Toen kwam Amalek...

1999-01-22
  • Jaargang 43
  • nummer 2
Niet dankzij hun geloof, maar ondanks hun ongeloof had de HERE zich in zijn goedheid doen kennen bij Refidim. Hij gaf water in overvloed uit de rots. Zo konden ze met eigen ogen zien, en met hun mond proeven dat de HERE werkelijk in hun midden was. Het kwam toch nog goed. Maar toen kwam Amalek... ’t Is alsof de schrijver zeggen wil: nu moet je opletten, want de geschiedenis bij Refidim krijgt nog nog een staartje. Als de Israëliet de naam Amalek hoort, gaat er een rood lampje branden. Want Amalek is niet de eerste de beste, hij is de zoon van Ezau (Gen. 36:12). Ezau, de tweelingbroer van Jakob, die liever een bord linzesoep heeft dan Gods beloften.

Timing
De oude strijd tussen die twee was niet voorbij, toen ze gestorven waren.
Juist op het moment dat Israël in zo’n geloofscrisis verkeerde, toen het erop of eronder ging, stak de oude Ezau in de gestalte van Amalek zijn nek om de hoek. (Da’s altijd weer Satans tactiek, vgl. 1 Sam. 7:10.) Dit was een uitgelezen moment om Jacob in de gestalte van het volk Israël definitief uit te schakelen. Dit was de kans voor Ezau om Jacob om de vervulling van Gods beloften te voorkomen. Want Israël stond niet alleen te wankelen op zijn benen van het geloof, maar het stond er ook verder -fysiek- zwak voor.
Israël was dat uitgemergelde slavenvolkje uit Egypte, dat er niet goed aan toe was omdat het zo’n watertekort had gehad. Een volk ook dat niet gewend was om te trekken, en zeker niet gewend was om in de woestijn te vechten tegen een rondtrekkend Bedoeïenenvolk als de Amalekieten.
De duivel kon geen betere timing bedenken. De Amalekieten hebben de Israëlieten op een hele geniepige wijze aangevallen (Deut. 25). Niet van voren, op de man af maar van achteren.
In de rug, de achterhoede waar de meest kwetsbare groep zich bevond: de ouderen, de vrouwen en de kinderen. Op hen richtte Amalek de aanval.
Da’s echt bij de beesten af! Amalek kent niets menselijks meer. Om Gods plannen te dwarsbomen laat het zich door niets meer hinderen. Daardoor laat Amalek zien, dat hij God niet vreesde. Als de Godsvrees verdwijnt, wordt het leven tussen volken keihard.

Zeven, zeven en nog ’ns zeven
Als Amalek de strijd zou winnen, zou het de uittocht uit Egypte ongedaan kunnen maken. Dan zou Israël het beloofde land niet in kunnen gaan. Dat zou funeste gevolgen hebben voor heel de wereld. Want dan zou de grote Zoon van Israël, de Messias, niet geboren kunnen worden. Dan zou de duivel erin slagen om Gods plan om deze wereld te verlossen in de kiem te smoren.
Er stond dus heel wat op het spel, daar bij Refidim. Het is erop of eronder: óf de mannen van Amalek óf de mannen van Mozes winnen de strijd.
In de verzen 9 t/m 16 worden beide namen zeven keren genoemd, het getal van de volheid, m.a.w.: Mozes en Amalek leggen hun volle gewicht in de schaal. Maar toch draait het uiteindelijk niet om hen. Niet hun inzet is beslissend, want er is nog iets wat zeven keer genoemd wordt, nl. de handen van Mozes. Dat is bepalend.
De strijd van Amalek tegen Israël zou goed af kunnen lopen, wanneer de handen van Mozes -met daarin die betekenisvolle staf van God- naar de hemel blijven wijzen. Dat lijkt op het eerste gezicht een vorm van magie.
Maar het gaat hier om gebed. Jozua en zijn mannen moeten keihard vechten, maar de overwinning is afhankelijk van de HERE. Wanneer je vanuit het dal waar gevochten wordt omhoog kijkt, zie je daar drie mannen. Mozes in het midden, verwijzend naar God.
Hij deelt de lakens uit, Hij bepaalt de overwinning. Uiteindelijk zijn niet de vechtlust en de strijdkracht beslissend, maar de vraag wie het van de HERE God verwacht.

De herinnering uitgewist
Da’s ook vandaag van belang, dat we bidden voor elkaar, en ook voor hen die aan het front staan. Bijv. voor onze medechristenen in de politiek, de universiteiten, de gezondheidszorg. ”De HERE wil gebeden zijn...”, zoals dat vroeger gezegd werd. Niet dat de HERE dan al onze wensen en verlangens inwilligt. Maar we mogen wel als een smekeling onze handen op zijn troon leggen, zoals Mozes. Vragen of Hij in zijn goedheid naar zijn volk wil omzien. Bij Refidim zag de HERE om, en gaf Hij zijn volk de overwinning: Amalek moest de terugtocht aanvaarden.
De Here God wilde niet dat zijn volk deze geschiedenis zou vergeten: ”Schrijf dit ter gedachtenis in een boek en prent het Jozua in, dat Ik de herinnering aan Amalek onder de hemel volledig zal uitwissen.” Amalek wilde Israël uitwissen, maar de HERE zei: nee, Amalek moet uitgewist. De bijbel vertelt hoe dat verder gegaan is in de geschiedenis van Israël.
Koning Saul werd er later aan herinnerd om dat te doen: ”Ga nu heen, versla Amalek, slaat al wat hij bezit met de ban en spaar hem niet” (1 Sam. 15). Maar koning Agag liet hij leven en volledig uitroeien deed hij niet. Er bleef een rest van Amalek.
En later stak die diepe haat tegen het Joodse volk nog één keer de kop op.
Het was in de tijd van de ballingschap.
Toen kwam Amalek... in de persoon van Haman, de Agagiet. Hij bedacht een vreselijk plan om het Joodse volk volledig uit te roeien. Het was de laatste poging van Ezau om Jacob het eerstgeboorterecht te ontnemen. Maar de HERE door dat mooie joodse meisje, koningin Esther, een verre nakomeling van koning Saul. Zij was in de positie om dit hele plan te verijdelen, en uiteindelijk werd de aartsvijand van Israël aan een paal gespietst.
Zó kwam Amalek aan zijn eind, en kon de HERE via zijn volk Israël verder werken aan de verlossing van heel de wereld. Tot op de dag van vandaag!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief