem van huis uit geen enkele moeite de joodse gebruiken nog na te leven en zich daarbij aan te passen.
Onder de joodse christenen in Jeruzalem kwam het nog voor, dat men naar de tempel ging en daar niet slechts deel nam aan de dienst der gebeden, maar ook aan de offerdienst. In Hand.
21:23vv wordt daar een voorbeeld van gegeven.
En daar lezen we ook dat Paulus zich daarbij liet inschakelen. Paulus, de apostel die zich zo vierkant verzet heeft tegen de pogingen niet-joodse christenen op te zadelen met de verplichting de joodse wetten na te leven en de joodse feestdagen en sabbatten te onderhouden, kon dat alles zelf zonder moeite in acht nemen. Veel mensen denken dat Paulus een fanatieke scherpslijper was, een man die helemaal door zwart-wit patronen beheerst werd. Maar dat beeld beantwoordt blijkbaar niet aan de werkelijkheid.
Wanneer het hart van het evangelie en de christelijke vrijheid niet op het spel stonden, was Paulus heel meegaand en kon hij zich vergaand aanpassen.
Als de kerkelijke leiders uit later tijd hem daarin gevolgd wa-ren, zou er heel wat minder kerkelijke ellende geweest zijn. En ook nu is het voor een gemeente van levensbelang dat haar ambtsdragers onwrikbaar zijn wat het hart van het evangelie betreft, maar heel soepel en meegaand met betrekking tot gewoonten en gebruiken.
Het is nodig dat ze zich voortdurend bezinnen op de vraag: waarin en wanneer moeten we voet bij stuk houden en wanneer hoeft dat niet en is er ruimte voor aanpassing?
Paulus had daar een goed zicht op. Als hij in Jeruzalem is aangekomen, kost het hem geen enkele moeite mee te doen aan het ritueel van de offerdienst in de tempel.
Gezien deze houding van Paulus acht ik het heel goed mogelijk, dat zijn haast om op de Pinksterdag in Jeruzalem te zijn mede bepaald werd door zijn joodse achtergrond, zodat zijn reis mede een pelgrimsreis was.
M.R. van den Berg, Assen