Bijbelstudie over Romeinen 3: 25 en 26 (1)
1998-03-20
Toen in de tijd na de Tweede Wereldoorlog de secularisatie begon door te breken, waren er die zeiden dat de moderne mens bezig was de religie van zich af te schudden. In die eeuwen daarvóór had hij die hulplijn van de godsdienst nodig gehad, maar dat was nu voorbij. De moderne mens kenmerkte zich door godsdienstloosheid, zei men. Hij is de religie overgroeid. Maar dat is intussen bezig een vergissing te blijken.- Jaargang 42
- nummer 6
De moderne mens zegt helemaal geen nee tegen de godsdienst als zodanig. Hij ligt te raap voor allerlei religieuze beïnvloeding en de sekten tieren welig. Belangstelling voor het paranormale en de opkomst van het bijgeloof strijden onderling om de voorrang. Ook andere godsdiensten, zoals Boeddhisme en Islam, hebben zijn aandacht. En het valt te vermoeden dat dat alles nog wel zal toenemen. Godsdienstigheid genoeg! Alleen, van de christelijke godsdienst heeft de moderne mens, zo lijkt het, definitief afscheid genomen. Die houdt hij voor gezien. Waarom zijn de mensen op het christendom uitgekeken? Omdat het in zoveel opzichten gefaald heeft, de lange geschiedenis door? Dat zal zeker een rol spelen. Toch zeg ik liever met de tweede psalm dat het in de wereld in toenemende duidelijkheid tegen God en zijn gezalfde gaat. De aanstoot die de mensen aan het evangelie nemen, daar zoek ik het vooral in. Dat kun je merken aan het christendom zelf. Tot in het binnenste van de kerk toe is er vandaag een groeiend verzet gaande tegen de bijbelse boodschap van de verzoening door de voldoening.
Dat er voor ons een prijs betaald heeft moeten worden, wilden wij aan het oordeel van God ontkomen, dat steekt. Kijk, dat God ons de zonden vergeven moet, willen wij in zijn toekomst delen, nu ja, dat geldt voor Allah ook, maar dat Hij daar een prijs voor gevraagd heeft en wel het voldoenend offer van zijn Zoon, dat strijkt de moderne mens het meest tegen de haren. Eigenlijk strijkt het ieder mens tegen de haren in, van welke tijd hij ook is, maar het lijkt wel of dat oer-verzet vandaag pas goed zijn slag gaat slaan, omdat het, zoals ik zei, ook binnen de kerken zelf venijnig de kop opsteekt.
Versimpeling Er is nog iets dat hier gezegd moet worden. De mensen beginnen de christelijke, de bijbelse boodschap moeilijk en ingewikkeld te vinden. Dat de goede God de gever van alle goede dingen is, ach, daar krijg je ze nog wel warm voor, maar dat deze God ook een eisende kant heeft, dat wil er niet meer in. Dat God hoog boven alles en iedereen verheven is, à la, daar is Hij God voor, maar dat Hij ook in de minste der mensen op ons toe treedt, ja, dat is nu weer zo iets vreemds. Dat God genadig is maar dwars daardoorheen ook nog rechtvaardig, we vinden het maar verwarrend. God heeft drie personen, maar is één in wezenweer zo iets. Hij bewoont een ontoegankelijk licht, maar ook: rondom Hem zijn wolken en donkerheid. Zoek het maar uit! Vermoeid keren de mensen zich af. Hou het toch eenvoudig!, is steeds meer de leus. Maar kan dat wel, bij de open bijbel? Toen ik het met mijn vriend ds Henk Smit hierover had, wees hij mij erop dat de bekende publicist C.S. LEWIS deze neiging tot versimpeling ook signaleert, in zijn boek over de WONDEREN. En inderdaad, daarin kom je zinnen tegen als: 'Het christelijk geloof is in het contact met de gangbare 'religie' een voortdurende spelbreker. Het ziet zich keer op keer genoodzaakt de grote, goedbedoelde uitspraken van de 'religie' te beantwoorden met 'Nee hoor, zo zit het niet' of 'Zo zou ik het niet willen stellen'. Telkens moet de christen in het gesprek met de on- of andersgelovige nieuwe onderscheidingen aanbrengen en verkeerde analogieën afwijzen en hem 'iets moeilijkers voorhouden' (p. 108 ev). Ik was wel blij met deze verwijzing naar LEV\{IS, want bij zo’n pleidooi tegen de eenvoud (zij het ook de eenvoud van een bepaald soort!) kun je de steun van enige autoriteiten goed gebruiken. Is eenvoud immers geen grote deugd? Gewis! Maar bederf van het beste is het slechtste. Simplisme is geen deugd. Het is dus, wil ik zeggen, de grote versimpeling der dingen die meedoet aan de verwerping van het christelijk geloof. En deze versimpeling gaat zich nog wetenschappelijk noemen ook. We moeten de verleiding die daarvan uitgaat, niet onderschatten. Tegelijk verplicht die ons tot geduld. Natuurlijk verdient dit punt bredere behandeling, maar het is goed er alvast eens de vinger bij te leggen.
Gerechtigheid In Romeinen 3: 25 en 26 heeft Paulus het over de kern van ons christelijk geloof. Hij zegt daar dat God in het kruis van Christus zijn rechtvaardigheid getoond heeft. Voor veel christenen heeft deze zin zijn duidelijkheid verloren.
Een bepaald soort theologie heeft hier voor een spraakverwarring gezorgd. Gerechtigheid betekent volgens dit denken niet langer gerechtigheid, maar is een ander woord voor genade geworden. Goed hierin is dat men aan de gerechtigheid van God ook een genadekant ontdekt heeft, maar men komt hier te vroeg mee aan (alsof men het strenge woord gerechtigheid wil bezweren) en men overdrijft het ook zo sterk dat de gewone betekenis van het woord gerechtigheid verloren gaat. Men leest bijvoorbeeld in de psalmen het gebed: Red mij, Here, door uw gerechtigheid (Psalm 71 :2) en zegt: gerechtigheid kan hier niet betekenen dat God naar billijkheid met ons handelt, want dan zouden wij niet gered worden. Nee, Hij laat, om wat voor reden dan ook, genade voor recht gaan en daarom betekent gerechtigheid hier genade. Alsof God zijn genade niet kan laten triomferen juist door zijn gerechtigheid te handhaven.
Tegen Christus namelijk: Maar nee, gerechtigheid betekent hier genade, punt uit. Gerechtigheid betekent bij God altijd genade, is de volgende stap en daarmee vervalt de noodzaak van de voldoening. God vergeeft ons de zonden niet, omdat Christus ervoor betaald heeft, maar Hij is genadig omdat Hij dat gewoon zo wil. En daarmee is het christelijk geloof van het meest eigenlijke dat het in huis heeft beroofd. Laat ik dat verder duidelijk maken.
Waar blijven vergeven zonden?
Ik begin met een vraag: Zonden die vergeven zijn, waar blijven die eigenlijk? Het christelijk geloof is het enige geloof dat op die vraag een antwoord geeft. Dit antwoord: ze zijn uitgedelgd, dat wil zeggen: teniet gedaan, door het betalend offer van Christus. Misschien zegt u nu wel: Wat weet ik daaraan? Maar u moet inzien dat de vraag die ik stel: zonden die vergeven zijn, waar blijven die eigenlijk?, niet een vraag van het weetgierige verstand maar van het onrustige hart is. Het gaat niet om een weetje, maar om het geweten. Het geweten zit met die vraag en wacht om echt tot rust te komen op een afdoend antwoord erop. Ach, u weet wel wat ik bedoel, als u aan het ménselijke vergeven denkt. Waar blijft het vergrijp dat u uw naaste vergeeft? Is het weg? Uw vergeving maakt het los van degene die u vergeeft, maar het is niet weg. Het blijft ergens zweven en bij een volgend vergrijp van dezelfde persoon is het er weer en hecht het zich opnieuw aan de bedrijver. Wij drukken dat uit in het gezegde: wel vergeven, maar niet vergeten. Zo zijn wij mensen. En wat is daartegenover nu het goddelijke van de goddelijke vergeving? De boodschap van de góddelijke vergeving zou onbevredigend zijn als wij zouden moeten geloven dat de vergevende God de zonden weliswaar van ons losmaakt, maar dat Hij ze vervolgens ergens zou laten voortbestaan en rondslingeren. Dat doet Hij niet. Onze zonden worden werkelijk teniet gedaan door het betalend offer van Christus. De Here God zet de deur van onze schuldgevangenis open met de woorden (die we in Job 33 : 24 vinden): 'De losprijs heb Ik verkregen'. Dat maakt zijn vergeving zo krachtig. Elk menselijk geweten heeft er ook zonder de bijbel een vermoeden van dat als er een god is, hij rechtvaardig is en dat het hem niet onverschillig laat wat wij hier beneden uitvoeren. En als nu van Godswege gepredikt zou moeten worden dat de ware God zomaar zonder genoegdoening vergeeft, dan zou geen enkel sprekend geweten dat kunnen geloven. Het zou op die prijsloze vergeving argwanend doorvragen en zeggen: Ja, maar, hoe zit het dan met Gods gerechtigheid? Die kan toch niet zomaar buiten spel gezet worden? Dat zou toch Gods wezen beschadigen?
En met wat voor een god sluiten we dan eigenlijk vrede, als Hij in de vergeving in zijn wezen beschadigd en dus zichzelf niet is? Krijgen we dan niet 'na' god met nog een andere instantie te maken, die onze zogenaamd vergeven zonden weer oprakelt en ons de rekening daarvoor alsnog presenteert? Het geweten, moet u weten, is niet zomaar gerustgesteld. Kenmerk van het geweten is dat het op de boodschap van de vergeving vraagt en doorvraagt en het heerlijke van de bijbelse boodschap is dat ze daarop berekend is.
Zoenmiddel
Kijk, dat is het wat Paulus hier laat zien. Ik zei al dat het hem om Gods rechtvaardigheid gaat. Hij wil in ons tekstwoord laten zien dat God zijn rechtvaardigheid overeind houdt, als Hij de mens rechtvaardigt die door het.
geloof in Jezus is. Het is immers God zelf geweest die Jezus Christus heeft voorgesteld als zoenmiddel. 'Hem heeft God voorgesteld', lezen we in de onderhavige tekst. Dat wil zeggen: wat God in Jezus Christus heeft laten gebeuren en door Jezus Christus heeft laten doen, dat is niet in een hoek geschied. Dat heeft de Here openbaar gemaakt. In het evangelie naar Johannes lees je: 'Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden' (Joh. 3:14). Daar zit ook de gedachte in van publiciteit, openbaarmaking.
Waarom die openheid? Wel, God heeft onze gewetens het overtuigend bewijs willen leveren dat Hij met het openstellen van de weg naar Hem toe door de vergeving der zonden, geen loopje heeft. genomen met zijn rechtvaardigheid en daarom heeft Hij van wat Hij in Christus deed geen zoekplaatje gemaakt. Hij heeft Christus voorgesteld als degene die voor ons tot zonde gemaakt en door Gods rechtvaardige vloek getroffen is.
En wel als 'zoenmiddel' . Dat is een term die uit de offervoorschriften komt. Wat was in het Oude Testament het middel tot verzoening (want zo moeten we dat woord zoenmiddel omschrijven) van de zonden? Het bloed, is het antwoord, volgens dit woord uit Mozes' wet: 'Ik heb u (zegt de Here) het bloed op het altaar gegeven om over uw zielen verzoening te doen, want het bloed bewerkt de verzoening omdat het de zetel van het leven is' (Leviticus 17: 11, een beetje uitleggend vertaald). Paulus zegt dat er daarom ten overvloede nog bij: (zoenmiddel) 'in zijn bloed', met welke woorden hij het sterven van Jezus als een offerdood uitlegt. Want Jezus' overlijden was wel gewelddadig maar je kunt het niet als bij uitstek bloederig typeren. Daarom moeten we de vermelding hier van het bloed inderdaad opvatten als een verwijzing naar zijn offerdood. Door zijn leven aan het kruis te offeren verzoende Christus onze zonden bij God. Zo is Jezus het zoenmiddel.
Door het geloof
Haastig voegt nu de apostel de woorden toe: 'door het geloof'. Of eigenlijk, hij voegt die woorden niet toe, maar in; ze staan tussen het woord 'zoenmiddel' en de nadere verklaring 'in zijn bloed' in. Dat maakt Paulus' schrijfstijl niet bepaald mooi, maar Paulus komt met die tussengezette woorden aan om elke gedachte af te snijden als zou het om een magische handeling gaan die een automatische werking heeft. Paulus leefde in een wereld vol bijgeloof en toverij en dat kan een verklaring zijn voor het feit dat hij die woorden 'door het geloof' zo'n eigenaardige plaats geeft: midden tussen de woorden 'zoenmiddel' en 'bloed' in, - woorden die op zichzelf genomen inderdaad open liggen voor misverstanden in die richting. Wij mogen geloven - en laat het inderdaad een geloven zijn!dat door het bloed van Jezus als zoenmiddel voor onze zonden is betaald.
Velen schrikken terug voor dat woord . 'betalen' en het is waar dat je daar een ontzettend platte kant mee op kunt gaan. Reden waarom bijvoorbeeld Petrus er een nadere verklaring bij geeft door te schrijven: betaald, ja, maar 'niet met goud of zilver, maar met het kostbare bloed van Christus ...' (I Petrus 1: 18 en 19). Onze weerzin tegen het woord 'betalen' kon wel eens teruggaan op een kwaad geweten ten aanzien van onze geldhandelingen.
Het bezwaar zou dan even hypocriet zijn als het protest tegen het randschrift op de gulden. Men vindt Gods naam te heilig voor de gulden, maar dat ligt niet aan de gulden maar aan de wijze waarop men hem besteedt. Ik zou het woord 'betalen' niet willen missen. Ik haal er ook hier weer het geweten bij: Om des gewetens wil mogen wij blij zijn met het zeer duidelijke beeld van 'betalen' om het verzoeningsgebeuren uit te leggen.