Conflicten in de kerk

1999-01-22
  • Jaargang 43
  • nummer 2
Al in de eerste christelijke gemeenten ontstonden grote spanningen. Sinds die tijd is er niet veel veranderd. Iedere kerkelijke gemeente krijgt vroeg of laat te maken met conflicten.

Veel mensen hebben de ervaring dat ze een conflict op hun werk redelijk kunnen hanteren. Een conflict in de kerk bezorgt hen echter slapeloze nachten. Hoe komt het dat conflicten in de kerk zo hard aankomen? Is dat omdat we het juist in de kerk anders verwachten? Roept de Bijbel ons niet op om elkaar lief te hebben? Waarom gaan we dan zo met elkaar om?
Waarom ontstaat er een knallende ruzie over de aanvangstijd van de kerkdiensten of over het gebruik van muziekinstrumenten tijdens de eredienst?
Het eerste antwoord is: omdat de Satan christenen graag met elkaar ziet vechten. Dat antwoord moeten we dus ook maar gewoon zo laten staan. Niets is zo verwoestend voor het christelijk leven als uit de hand gelopen conflicten binnen de kerkelijke gemeente. Als christenen elkaar niet meer kunnen bereiken, heeft de duivel op dat punt zijn zin gekregen.

Conflicten horen erbij
Zou het ook zo kunnen zijn dat een christelijke gemeente géén conflicten kent? Je zou het graag willen. Stel je voor dat dat mogelijk zou zijn! En toch: stel je voor dat iedereen het met elkaar eens is binnen de kerk, wat voor kerkelijke gemeente heb je dan? De kerk lijkt dan meer op een club van gelijkgezinden. Vroeg of laat ontstaan daar toch ook conflicten, want iedere ’afwijking’ vormt een bedreiging voor de groep.
Verschillen zullen er dus altijd (moeten) zijn in de kerkelijke gemeente.
De vraag is wel hoe je met die verschillen omgaat. Een mooie droom: een gemeente waarin iedereen in harmonie met elkaar samenleeft en waar ieder verschil van mening ook in goede harmonie wordt opgelost. Dat streven moet er zijn binnen de christelijke gemeente. Tegelijkertijd is dat hier op aarde een illusie. Daar waar mensen emotioneel op elkaar betrokken zijn en van elkaar afhankelijk zijn, ontstaan ook altijd spanningen.
Er zijn geen gezinnen zonder spanningen, er bestaan ook geen kerkelijke gezinnen waar de broeders en de zusters af en toe een stevige aanvaring met elkaar hebben. Het zou zelfs wel eens een signaal van een slecht functionerende gemeente kunnen zijn als alle verschillen zondermeer geaccepteerd worden. Dat zou betekenen dat er weinig onderlinge betrokkenheid is: iedereen doet maar wat er in zijn hoofd op komt. Als we ons realiseren dat spanningen binnen de kerkelijke gemeente ook een signaal zijn van de onderlinge betrokkenheid, raken we minder gemakkelijk ontregeld door het feit dat er in de gemeente spanningen zijn.

De plaats van de piano
In zijn boek Oorlog in de kerkbanken gaat Frank Martin in op een groot aantal aspecten rond kerkelijke conflicten.
Het begint al in het eerste hoofdstuk. Ruzie over de plek van de piano in de kerk. Moet die piano nu links of rechts van de preekstoel? Uiteindelijk loopt dit verschil van mening uit op een daadwerkelijk handgemeen.
Mag er wel een keuken in de gemeenschapsruimte van het kerkgebouw?
De voorstanders zien mogelijkheden om de kerk daarom meer gastvrij te maken voor buitenkerkelijken, de tegenstanders merken op dat je dan ook wel een casino bij de kerk kunt bouwen. De Avondmaalsbeker werd altijd van achteren naar voren door de kerkbanken doorgegeven, nu werd de beker van voor naar achteren doorgegeven. Uiteindelijk dreigde een aantal gemeenteleden de kerkelijke gemeenschap te verlaten als dat besluit niet werd teruggedraaid....
Zijn de situaties die Frank Martin beschrijft karikaturen van de kerk? Of gebeurt dat ook in onze gemeenten?
Heeft Maarten ’t Hart misschien toch een beetje gelijk?

