Aula
2000-03-31
Ze hebben de verwarming uitgezet. Het is hier steenkoud.- Jaargang 44
- nummer 7
Koud, zoals ikzelf ben. Koud en dood. Ja ik ben dood. Eindelijk. Dood zijn is niet erg. De weg er naartoe wel.
Als de dokter tegen je zegt dat je een dodelijke ziekte hebt, dan dringt dat eerst niet tot je door.
Je voelt je nog redelijk gezond. Je bent van plan om te vechten, het zolang mogelijk vol te houden.
Mensen met hart- en vaatziekten balanceren minstens zo op het randje, als mensen met kanker in hun lijf, maar die laatsten worden geacht eerder het loodje te leggen. Niets is minder waar. Ik heb er jaren langer over gedaan om dood te gaan dan mijn buurman met zijn bypassoperatie. Maar dit terzijde.
Ze zijn allemaal naar me komen kijken. Mijn hele familie.
Sommigen huilden, anderen schudden hun hoofd.
Ze hebben mij veroordeeld, en gelijk hebben ze. Ik was bij leven een grote zondaar. Tot op hoge ouderdom, tot het bittere einde heb ik mijn mond gehouden. Ik neem mijn geheim mee in mijn graf. Niemand van mijn rechtvaardige familie heeft recht op mijn geheim. De mensen die het betrof zijn al jaren dood. Hun kan ik niet meer om vergeving vragen, als ik dat al gedurfd had. Ik weet dat ik het nooit gedurfd had.
Zo lig ik hier nu te wachten op mijn begrafenis.
Zoals de boom valt, zo blijft hij liggen, zeiden ze vroeger. Mijn predikant zal morgen best wat goeds van mij weten te vertellen. De diaconie weet ook wel iets goeds van mij als ze straks hun rekening zien.
Maar God. Hoe zal Hij oordelen. Hij weet overal van, daarvan ben ik overtuigd.
Indien ik zeide: duisternis moge mij overvallen, dan is de nacht een licht voor mij, de duisternis is als het licht.
Niemand, geen mens heeft mij ten diepste gekend. Niemand heeft enig besef gehad van de strijd die ik in het verborgen heb moeten voeren.
Van de angst die me soms naar de keel sprong bij beelden die ik op de televisie zag, gesprekken die ik opving. De privacy bedreigende technieken die uitgevonden werden, waardoor verborgenheden aan het licht gebracht konden worden. Vaak heb ik gedacht: God straft mij in dit leven al met de angst voor ontdekking van mijn zonde. Dat is nu voorbij. Ik ben aan mijn rechter overgeleverd. Hij zal mijn schuldig zwijgen straffen, mij van zich werpen als de man in de gelijkenis van Jezus.
Jezus. Ik heb niets tot mijn verdediging aan te voeren.
Mijn door en door gereformeerd leven, besef ik nu, legt geen enkel gewicht in de schaal.
Wat kan ik nog verwachten.
Mijn familie veroordeelt me, mijn broeders en zusters, alleen de buitenkant ziende, prijzen mij de hemel in.
Mijn advocaat heeft mij opgehaald. Ik ga bevende achter hem aan. Wat zegt u, meneer? Mij is gratie geschonken, ook mij?
Ytje Veefkind, Amersfoort