Vermenigvuldigen of delen? (2)
1999-02-05
Het vermenigvuldigen in de moderne wereld tast het vooraf gegevene aan en vernietigt daardoor op den duur zichzelf.- Jaargang 43
- nummer 3
Het is noodzakelijk om dóór te vragen naar de wortels van de moderne westerse samenleving om door te kunnen dringen naar een niveau waarop het mogelijk is om het moderne en bijbelse wereldbeeld weer met elkaar in verbinding te brengen.
Het vermenigvuldigen in de moderne westerse samenleving van kennis, middelen en macht veronderstelt dat er wissels kunnen worden getrokken op datgene wat beschikbaar is. Waarom die uitdrukking ’wissels trekken op’? Omdat de expansie, de verruiming, waarop in het eerste artikel werd ingegaan, een beslag legt op wat er in de wereld aanwezig is. Er zijn grondstoffen en energie nodig voor de expansie. Deze worden in het vermenigvuldigingsproces verbruikt.
Ook wordt land gebruikt voor de economische ontwikkeling. Maar het gaat verder en daar wordt vaak minder bij stilgestaan. Ook op arbeid wordt beslag gelegd. Dat klinkt uiteraard heel vanzelfsprekend, maar het gaat hierbij ook om niet-betaalde arbeid, de zgn.
schaduwarbeid. Schaduwarbeid is arbeid die verondersteld wordt stilzwijgend al geleverd te zijn, voordat het officiële productie- en consumptieproces kan beginnen. Voordat we ’s ochtends aan ons betaalde werk beginnen, is er eerst zorg besteed aan ons ontbijt.
Voordat mensen kunnen werken, hebben ze een opvoeding nodig. Het leven begint bij elementen van verzorgende, niet-betaalde arbeid. De economie veronderstelt bij betaalde arbeid altijd stilzwijgend die niet-betaalde arbeid. De betaalde arbeid kan altijd gebruik maken van de schaduwarbeid, kan er wissels op trekken.
Daarnaast wordt in de economie stilzwijgend verondersteld dat mensen ten allen tijde voor werk beschikbaar moeten zijn (de zgn. 24-uurs economie).
Ook veronderstelt de economie, en in zekere zin terecht, de voortdurende bereidheid van mensen om loyaal tegenover elkaar te zijn en hun verplichtingen te vervullen. Het wordt als vanzelfsprekend aangenomen dat de mensen er niet alleen maar op uit zijn om bedrog te plegen. Wanneer iemand een betaling ontvangt, dan is hij bereid daarvoor ook het nodige te leveren. Er kan niet een continu wantrouwen aanwezig zijn. Als dat namelijk zou heersen, zou het economisch leven niet lang bestaan. Het economisch verkeer heeft dus een ondergrond nodig in wat een cultuur kent aan rechtsbesef, trouw en loyaliteit.
Aangetaste ondergrond
In onze tijd wordt echter die als vanzelfsprekend aangenomen ondergrond steeds meer aangetast. Daarvan zijn duidelijke voorbeelden te geven. De vanzelfsprekendheid dat grondstoffen, een schoon milieu en een evenwichtig ecosysteem altijd aanwezig zijn, is aan het verdwijnen. Grondstoffen kunnen uitgeput raken. De draagkracht van het wereld-milieusysteem, ook op bepaalde plekken in Europa en in Nederland, neemt af. Ook de zeer felle extremen in de weersontwikkeling kunnen verontrusting brengen. Schaduwarbeid wordt niet meer vanzelf geleverd. Vanuit de samenleving komt het protest: is dit zomaar allemaal gratis ter beschikking te stellen? Moet niet een vergoeding worden gegeven aan degenen die die arbeid verrichten?
Wellicht nog verder gaand dan de elementen die hierboven zijn genoemd, is dat er in het proces van vermenigvuldiging een situatie ontstaat, waarin gedacht wordt dat datgene wat iemand wenst te verkrijgen altijd tegen geld beschikbaar moet zijn. Dat zit heel dicht bij het besef, dat alle dingen te gebruiken zijn. Een consumptiementaliteit zit heel dicht aan tegen een gebruiksmentaliteit.
Wanneer een gebruiksmentaliteit vaste voet heeft gekregen, gebruik van de aarde en van goederen, houdt dat al snel in, dat er óók geen belemmeringen meer zijn om medemensen te gebruiken.
Een gebruiksrelatie kan heel vanzelfsprekend zijn als je bijvoorbeeld een fietspomp moet kopen en gebruiken.
Maar zo’n relatie treedt ver buiten zijn eigen oevers, wanneer op alle vlakken van het leven, ook op het gebied van het geloof, de vraag ontstaat: wat heb ik eraan, wat schiet ik ermee op? Dan desintegreert de samenleving.
Bij dit alles lijkt het erop dat dit desintegratieproces vanuit het perspectief van de autonome mens erg moeilijk te stoppen is of in een gunstige richting om te buigen. De Amerikaanse econoom John Kenneth Galbraith betoogt dat de hoge levensstandaard in het westen heeft geleid tot een ’culture of contentment’.
Dat zijn de mensen in de samenleving die een goed inkomen hebben en ’tevreden’ zijn met hun situatie (maar het kan altijd beter). In tegenstelling tot vroeger vormt deze groep nu de meerderheid van het electoraat, de kiesgerechtigden.
1 Toen dat nog niet het geval was, bood de democratie als het ware een waarborg dat de belangen van de minderbedeelden voldoende aan bod kwamen. Die laatste groep vormde immers de meerderheid van het electoraat.
Nu dat niet meer zo is, overheersen de belangen van de ’cultuur van tevredenheid’ in de samenleving en bij een toename van het aantal dat tot deze groep behoort, zal die situatie alleen maar versterkt worden.
De ziel van Europa
De vermenigvuldiging, voortkomend uit het streven naar mondigheid vanuit de menselijke autonomie, tast de grondvesten van een samenleving aan. En daarmee verdwijnt de vanzelfsprekendheid dat alles steeds maar vanzelf goed kan gaan. Jacques Delors, oud-voorzitter van de Europese Commissie, heeft het bij verschillende gelegenheden, o.a.
in de ontmoeting met de Europese kerken, gehad over de ziel van Europa.
Kan het wel goed gaan in een zich materieel ontwikkelend Europa, als Europa geen ziel heeft?
De moeilijke vraag is echter: kun je zoiets als morele waarden, verantwoordelijkheidsbesef, saamhorigheidsgevoel, naastenliefde, achteraf nog inbrengen in een samenleving? Is dat nog toe te voegen aan een samenleving die in het teken staat van expansie?
De samenleving die gebaseerd is, ook waar het de economische ontwikkeling betreft, op de autonomie van de mens wordt dus geconfronteerd met diep ingrijpende problemen. De steeds maar doorgaande expansie die ten dienste staat van de mondigheid van de westerse mens heeft verstrekkende gevolgen voor het milieu, de verhouding tussen rijke en arme landen, de verhouding tussen rijk en arm binnen de samenleving en voor de normen en waarden in de westerse cultuur. Hier komt dan ook de vraag naar voren of de op deze wijze verworven mondigheid van de mens nog wel opweegt tegen de daarmee samenhangende problemen van de moderne tijd. De vraag is: moet de moderne mens niet leren verstaan dat mondigheid in de moderne samenleving betrekking heeft op respect hebben voor wat is voorafgegaan, en dat echte mondigheid altijd gedragen wordt door het besef dat in het menselijk bestaan een bestemming moet worden vervuld? Dat heeft dus zowel te maken met ’iets uit het verleden’, het vooraf gegevene, als met ’waar het naar toe gaat’, de bestemming. Het gaat hier dan ook eigenlijk om de vraag naar de identiteit van de mens. En daarmee samenhangend de identiteit van een samenleving.
De geschetste problemen kunnen daarom gezien worden als een identiteitscrisis van de moderne westerse wereld. Dat klinkt wellicht wat zwaar, maar de vraag die hier aan de orde is, is: hoe krijgen de moderne westerse mens en samenleving weer zicht op hun eigenlijke bestemming, ook in de economische context? Dat houdt in dat het begrip mondigheid een heel andere inhoud moet krijgen dan wanneer het gebaseerd is op menselijke autonomie.
Kan er over mondigheid op zo’n manier gesproken worden zonder dat de volle verantwoordelijkheid van de mens in diskrediet wordt gebracht? Uit de volgende twee voorbeelden blijkt dat dat kan.
Waarheid en liefde
Vaclav Havel is vooral bekend geworden in de tijd van zijn verzet tegen de dictatuur van het communisme, waarin hijzelf staande is gebleven en waarvan hij verantwoording heeft afgelegd in een heel boeiende biografie: ’Versuch in der Wahrheit zu leben’ (Poging in de waarheid te leven). Hij schrijft dat in een verloederende samenleving waarin niemand meer vertrouwd kan worden en waarin woorden als goedheid en loyaliteit helemaal zijn misbruikt door de ideologie, er maar één weg is om als mens te kunnen leven. En dat is de poging in de waarheid te leven. Waarheid wordt hier niet genoemd als iets wat Havel of anderen hebben verzonnen, maar als iets wat er kennelijk is voordat de mens er is. Iets waarin je moet pogen te leven, omdat je daarbuiten niet mens kunt zijn. Waarheid als het vooraf gegevene.
Maar hoe zou het vooraf gegeven kunnen zijn zonder een God die dat aan mensen geeft?
Tweede voorbeeld: Martin Buber. Hij schrijft in zijn boekje ’Ich und Du’ een zin die ontzettend diep is: Gevoelens wonen in de mens, maar de mens woont in de liefde. 2 Iedereen heeft gevoelens, maar liefde is niet iets wat binnen een mens opkomt. Het is er, voordat de mens er was. Het heeft iets te maken met die prachtige tekst uit de Johannes-brief: Wij hebben lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad (1 Johannes 4:19). Liefde heeft een vooraf-element in zich.
Als Havel het heeft over de waarheid en Buber over de liefde, dan kan dat worden vergeleken met wat het water betekent voor een vis. Een vis komt slechts dan tot zijn bestemming, als er water aanwezig is. Pas door het water kan de vis zich bij wijze van spreken zelf vis voelen. In die situatie komt de ware identiteit van de vis volledig tot haar recht. Pas door waarheid en liefde als de premisse te zien van leven en van samenleven, kan een samenleving bestaan en kan een mondige mens bestaan. Het kunnen geen toegevoegde elementen zijn. Dat wordt wel in de autonome mondigheid van de mens gesuggereerd: dat een mens kan leven zonder datgene wat aan zijn leven voorafging en dat de mens in staat is zijn eigen wereld te bouwen.
Midden in het economische leven blijken zich problemen aan te dienen die te maken hebben met het verloren gaan van het besef dat er dingen zijn die aan alle economie voorafgaan: waarheid, moraal, loyaliteit, besef van de waarde van de medemens. Het lijken van die zachte waarden, maar ze zijn de bodem van een samenleving en ze zijn niet door de mens zelf verzonnen. Als ze door de mens bedacht waren, zou de mens er niet in kunnen leven.
Noten
1. The Culture of Contentment, John Kenneth Galbraith, Harmondsworth, Penguin Books, 1993, p. 15.
2. Martin Buber, Ich und Du, Nederlandse vertaling: Ik en Gij, Utrecht, Bijleveld, 1973, p. 17.