Ervaringsdeskundige
Frank Martin is zelf nauw betrokken geweest bij een kerkelijk conflict. Het leidde er toe dat hij uiteindelijk de gemeente waar hij zeer actief in was heeft verlaten. De spanningen hebben hem en zijn gezin tot op de bodem van het bestaan geraakt. Dit conflict loopt min of meer als een rode draad door het boek heen. Je zou de auteur een ervaringsdeskundige kunnen noemen.
De problemen in de kerk raakten de emoties van de auteur diep. ”Omdat we zo nauw bij de zaak betrokken waren, was het vaak moeilijk om ons de dingen niet persoonlijk aan te trekken.
Na de zondagse kerkdienst kwamen we vaak uitgeput thuis” (52).
Voor een deel is het boek dan ook een stuk op papier gezette verwerking voor de schrijver. Dat wil niet zeggen dat deze publicatie blijft steken in naar binnen gekeerd onderzoek over de vraag hoe het allemaal zo ver heeft kunnen komen. Martin doet in zijn boek juist een poging om tot oplossingen te komen. De ondertitel luidt dan ook: Overlevingsgids bij conflicten in de geloofsgemeenschap.
Hoe gaan we om met een kerkelijk conflict? En als dat conflict onoplosbaar lijkt, hoe vinden we dan wegen om verder te kunnen?

Wie is er koppig?
Martin steekt ook de hand in eigen boezem. Hij was lid van een liturgiecommissie.
De commissie besloot om een aantal veranderingen in de zondagse eredienst door te voeren. Deze veranderingen stuitten op grote weerstand.
Martin stond zeer kritisch tegenover de bezwaarden. ”Ze willen alleen maar koppig zijn; ze willen gewoon hun zin krijgen.” Achteraf stelt hij: ”Nu ik terugkijk, zie ik in dat ik net zo fout zat als zij. Ik was net zo koppig en trok me net zo min iets van een ander aan” (27).

Anatomie van een kerkelijk conflict
Terugkijkend op de spanningen rond de inrichting van de eredienst ontdekt Martin dat hij, door de traditionele diensten saai en vervelend te noemen, juist olie op het vuur gooide.
Het lokte een tegenreactie uit. ”Er is helemaal niets mis met de manier waarop we onze diensten al die jaren inrichten.” Waar de bezwaren zich op richtten, aldus Martin, was dus niet de verandering op zich, maar denaar de mening van de bezwaardenelitaire houding van de liturgiecommissie.
Eigenlijk noemde de commissie niet alleen de diensten saai en vervelend, maar: ”in feite noemden wij hen persoonlijk saai en vervelend.
En door dát te doen, activeerden wij hun verdedigingsmechanisme.” Wat is er dan aan de hand? Het ging toch slechts om de ”buitenkant”. Een beetje veranderingen in de kerkdienst, dat tast toch niet het wezen van de eredienst aan? Nee, dat niet.
Maar: de kerk is niet zomaar een gezelligheidsclub. Als het goed is ben je met heel je wezen, met je hoofd, met je hart, lid van die kerkelijke gemeente. ”Ons geloof is onze identiteit en de kerk is de belichaming van ons geloof. En als mensen zich afvragen wat we eigenlijk in de kerk doen, dan trekken ze méér dan onze daden of tradities in twijfel. Ze twijfelen aan ons persoonlijk.” Met andere woorden: niet alleen onze tradities, maar ook ons geloof wordt in twijfel getrokken.
Daarom kunnen we in kerkelijke conflicten zo gevoelig zijn. En daardoor kunnen die conflicten ook zo snel irrationeel worden, alsof ons verstand er geen grip meer op heeft.
Martin concludeert tenslotte: ”Als we iemands tradities en opvattingen in twijfel trekken, dan betreden we iemands heilige grond en vragen we om moeilijkheden.”

Geen veranderingen?
Moeten we -omwille van de vrede binnen de gemeente- aan álle tradities vasthouden? Er is immers altijd wel een gemeentelid dat tegen veranderingen is? Het is winst dat Martin uitlegt waaróm het veranderen van tradities vaak zo gevoelig ligt. Daarnaast laat hij zien dat -aan welke kant van een conflict je ook staat- jouw boodschap bij de ander een tegenreactie op kan roepen. Het is echter niet de boodschap van het boek dat alles bij het oude moet blijven.
”De meeste kerkelijke ruzies”, zo citeert de auteur, ”draaien om persoonlijke voorkeuren. Ondertussen handelen we alsof het om een onderwerp van schriftuurlijke zuiverheid gaat” (34). ”De kerken hebben altijd de neiging gehad menselijke tradities en rituelen aan Gods openbaring toe te voegen. Maar als kerken aan menselijke instellingen hetzelfde gewicht toe gaan kennen als aan Gods geboden, zit er iets goed mis” (63). Met andere woorden: hechten we niet te gemakkelijk aan tradities, terwijl we denken dat we ons op de Bijbel baseren?

Altijd ruzie
Er zijn ook kerken waarin men het ’kibbelen’ tot een gewoonte heeft verheven.
Daardoor is op den duur een harmonieus samenleven als gemeente niet meer mogelijk.
Daarnaast verwijst de auteur ook naar de individuele persoonlijkheidsstructuur van mensen. Sommige mensen hebben een ingebouwd autoriteitsconflict: alles wat maar een beetje riekt naar autoriteit moet worden bestreden.
Ze willen altijd en overal hun gelijk halen, anders zijn ze niet gelukkig. Op die manier wordt bijvoorbeeld ieder besluit van de kerkenraad aangevochten.
De ene brief is nog niet door de kerkenraad afgehandeld of de volgende ligt al weer op de kerkenraadstafel.
Het gevolg is vaak dat deze mensen geïsoleerd komen te staan: ze worden door het grootste deel van de gemeente gemeden. Het advies in het boek: Neem uzelf en anderen niet al te serieus! Probeer ook eens om jezelf en om anderen te lachen! Maar: als u een conflict hebt, probeer dan ook niet alleen naar dat conflict te kijken.
Let ook op het goede in anderen.
Daarnaast is het van belang om open te blijven in de communicatie. De beste manier is: door de knieën kunnen en durven gaan. Maar het belangrijkste advies is: Blijf Jezus in het middelpunt stellen. ”Onenigheid en verdeeldheid steken de kop op als we niet meer op Christus, maar op onszelf zien, op onze eigen verlangens en prioriteiten. Als we Gods bedoeling voor de kerk uit het oog verliezen, als we naar binnen gericht zijn, dan beginnen we ruzie te maken” (38).

Wel of geen conflicten?
Overal waar mensen op elkaar zijn aangewezen ontstaan spanningen. In de kerk noemen we elkaar broeders en zusters. En net zo als in het meest harmonieuze gezin, wordt ook binnen de kerkelijke gemeente die spanning gevoeld. Zonder spanningen wordt een gezin saai, zonder conflicten in de kerk wordt die kerk ’een saaie, oppervlakkige en deprimerende plaats’ (29). Omgekeerd: conflicten kunnen mensen zelfs helpen om geestelijk en emotioneel te groeien.
De vraag is wél hoe we met die spanningen en conflicten om gaan. Daar wil de auteur in zijn boek behulpzaam bij zijn. ”Conflicten zijn in de kerk onvermijdelijk. Tweedracht en verdeeldheid zijn dat niet. Zelfs in een door ruzie verscheurde kerk is het mogelijk de onderlinge band weer te herstellen. En het is mogelijk om met een nieuw gevoel van saamhorigheid verder te gaan. Maar iedere betrokkene moet dan wel bereid zijn om zijn aandeel te leveren” (39).
Vaak is het gewenst om iemand ’van buiten’ bij het conflict te betrekken.
Helaas vragen kerken op dit punt vaak te laat hulp, misschien omdat ze zich schamen voor hun interne problemen.
Tenslotte: God verwacht niet dat we volmaakt zullen zijn, maar Hij verwacht wél van ons dat we elkaar zullen liefhebben en vrede sluiten. Hij nodigt ons uit om hier op aarde het hemelse leven te beoefenen. (wordt vervolgd)

Naar aanleiding van: Frank Martin, Oorlog in de kerkbanken, uitgeverij Barnabas, Heerenveen, 171 pagina’s, ƒ 32,50

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief