Zonde en schuld

1999-03-05
  • Jaargang 43
  • nummer 5
„Wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind geboren is?”
Johannes 9:2

„Wie heeft gezondigd?” Natuurlijk weten wij dat die vraag helemaal fout was.
’t Waren de discipelen die ’m stelden. Ze waren samen met Jezus onderweg, en kwamen toen voorbij die man die daar dag in dag uit aan de kant van de weg zat te bedelen; want hij was blind, en dus afhankelijk van het mededogen en de goedgeefsheid van z’n medemensen.
De discipelen zien ’m zitten – of nee, eigenlijk zien ze niet hém zitten, een mens die hulp nodig heeft, het enige wat zij zien is een probleem, een vraag; en wel de schuldvraag: „Wie z’n schuld is het, dat die man daar zo zit?”

Onze vraag
Ja, we weten dat die vraag fout was.
Dat heeft ons er overigens in de loop van de eeuwen niet van weerhouden om in eindeloze variaties diezelfde vraag toch telkens opnieuw te stellen.
Heel lang is dat immers steevast ook ónze eerste vraag geweest in situaties waarin er iets fout was gegaan: „Wie z’n schuld is het?” Je merkt dat al – en dat is dan nog vrij onschuldig – aan de neiging van sommige mensen om na een ongeluk niet als eerste te vragen hoe het met je gaat, maar: „Was het jouw schuld?” Dat is blijkbaar heel belangrijk!
Maar ook – en dat snijdt een stuk dieper – kom je datzelfde tegen binnen de kring van Gods kinderen op aarde. Ook daar gaat wel eens wat mis; mensen hebben soms ruzie met elkaar. En wat doen wij dan? Dan gaan we op zoek naar de schuldige: „Wie is er de schuld van dat dit gebeurd is?” Nu ja, soms is dat niet zo duidelijk; dan kun je ’t van beide kanten wel een beetje begrijpen; en allebei hadden ze bepaalde dingen misschien beter wat anders kunnen doen. Maar uiteindelijk doet dat er niet toe; want er moet een schuldige aangewezen worden; desnoods door een synode, met meerderheid van stemmen, maar we moeten weten wie z’n schuld het is.

Nederlands Gereformeerd
Ik denk dat wij in de laatste paar decennia wat zijn weg gegroeid bij dit denken in termen van schuld. Wij hebben er meer oog voor gekregen dat er naast de categorie van de schuld ook nog zoiets bestaat als die van de onmacht; dat het er niet altijd aan ligt dat mensen niet anders willen, maar vaak ook dat ze gewoon niet anders kunnen – eenvoudig omdat ze nu eenmaal zo in elkaar zitten.
Dat wij daar meer mee rekenen dan vroeger, heeft ongetwijfeld te maken met de psychologisering van het hele leven zoals die zich in onze tijd voltrokken heeft, en die ook een stevig effect heeft gehad op het denken over zonde en schuld. Om het nu maar even op een simpele formule te brengen: Vroeger zei men: „Zonde, dat is dat je dingen doet die verkeerd zijn”. Vandaag denken en zeggen wij zoiets als: „Ja, zonde, dat is dat je dingen doet die verkeerd zijn, maar dan zonder dat daar een reden, een verklaring voor is”.

Winst
Er zit winst in deze ontwikkeling. Het is immers ontegenzeglijk waar, dat je met die grote aandacht voor de schuldvraag heel gemakkelijk mensen tekort kunt doen. Kijk maar naar de discipelen, die de blindgeborene, als schepsel van God, helemaal niet zagen zitten. Zij zagen alleen maar die vraag, dat probleem.
Jezus zag een mens, iemand die in de narigheid zat, en die hulp nodig had. En Hij gaf die hulp.
Nu, zo kom je telkens weer in dat soort situaties; waarin je geen recht doet aan mensen wanneer je alleen oog hebt voor de schuldvraag.
Ik denk nu aan situaties tussen twee mensen, ik denk ook aan wat er gebeuren kan tussen twee kerken; neem alleen maar die eindeloze discussies die vroeger werden gevoerd over ’de zaaksgerechtigheid’ van de Vrijmaking.
„Wie heeft gezondigd?” – ja, denk erom: wij natuurlijk niet, maar die anderen!
Ik denk – even terzijde – dat juist op dit punt ook de kortsluiting ontstond tussen onze Landelijke Vergadering en de Vrijgemaakte deputaten-baas dr. A.N. Hendriks. Nadat op de zitting van onze LV, waarbij hij aanwezig was, vele afgevaardigden op een soms emotionele manier iets hadden laten merken van de pijn die er bij ons zit over de gescheidenheid, reageerde hij daar in de pers geschokt en verontwaardigd op. Ik ben geneigd dat zo te verklaren dat onze uiting van pijn in zijn beleving niet anders kon betekenen dan dat wij hen, de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, daar de schuld van gaven. Terwijl dat, zoals ik het heb ervaren, nou juist niet gebeurde. Ja, er werd pijn onder woorden gebracht, gezamenlijke pijn – maar daar werd vervolgens niet onmiddellijk achteraan gezegd: „En dat ligt nou allemaal aan jullie, Vrijgemaakten”.
Goed, daar zit dus winst in, in die ontwikkeling waarin wij geleerd hebben niet alles automatisch te zetten op de kaart van zonde en schuld. Dat geeft ons de mogelijkheid om meer recht te doen aan de realiteit zoals we die om ons heen tegenkomen. En natuurlijk: je kunt als kerk eindeloos proberen de werkelijkheid aan te passen aan jouw theorie, maar er zijn nu eenmaal ook momenten waarop het beter is de theorie aan te passen aan de werkelijkheid.

Verlies
Maar ’t is niet alleen winst; er kan ook een verlies in meekomen. En daar wil ik het nu eigenlijk vooral over hebben.
Want langzamerhand bekruipt mij wel eens het rare gevoel dat wij al psychologiserend heel de zonde en de schuld van de mens hebben weg verklaard.
Nee, niet in onze theorie natuurlijk – in de kerk blijven we gewoon over zonde praten – maar wel in de praktijk van ons dagelijkse leven. ’t Is namelijk onvermijdelijk: je houdt op den duur al minder zonden over; al maar minder dingen die jij verkeerd gedaan hebt, en waar werkelijk geen enkele verklaring of excuus voor te verzinnen valt. Ja, want laten we eerlijk zijn: van de meeste dingen die ik verkeerd gedaan heb, kun je toch ook heel goed begrij pen waarom dat gebeurde. En moet je dat dan ’zonde’ noemen? Dat is toch wel een heel zwaar woord, niet?
Ja, in die sfeer kom je dan terecht, bij dat soort verklaringen.

Apartheid, incest en kinderporno
Tegelijk hebben wij er ook allemaal behoefte aan om iets aan te kunnen wijzen wat absoluut fout is, totaal verwerpelijk; iets waarvan volstrekt duidelijk is: Dit is zonde.
Hierboven staan er drie genoemd. Drie dingen waarover geen discussie mogelijk is: dit is puur slecht.
Maar ook: drie dingen die de meesten van ons niet hebben gedaan. Alle ’fatsoenlijke Nederlanders’ waren destijds tegen apartheid. Daarom was Zuid-Afrika toen ook zo vaak in het nieuws: omdat ons dat het prettige gevoel gaf dat wij aan de goeie kant stonden.
En incest: ja, dat komt onder ons wél voor, maar daar zijn we allemaal van overtuigd dat het vreselijk slecht is.
Zelfs daders zijn dat vaak wel; alleen wat ze zélf gedaan hebben, daar was natuurlijk net een heel goede verklaring voor; eigenlijk konden ze er niks aan doen — daar heb je ’t weer...
Kinderporno: hetzelfde verhaal: absoluut verwerpelijk.
En zo houden we dus een paar echte zonden over; maar dat zijn niet meer de zonden die wij in de regel doen; daarvoor gebruiken we dat zware woord ”zonde” niet meer. Goed: bepaalde dingen had je achteraf misschien beter anders kunnen doen; maar je kon tegelijk ook heel goed begrijpen waarom je het in die situatie zó deed; en achteraf heb je altijd makkelijk praten natuurlijk...

Vergeving
Wat zijn we kwijtgeraakt? De zonde, ja – maar meer nog: de vergeving van onze zonden; het adres waar je naar toe mag en moet met al die dingen in je leven die verkeerd gingen, omdat jij ze verkeerd dééd.
Kun je verklaren waarom het verkeerd ging? Ach, misschien wel; misschien ook niet. Maar uiteindelijk is het niet beslissend of ik m’n zonden kan verklaren; het enige wat er toe doet is dat ik weet waar ik met m’n zonden naar toe moet, en wie m’n zonden vergeven wil.
Wij geloven – ook aan het eind van de twintigste eeuw, in het tijdperk van de psychologie – niet in de verklaring van onze zonden, maar in de vergeving van al onze zonden. En dat geeft ons leven z’n vaste fundament.
Ik heb er behoefte aan om dat vandaag te benadrukken. Hoezeer ik ook een meer psychologische kijk op de dingen als een verrijking ervaar, dat verandert niet de kern van de boodschap waarmee God naar ons toekomt. En als David gaat zingen, bijvoorbeeld in Psalm 32, over het wonder van de bevrijding die hij heeft ervaren, dan zegt hij niet: „Here God, dank U wel dat U zo vriendelijk bent om mijn verklaring te accepteren en dat U er blijkbaar begrip voor hebt waarom ik het niet helemaal goed deed” — maar dan zegt hij: „Here God, dank U wel dat U ’t me vergeven hebt, dat U die hele last van me afgenomen hebt”. Met minder kunnen we niet toe!

Wiens schuld?
Nog één keer terug naar het begin.
„Wie heeft gezondigd, wie z’n schuld is het?”, dat was de vraag waarmee ik begon. Vervolgens heb ik geprobeerd duidelijk te maken dat in de laatste decennia dat soort vragen ons in doorsnee steeds minder is gaan bezighouden.
En tenslotte heb ik ervoor gepleit om zonde en schuld en vergeving niet, al psychologiserend, helemaal buiten beeld te laten vallen.
Zeg ik daarmee nu: we moeten gewoon terug naar vroeger, naar hoe het eerst was? Nee. Wij moeten de winst van deze ontwikkeling vasthouden.
Zoals ik het hierboven schreef: wij zijn in staat om meer recht te doen aan de realiteit zoals we die om ons heen tegenkomen.
Terug naar vroeger? Nogmaals: nee.
Want zeker: men was vroeger meer in de weer met woorden als zonde en schuld. Maar daar zat wel vaak een rare kronkel in; dezelfde die je ook bij de discipelen vindt. Want zonde was toch maar al te vaak vooral iets waarvan vastgesteld moest worden dat iemand anders die had gedaan. „Wie heeft gezondigd?”, vroegen de discipelen – in het volste vertrouwen dat zijzelf natuurlijk vrijuit gingen.
Wat is er – juist ook in de kerk – een hoop gepraat over zonde en schuld met geen andere reden dan om het eigen straatje zorgvuldig schoon te vegen: „Nee, ik heb niks gedaan, ’t is niet mijn schuld”.
Daarnaar terug? Nee, asjeblieft niet.
Terug naar Jezus – die mijn zonde vergeeft, en die mijn schuld verzoent. Op die vaste grond staat mijn leven. Niet op het wankele fundament van mijn creatieve vermogen om de schuld door te geven aan een ander; ook niet op het even wankele fundament van de psychologische verklaring waarom het toch wel heel begrijpelijk is dat ik iets deed wat niet helemaal goed was – er is maar één fundament dat mijn leven kan dragen: en dat is dat God van mij houdt.
Waarom Hij dat doet? Ik weet het niet.
Maar ik geloof het wel. En mijn leven is onaantastbaar veilig.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief