De ter dood veroordeelde
1998-04-03
Erwas eens een moordenaar die gehangen zou worden. Hij was er klaar voor. OngelofeUjkwat die man verwerkt had in de veertig dagen tussen zijn veroordeUng en de terechtstelUng! Aanvankelijk had hij zich helemaal niet schuldig gevoeld. Eerst had hij zichzelf en ieder die het horen wilde verteld dat de man die hij vermoord had zijn verdiende loon had gekregen. Vervolgens had hij zijn ongelukkige jeugd en later de maatschappij de schuld gegeven.- Jaargang 42
- nummer 7
Maar, zo met de dood voor ogen, was er iets met hem gebeurd. Op een morgen schreef hij een lange brief, die gepubliceerd werd in veel kranten (want een ter dood veroordeelde spreekt tot de verbeelding) met daarin een schuldbekentenis. Ja, hij was schuldig, dat zag hij nu zelf ook in en niet alleen vanwege die ene moord. Die moord was het gevolg geweest van een heel leven verkeerde gedachten, verkeerde keuzes, verkeerde daden. Toen de moordenaar dat toe had gegeven, ging hij nadenken over de dood, zijn eigen, zijn verdiende dood en ook daarmee kwam hij in het reine.
Zo werd hij een bijzonder man, want wie is er klaar met zijn schuld en met zijn dood? Op verzoek van velen begon hij te schrijven, koortsachtig te schrijven, want veel tijd was er niet. Zijn hele verhaal van schuld en dood zette hij om in woorden en daarmee kreeg zijn lege leven ook nog zin voor anderen. Dat was een mooi gevoel. De avond voor zijn terechtstelling zette hij de laatste puntjes op de i en kroop in zijn gevangenisbed. Bijna vrolijk bedacht hij dat het nu bijna allemaal voorbij was en zo viel hij in slaap. Toen hij de volgende morgen wakker werd, stond de zon al hoog aan de hemel. Dat was heel vreemd. Niet alleen dat de veroordeelde zo goed kon slapen, maar ook dat het al zo laat was, want de terechtstelling was voor die ochtend vroeg gepland. De moordenaar snapte niet wat er aan de hand was. Hij kwam daar pas achter toen twee mensen van de schoonmaakploeg met emmers en bezems zijn cel instapten en er gillend weer uit stormden.
Ze hadden de man er niet verwacht, want die morgen was hij gehangen en begraven. Niemand die er iets van begreep. De afgesproken morgen was de moordenaar uit zijn cel gehaald en terechtgesteld. Hoe was het nu mogelijk dat hij nog steeds in zijn cel zat? Het liefst wilde men dat de man zou maken dat hij wegkwam, stiekempjes, naar buiten en wegwezen. Dat vertelden ze hem ook. "Ga nu maar." Maar de moordenaar wilde niet. Ze gaven hem geld en een adresje om heen te gaan. Maar de moordenaar weigerde.
Hij wilde dood. Wie was hij anders dan een ter dood veroordeelde, die klaar was met zijn schuld en zijn dood? Hij was klaar om te sterven, niet om te leven. Uiteindelijk werd hij achter in een geblindeerd busje gegooid en daar na ettelijke uren rijden, uitgezet in een bos. "Aan de rand van dit bos is een psychiatrische kliniek, die kant uif', wees één van zijn ontvoerders. De deuren klapten dicht, de bus reed weg en de moordenaar stond alleen, in het bos.
Het was hem vreemd te moede. Alle vrede van de laatste dagen was verdwenen. De bomen leken als stille getuigen op hem neer te kijken, sprakeloos bij dit tafereel. "Ik zal me aan jullie ophangen", riep de moordenaar, maar toen hij dat gesproken had merkte hij dat zelfs zijn verlangen naar de dood omgeslagen was in angst. Angst voor leven en dood beide. De moordenaar begon te lopen in de richting die hem gewezen was. Richting kliniek. In gedachten zag hij een groot somber gebouw voor zich vol van zuchtende mensen. Zoiets als de hem vertrouwde gevangenis.
Het hele gedoe had een groot deel van de dag in beslag genomen en de schaduwen werden langer. Het begon te schemeren. De moordenaar ging allengs langzamer lopen. Het bos was vol zachte geluiden: een vogel, iets dat door de afgevallen bladeren ritselde, een tak die brak en op de grond plofte. Alles was beweging, alles was zuchten en ritselen en toch was er geen levend wezen te bekennen. "Het is wreed", riep de moordenaar tegen het bos. "De doodstraf is hierbij vergeleken niets. Ik loop hier als een levende dode, als een dode levende." Die zin deed hem veel goed. Het was een mooie zin. Je kon merken dat hij zich had geoefend in het formuleren. "Eigenlijk zou ik moeten kiezen", mompelde hij in zichzelf. "Ben ik nu een 'dode in het rijk der levenden? Of is het juist andersom?" En die vraag gaf genoeg zin aan zijn leven om zijn benen in beweging te houden.
Ineens bevond de moordenaar zich op een open plek. Het was er wonderlijk licht, wit licht. De maan was vol. De man stond stil en keek. Aan de rand van de open plek stond een hek. Het was tijd voor een keuze. Hij had gedacht dat alle kiezen en alle daarmee verbonden risico's waren afgelopen.
De paniek kwam terug. ,,0 God," riep de moordenaar, "is dit een wonder? Is dit een verplicht wonder?"
Onmiddellijk schoot het verhaal van Lazarus in zijn gedachten. "Wat een rotstreek!", schreeuwde hij erachter aan. ,~o'n man uit zijn graf roepen om te laten zien dat je God bent. Iemand twee keer laten sterven!"
Even was het stil in het witte licht, toen verscheen een gestalte en de gestalte sprak: "Hé daar, wie is daar?" De moordenaar stond als aan de grond genageld. In zijn binnenste woedde een verbeten gevecht. De misdadiger, die vluchten wilde, weg van de dood, de veroordeelde die sterven wilde en beide hadden ze niet gekregen waarvoor ze gewerkt hadden. De moordenaar stond bewegingloos, maar de gestalte kwam dichterbij. Het maanlicht glansde om hem heen. Toen de moordenaar kon zien dat hij met een jonge man te doen had, bleef de man staan om hem onderzoekend aan te kijken.
"Je bent niet van 'binnen', hè?", vroeg hij na een tijdje. De moordenaar schudde zijn hoofd. "Ik werk hier", zei de man. "In de kliniek. Kom je voor de kliniek?" De moordenaar schudde zijn hoofd en voelde weer leven in hem komen, leven in de vorm van woede.
"Nee," zei hij luid, "ik ben niet gek en niet ziek. Dank u. Loopt u hier te surveilleren?"
"Nee," antwoordde de man prompt, "te mediteren." Hij hief een klein bijbeltje op dat hij in zijn hand hield.
"Wat las u?", vroeg de moordenaar.
"Over vrede en recht? Over sterven en opstaan?" Het klonk niet zo sarcastisch als hij het had willen laten klinken.
De man kwam nog een stapje dichterbij.
"Ja," zei hij, "om u de waarheid te zeggen: ik ben wel blij om iemand tegen te komen. Het was zo mooi buiten, zo sereen, ik dacht: dat zal me vrede geven, maar eerlijk gezegd: Ik had de zenuwen." De man wachtte.
"O?", zei de moordenaar en begon zich iets minder wanhopig te voelen, minder eenzaam in ieder geval. De man vatte het als een aanmoediging op. "Ik las het verhaal van Lazarus zei hij. Jezus roept hem uit het graf. Ken je dat verhaal?"
De moordenaar knikte. Hij voelde zich vreemd warm worden. "Er viel me wat op", ging de man verder.
"Stel je voor: zo'n hele menigte bij het graf, huilen en dan komt Jezus en Hij wil dat die steen ervoor weg gaat. "Het stinkt," zeggen de mensen, "de dode ligt er al drie dagen." Maar Hij krijgt zijn zin, de steen gaat weg en dan komt die dode naar buiten. Kun jij je voorstellen wat er door je heen gaat als je dat ziet?
Zo'n ingezwachtelde dode?" De man hield zijn adem even in, het hele bos leek zijn adem in te houden. "En toen,"
ging de man met het bijbeltje verder, "toen vroeg Jezus de omstanders de doeken van die dode af te halen. Kun je je dat voorstellen? Die dode, als een mummie ingepakt, is naar buiten gehipt. Wie denk je dat het lef heeft gehad die doeken los te maken? Drie dagen! Ze zeiden dat het stonk!" De vraag bleef een ogenblik hangen, roerloos in het licht van de maan. "Jij?", vroeg de moordenaar hees. ,,Zou jij het hebben gedaan?" De beide mannen keken elkaar aan. "Alsjeblieft", zei de moordenaar toen smekend. "Hoe denk je dat het voelt om geblinddoekt een graf uit te hippen?" "Wie ben je?", vroeg de man en zijn stem was ook anders. "Lazarus", zei de moordenaar en hij wist dat de moordenaar werkelijk dood was en voorgoed begraven.