Het laatste en het voorlaatste

1999-01-22
  • Jaargang 43
  • nummer 2
Moet de dominee zich in zijn werk beperken tot de dingen van het eeuwige leven, terwijl de psycholoog mensen helpt de smaak van dit leven te pakken te krijgen? Of is er vanuit het evangelie ook iets te zeggen over genieten van het leven, tot jezelf komen, enzovoorts?
Om die laatste vraag te beantwoorden luisteren we deze keer naar de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer (1906-1945) - in 1995 schreef ik eerder over hem in Opbouw.

De grote crisis
Waarom Bonhoeffer? Hebben we aan de bijbel zelf niet voldoende, als het gaat om leren ’genieten van het leven’? Het Oude Testament is immers vol waardering voor het aardse leven. Het laat zien, dat God zijn volk met tastbare zegeningen wil overladen. In het Nieuwe Testament verzet Paulus zich heftig tegen dwaalleraars, die het huwelijk en het genot van spijzen verbieden (I Timotheüs 4:3). In de recente traditie van de Nederlands Gereformeerde kerken heeft dit alles een sterk accent gekregen.
Als correctie op tendensen tot mijding en zelfs verachting van deze wereld, heeft dat heel positief gewerkt. Niettemin kan men zich afvragen of het accent niet té sterk is geweest. Onmiskenbaar wordt het aardse leven in de bijbel toch ook gerelativeerd. Denk aan de bekende woorden van Paulus in I Corinthiërs 7:29,30: ”Laten zij die een vrouw hebben, zijn als zonder vrouw ... die blij zijn, als waren zij niet blij.” Dat heeft te maken met het besef, dat over deze wereld de schaduw valt van de grote crisis: ”Het uiterlijk van deze wereld is bezig te verdwijnen...” (I Corinthiërs 7:31). Men heeft wel geprobeerd om de onrust die van deze woorden uitgaat te bezweren, door te benadrukken dat er toch nog heel wat van déze wereld zal terugkeren in de nieuwe. Naar mijn idee maakt men zich dan echter wat gemakkelijk af van de radicale veranderingen, waarmee de overgang van deze bedeling naar de toekomende volgens het Nieuwe Testament plaats vindt. Zie bijvoorbeeld I Corinthiërs 15:50: ”Vlees en bloed kunnen het Koninkrijk van God niet beërven en het vergankelijke beërft de onvergankelijkheid niet.” Natuurlijk moet je die discontinuïteit ook weer niet overdrijven: met de nieuwe schepping maakt God de ’oude’ niet ongedaan. Maar dat laat onverlet dat de komst van het nieuwe het leven in deze bedeling grondig verstoort - veel grondiger dan de levensgenieters onder ons lief is!

Titanic
Van die verstoring is Bonhoeffer zich scherp bewust geweest. In de veelbewogen jaren voor de oorlog schreef hij, met een zinspeling op de ramp met de Titanic: ”De discipelen zien, dat het schip waarop het feestgedruis klinkt, reeds lek is. De wereld fantaseert over vooruitgang, kracht, toekomst, de discipelen weten van het einde, gericht en de nadering van het Koninkrijk.” (Navolging 87) Vooral in zijn onvoltooid gebleven boek Ethik is hij uitvoerig ingegaan op het gegeven, dat de wereld door Gods Koninkrijk ’uit zijn hengsels gelicht wordt’. Hij knoopt daartoe aan bij een van de centrale thema’s van het Nieuwe Testament: de rechtvaardiging door het geloof. Geheel in lijn met de apostel Paulus betitelt hij de rechtvaardiging als Gods ’laatste woord’. Daarmee bedoelt hij allereerst, dat het oordeel dat Gód velt over ons leven definitief en beslissend is. Hoe wijzelf over ons leven denken en welke waarde anderen er aan hechten, dat is van minder belang; het laatste woord, dat heeft God. Als Hij voor ons is, wie zal tegen ons zijn? (Romeinen 8:31) Maar dat betekent, dat al het andere betrekkelijk is. Het zijn niet onze zonden die beslissen over ons leven; het zijn ook niet onze prestaties. God rechtvaardigt om Christus’ wil de goddeloze (Romeinen 4:5) Dat wil dus zeggen, dat onze levensloop in zekere zin achterhaald wordt door dat bevrijdende vonnis dat God uitspreekt.
Wij leveren in de loop van ons leven niet het materiaal aan, dat God dan verwerkt in zijn oordeel.
Nee, als God ons als gelovigen vrijspreekt, gaat Hij aan alles wat wij misdaan en nagelaten hebben voorbij.
God verklaart ons onschuldig uit genade, door het geloof, en daarom is er geen sprake van dat wij zouden kunnen toe werken naar de rechtvaardiging (Galaten 2:16).
Het zijn bekende woorden voor wie vertrouwd is met de Reformatie, maar Bonhoeffer vestigt de aandacht op de ingrijpende consequentie ervan: als God zich in zijn laatste woord niet baseert op ons leven, dan is ons leven niet meer van het allergrootste gewicht. Denk aan de misdadiger aan het kruis (Lucas 23:40-43): beslissend voor zijn leven is uiteindelijk niet zijn levensloop geweest, maar dat allerlaatste: dat hij zijn leven buiten zichzelf gezocht en gevonden heeft: in Christus. Om Hem draait het in het leven. Hoe het er met ons voorstaat wordt niet bepaald door de eerste Adam en de geschiedenis die op zijn val volgde, maar door de laatste Adam (I Corinthiërs 15:45): Hij bepaalt hoe het er met ons voorstaat.
Daarom houdt christen-zijn in, dat wij ons afwenden van onszelf, ons presteren, onze cultuur, onze religie, en ons radicaal toewenden tot Hem die gestorven is voor onze rechtvaardiging.
Ziedaar het verband tussen ’rechtvaardiging’ en ’de wereld die uit zijn hengsels wordt gelicht’. Dit leven houdt geen stand; deze wereld stort krakend ineen. Leven is er alleen voor wie zich vastgrijpt aan Christus, en alles laat schieten om toch maar Gods laatste en diepste woord te horen. De christen gaat de weg van het gekruisigd worden aan de wereld, Galaten 6:14.

Het voor-laatste
Onmiskenbaar heeft Bonhoeffer hiermee een gevoelige zenuw van het evangelie blootgelegd. Wat zendt de komst van Christus inderdaad geweldige schokgolven door de wereld.
Alles wordt op zijn kop gezet met de machtige afkondiging van vergeving en vrijspraak, vgl. Mattheüs 20:1-16.
Het eind der tijden is aangebroken, als hier op aarde het woord klinkt dat pas op de jongste dag te verwachten was, Hebreeën 1:1. De maaltijden die Jezus houdt met hoeren en tollenaars duiden erop, dat het grote feestmaal van de bruiloft van het Lam op stapel staat (Lucas 15:23,24). Maar dan zal het erom gaan, dat wij de bakens ook echt verzetten en afstemmen op de laatste dingen. Denk aan de eigenaardige en onrustbarende woorden van Jezus in Lucas 9:60 en 62: ”Laat de doden hun doden begraven. ...
Niemand die de hand aan de ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter hem ligt, is geschikt voor het Koninkrijk van God.” Wat hangen wij nog aan de geneugten van deze wereld, aan de dingen die wij aan het opbouwen zijn, aan de taken en plichten waarin wij zijn ingesponnen als in een cocon? De láátste dingen - die zijn aan de orde. Hoe zei Paulus het ook weer? ”Het uiterlijk van deze wereld is bezig te verdwijnen”... (I Corinthiërs 7:31) Nu zagen we de vorige keer, dat de Apeldoornse hoogleraar Selderhuis eveneens inzet bij de rechtvaardiging.
Maar zijn conclusie is, dat de pastor vanuit die inzet zich niet bezig dient te houden met dingen als ’een beetje meer jezelf worden’. Het verrassende is, dat Bonhoeffer heel ergens anders bij uitkomt. Bij hem gaat de aandacht voor de rechtvaardiging - en dus voor de laatste dingen - allerminst ten koste van zijn belangstelling voor dít leven. Dat komt, doordat hij in nog een andere zin recht wil doen aan het feit, dat God in de rechtvaardiging van de goddeloze zijn ’laatste’ woord spreekt. Dat woord is niet alleen het definitieve, dat alles wat eraan voorafgaat betrekkelijk maakt; het is ook in tijd datgene wat het ’laatste’ is.
Het is niet Gods eerste woord. Het is juist het afsluitende, datgene, waarna niets anders meer komt. Als zodanig gaat er aan het ’laatste’ heel veel vooraf. Bonhoeffer noemt dat het ’voor-laatste’. Waarom niet ’het eerste’?
Omdat het zwaartepunt van ons leven ligt bij het laatste. Daar draait het om in de wereld. Dat is het punt van waaruit je moet denken. Je moet niet vanuit de schepping denken, vanuit de eerste Adam, want die geschiedenis loopt op niets uit. Nee, uitgangspunt voor een christen is de laatste Adam. Alles wat aan Hem voorafgaat is dus het voor-laatste.
Dat voor-laatste is er niet voor niets: het duidt de weg aan die afgelopen moet lopen alvorens het laatste bereikt wordt. Denk weer aan de misdadiger aan het kruis. Beslissend voor zijn leven is geweest: de ontmoeting met Christus. Van daaruit verliest zijn verleden aan gewicht. En toch was dat verleden niet zinloos.
De ontmoeting met Christus kon voor hem alleen maar zo beslissend worden, doordat hij al een heel leven achter de rug had. Stel je voor, dat hij bij het kruis van Christus had gestaan lang voordat hij het verkeerde pad was ingeslagen. Dan zou dat kruis hem oneindig veel minder gezegd hebben. Zijn levensgeschiedenis is belangrijk als het ’voor-laatste’: als datgene dat in het licht stelt hoe anders, hoe groots, hoe nodig het Laatste is. Als Gods rechtvaardiging aan het begin stond van ons leven, zou het verlossende, het definitieve ervan volkomen in de lucht hangen.
Nee, eerst moet het voor-laatste er zijn: ons zondigen, ons vechten om in eigen kracht rechtvaardig te worden, ons falen, ons ontdekken dat we van genade moeten leven. Alleen doordat Gods rechtvaardiging uit genade echt het sluitstuk is van alles, dat komt nadat al het andere al geweest is, functioneert zij als het definitieve, waarbij al het voorafgaande verbleekt.

Radicaal
Zo komt Bonhoeffer er toe, aan de voor-laatste dingen wel degelijk waarde toe te kennen, hoezeer hij ook inzet bij de laatste dingen. Dat heeft te maken met zijn waardering van de tijd. In zijn beroemde gevangenschapsbrieven schrijft hij naar aanleiding van Prediker 3: ”Alles heeft zijn tijd en de hoofdzaak is, dat men met God gelijk tred houdt en Hem niet altijd een paar schreden vooruit is, evenwel ook geen stap achter Hem aankomt.” (brief van 18 december 1943 aan zijn vriend Eberhard Bethge) Wie het ’voor-laatste’ overslaat in zijn ongeduld om bij het ’laatste’ uit te komen, negeert dat wezenlijke, dat God de tijd neemt.
Heel concreet wijst Bonhoeffer er vanuit zijn eigen ervaring op, dat je in het pastorale gesprek niet te gauw de grote troostwoorden van het evangelie in de mond moet nemen: als ze te vroeg worden uitgesproken, slaan ze nergens op. (Ethik 143,144) De laatste dingen vallen pas op hun plaats, als de voor-laatste geweest zijn. Het Koninkrijk van God kan pas zinvol ter sprake komen, als we deze wereld, ín haar betrekkelijkheid, ten einde toe doorleefd hebben. Daarom verzet Bonhoeffer zich zowel tegen fanatieke radicaliteit, als tegen eindeloze compromissen. ’Fanatieke radicaliteit’ is de houding van de mens die alleen maar rekening houdt met ’het laatste’.
Zo iemand heeft alleen maar weet van de eeuwigheid, van het helle licht waarin je voor Christus bent óf tegen Hem. Hier wordt het voor-laatste overgeslagen, ontstijgt men aan deze wereld, geeft men haar in feite prijs, zich niet bekommerend om haar tijdelijk wel en wee. Het tegendeel wordt gevormd door ’eindeloze compromissen’.
Dat is de houding waarbij met het laatste uit het oog verliest, en alle kaarten zet op het bestaande; dan houdt men geen rekening met de grote crisis, maar stelt men zich alleen maar ten doel binnen de bestaande kaders te blijven en te redden wat er te redden valt. Ik kan het niet laten hier de schitterende regels uit de Ethik over te schrijven waarin Bonhoeffer de zaak samenvat (blz.
148):

Het radicalisme haat de tijd; het compromis haat de eeuwigheid; het radicalisme haat het geduld; het compromis haat de beslissing; het radicalisme haat ’verstandig’ zijn; het compromis haat de eenvoud; het radicalisme haat de maat; het compromis haat het onmetelijke; het radicalisme haat het werkelijke; het compromis haat het Woord.

Intussen zijn we nog niet waar we wezen moeten. De brug moet nu immers nog geslagen worden van het voor-laatste naar het natuurlijke leven, naar dingen als ’een beetje meer mens worden’, en ’leren genieten’.
Mag ik van u, lezer, nog enig geduld vragen? In het volgende nummer van Opbouw verschijnt bij leven en welzijn het laatste artikel in deze reeks. Dit was het voor-laatste... Het is inderdaad een kwestie van: er de tijd voor nemen. Tot over twee weken!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief