Ruim baan maken voor de Heer
1999-02-05
De laatste dingen stellen alles wat eraan voorafgaat in de schaduw. Het voor-laatste is als zodanig betrekkelijk. Maar het valt niet weg; je kunt het niet, uit haast om de laatste dingen aan de orde te stellen, overslaan.- Jaargang 43
- nummer 3
In dit artikel zullen we nagaan wat dat te zeggen heeft over de verhouding van evangelie en psychologie.
Honger
Bonhoeffer zelf heeft in zijn Ethik de lijnen niet naar deze probleemstelling doorgetrokken. Maar wel heeft hij zijn opvatting over het laatste en het voorlaatste uitgewerkt op een manier, die van belang is voor ons onderwerp. Zo wijst hij erop, dat we zorgvuldig om moeten gaan met het voor-laatste, juist met het oog op het laatste. Hongersnood en armoede bijvoorbeeld moeten uit alle macht bestreden worden.
Waarom? Niet omdat het heil van mensen daarin bestaat, dat zij gevoed worden en boven het bestaansminimum uitkomen. Beslissend voor de kwaliteit van leven is uiteindelijk alleen, dat mensen de enige waarachtige God kennen, en Jezus Christus die Hij gezonden heeft (vgl. Johannes 17:3).
Dat is het laatste, waar het in het mensenleven op aan komt. Eten en drinken en kleding – dat behoort tot het voorlaatste, waar mensen zich in het licht van het komende Koninkrijk onnodig druk om maken (vgl. Mattheüs 6:31-
33). En toch zou het in de ogen van Bonhoeffer onvergeeflijk zijn om hongerigen in plaats van brood een bijbel aan te bieden. Want wat moet iemand die vergaat van de honger met een bijbel?
Honger behoort tot de dingen, die het komen tot Christus ernstig in de weg kunnen staan. Eerst moet wat aan de honger gedaan worden, alvorens de laatste dingen aan de orde kunnen komen. Bonhoeffer wijst in dit verband op de prediking van Johannes de Doper in Lucas 3:4: ”Bereidt de weg des Heren en maakt recht zijn paden.” Er zijn barricades die uit de weg geruimd moeten worden, juist omdat de Heer in aantocht is. Natuurlijk weet Bonhoeffer, dat een samenleving waarin honger en armoede uitgedreven zijn, nog niet per definitie ’rijp’ is om te geloven. Het bereiden van de weg voor de Heer is van geestelijke aard; er moet bekering aan te pas komen. Ten diepste is het zelfs alleen God, die de grendels van ons hart kan wegschuiven.
En toch – die ’laatste waarheid’ ontslaat ons niet van de verantwoordelijkheid, om binnen het bereik van het voor-laatste te doen wat we kunnen om de weg voor de Heer te banen. Nooit mag, met een beroep op het laatste, berust worden in al die sociale misstanden die het leven in het voor-laatste zo ernstig verstoren dat zij het zicht op het laatste verduisteren.
Smakeloos
Bij de ’verstoring’ van het voorlaatste denkt Bonhoeffer ook aan het uit balans raken van ’rechten’ en ’plichten’.
Waar alles op de kaart van de ’plicht’ wordt gezet, bezwijkt het leven aan de vreugdeloosheid; waar van de weeromstuit mensen alleen nog maar rechten willen doen gelden, verwordt het leven tot een ongeleid projectiel dat zichzelf in een zinloze baan te gronde richt.
Overigens zet Bonhoeffer in bij de rechten: het evangelie begint immers met wat God geeft, om pas daarna te spreken over wat Hij eist?! Maar de volgorde daargelaten: of de balans nu doorslaat naar de plichten dan wel naar de rechten – in beide gevallen worden grote barricades opgeworpen voor de Heer die in aantocht is. Immers, aan mensen die in hun leven alleen maar dienstbaar willen zijn, kan God de goede gaven van zijn Koninkrijk (het feest!) niet kwijt. Maar mensen die er alleen maar op uit zijn om zichzelf te dienen, zijn al evenmin voorbereid op de komst van Hem die juist oproept tot de beschikbaarheid voor God. Het is indrukwekkend om te zien, hoe Bonhoeffer zelf hiermee ernst heeft gemaakt. Hij is bekend geworden als een man, die zijn leven in dienst heeft gesteld van zijn land. Hij raakte betrokken bij de samenzwering van Hitler, en heeft daarvoor bewust de hoogste prijs betaald: zijn leven. Tegelijk heeft hij geweldig genoten van het leven: de rijke Duitse cultuur was ten volle aan hem besteed; intens doorleefde hij de vreugde die gelegen is in vriendschappen; op het laatst van zijn leven kende hij ook de diepe liefde die kan bestaan tussen man en vrouw. Beide, plichten en rechten, rekende hij tot het voorlaatste.
De samenzwering tegen Hitler stond voor hem niet gelijk aan de realisering van het Koninkrijk van God; even scherp was hij er zich van bewust dat het genieten van cultuur, vriendschap en liefde behoort tot de dingen die voorbijgaan. En toch heeft hij zich in volle overgave aan dit voor-laatste gewijd, omdat hij wist dat het niet aangaat op het laatste vooruit te lopen. De barbarij van de nazi’s passief ondergaan in stil verlangen naar het komende Koninkrijk? Het was voor Bonhoeffer onbestaanbaar. ”Alleen wie voor de Joden opkomt, mag ook gregoriaans zingen.” Maar omgekeerd ook: de cultuur links laten liggen, en met een min of meer kwaad geweten genieten van seks, omdat het in het leven toch eigenlijk gaat om de verhouding tot God – dat was voor hem evenzeer een ongeoorloofd vooruitgrijpen op de laatste dingen. ”Dat een mens in de armen van zijn vrouw naar het hiernamaals verlangen moet, dat is – zacht gezegd – een smakeloosheid en in ieder geval niet naar Gods wil. ... Wanneer het God behaagt ons een overweldigend aards geluk te laten genieten, moet men niet vromer zijn dan God.” (brief van 18 december 1943 aan
Eberhard Bethge)
Huisbezoek
Het verkwikkende van deze theologie is, dat ze in de verste verte niet docetisch is, en toch ernst blijft maken met de eschatologie. Zonder vaktermen gezegd: het concrete mens-zijn komt volledig aan z’n trekken, zonder dat de laatste dingen in de schaduw worden gesteld. Wie gevormd door deze theologie op huisbezoek gaat, zal niet het gevoel hebben dat hij pas ’ter zake’ komt als de voorbereidende ’praatjes’ over werk en gezin achter de rug zijn.
Immers: juist de manier waarop iemand met het voor-laatste omgaat, zegt alles over zijn of haar relatie met de laatste dingen. Is het werk het één en het al voor deze persoon? Of gebruikt hij/zij de werkplek puur als evangelisatiepost?
Dient het werk enkel en alleen zijn of haar maatschappelijke carrière?
Staat de werkdruk misschien een bloeiend christelijk en kerkelijk leven in de weg? Gelukkig het gemeentelid, dat bij de bezoekende ouderling of dominee werkelijke belangstelling aantreft voor dit stukje van het voor-laatste!
Zo heeft de kerk ook de waarden waar de psychologie zich sterk voor maakt ernstig te nemen, juist omdat ze het voor-laatste betreffen. Het is ongetwijfeld waar: dingen als ’een beetje meer mens worden’ ’leren genieten’, ’NEE durven leren zeggen’, ’opkomen voor je rechten’ raken niet de laatste werkelijkheid van ons leven. Ze zijn niet zaligmakend in de letterlijke zin van het woord. Maar daarom zijn ze nog wel belangrijk! Als het gaat om het uit de weg ruimen van barricades voor het komen van de Heer tot een mens, zou de psychologie wel eens baanbrekend werk kunnen verrichten. Wees als dominee blij wanneer iemand van de therapeut leert om wat meer van het leven te genieten. De verkondiging van het feestelijke bruiloftsmaal dat God aan het bereiden is, krijgt er nieuwe kansen door! Heb als prediker van het evangelie niet de illusie, dat het hameren op het Vaderschap van God mensen kan bereiken die door incest-ervaringen geschonden zijn. Hier moet deskundige hulpverlening voorbereidend werk doen. Zelfs de therapeut in het voorbeeld van Tournier is zo gezien het tegendeel van de sloper van het christelijk geloof. De zoon van de bezitterige moeder moest eerst afstand nemen tot haar én haar kerk, alvorens het bij hem tot een echte geloofsrelatie met God kon komen.
Twee bewegingen
De psychologie als gereedschap om ruim baan te maken voor de Heer: het is verrassend om ook bij Tournier de verwijzing naar Johannes Doper aan te treffen (A place for you, 143). Ook hij beroept zich trouwens op Prediker 3, om duidelijk te maken dat mensen vaak voortijdig bezig zijn met zelfverloochening (98). Hoe kan men zichzelf wegschenken, wanneer men nog niet tot zichzelf gekomen is? Hoe kan de oude mens afsterven, wanneer men nog nooit echt geleefd heeft? Van de vele voorbeelden die Tournier geeft noem ik dat van een jonge man, wiens ouders overtuigde geheelonthouders waren. De man zelf raakte zo aangestoken door hun idealisme, dat hij zelf op 16-jarige leeftijd de plechtige gelofte aflegde, nooit een druppel alcohol te drinken. Vele jaren later zocht hij contact met Tournier. Hij zat niet echt in de problemen, maar merkte wel dat hij nog altijd in de schaduw van zijn ouders leefde. Zijn leven als geheel-onthouder kwam ter sprake, en wat bleek? De plechtige gelofte die hij had afgelegd, had in werkelijkheid helemaal geen betrekking op alcohol. Immers, hij had nooit enige aandrang gehad om te drinken.
Integendeel – de afkeer van alcohol zat er van jongs af aan diep in! Hij had beloofd zich van iets te onthouden dat geen enkele aantrekkingskracht op hem uitoefende. Wat was die gelofte anders dan een nabootsing van het ouderlijk voorbeeld? Na enige aarzeling kwam Tournier tegemoet aan de wens van de man, om hem van zijn gelofte te ontslaan. Alleen dan was de weg voor hem vrij om zijn eigen relatie tot alcohol te bepalen (125,126). Zo spreekt Tournier van twee bewegingen, te vergelijken met het in- en uitademen. De eerste beweging is die van de zelfontplooiing, de ontwikkeling van het eigen ik; de tweede is die van zelfverloochening, van onthechting. Wezenlijk acht hij de volgorde: die twee mogen niet van plaats verwisselen. Eerst zal een mens uit moeten groeien tot iemand die wat voorstelt, alvorens hij kan komen tot waarachtige dienstbaarheid. Eerst zal men moeten hebben ontdekt hoe zeer het leven te genieten is, alvorens men zover kan komen dat men afstand doet van die genietingen.
Het eigene van de kerk
Het lijkt erop, dat men in onze samenleving (ook binnen de kerken) met een forse inhaalmanoeuvre bezig is. Men onderkent, hoe waar het is wat Tournier zegt. Men is vastgelopen in een voortijdig en voorbarig inzetten van de tweede beweging. De eerste beweging – die heeft men niet geleerd. En zo bewijst de psychologie goede diensten: geduldig en gedreven brengen talloze therapeuten hun cliënten de eerste beginselen bij van het opkomen voor jezelf, van het tijd nemen voor jezelf, van het ’een beetje meer mens worden’.
Is er een kwaad woord van te zeggen? Niet, zolang men zich ervan bewust is slechts aan de eerste beweging te werken, in het besef dat er ook nog een tweede is. Maar dat is het hem nu juist. Niet zelden wordt die tweede beweging uit het oog verloren. De balans tussen rechten en plichten slaat opnieuw door, maar nu naar de andere kant. Relaties raken ontwricht door een eenzijdige zucht naar zelfverwerkelijking; verenigingen, politieke partijen en dergelijke tobben met een chronisch tekort aan vrijwilligers, waar zo velen hun zinnen zetten op ’vrijheid, blijheid’.
De milieu-problematiek (uitbreiding van Schiphol??) blijft als een last op de samenleving drukken, zolang het hedonisme heer en meester is (”kom niet aan onze vakantievluchten”). En zo hoor je de laatste tijd zo nu en dan ook weer andere stemmen. Deze en gene vestigen de aandacht op de tweede beweging. Naast de psychologie meldt de ethiek zich aan. En zowaar: ook de religie. Is het soms toch niet zaligmakend, een beetje meer mens worden?
Het lijkt mij verstandig, als de kerken en de dominees genuanceerd op dit alles reageren. Hoe waar het ook is dat de tweede beweging onmisbaar is – nog steeds wreekt zich dat mensen de eerste niet geleerd hebben. Moeten sommige mensen in de eerste plaats horen dat ze ook plichten hebben en eens aan een ander moeten denken, voor anderen blijft het noodzakelijk dat ze ruimte voor zichzelf krijgen. Bonhoeffer heeft gelijk: het evangelie begint niet met wat Gods eist, maar met wat Hij geeft. Maar hij heeft ook gelijk als hij erop wijst dat zelfs een goede balans tussen rechten en plichten alleen nog maar op het voor-laatste betrekking heeft. Ook een samenleving die het midden weet te treffen tussen genieten en verantwoordelijkheid, is nog niet zaligmakend. Het is de moeite waard om aan zo’n samenleving te werken: het voor-laatste is belangrijk!
Maar de geheel eigen boodschap van de kerk is, dat het nog niet het laatste is. Uiteindelijk zijn we bezig met het schoonvegen van de weg. Tenslotte zal de dominee op huisbezoek en in de preek inderdaad moeten uitkomen bij Hem die in aantocht is, en die Gods laatste woord gaat spreken. We moeten daar niet te vroeg bij uitkomen.
Maar als we blijven steken in het voorlaatste – dan zijn we de Here Jezus ontrouw geworden. Om nog eens Bonhoeffers reeds twee maal genoemde brief te citeren: ”God zal het hem, die Hem in zijn aards geluk vindt en dankt, niet aan uren laten ontbreken waarin hij eraan herinnerd wordt dat het aardse slechts iets voorlopigs is en dat het goed is, zijn hart aan de eeuwigheid te laten wennen, en eindelijk zullen ook de uren niet uitblijven waarin we oprecht kunnen zeggen: ’ik wou, dat ik daarginds, thuis was’.”