Boos op de dominee

1999-08-06
  • Jaargang 43
  • nummer 16
“Ze waren als mens te verschillend om elkaar te kunnen overtuigen. Hun argumenten waren trouwens ook te verschillend, maar wat dat met hun karakters te maken had, daar hadden ze niet over nagedacht. De één vond zijn gevoelens in der verrukking van de rechtlijnigheid, de ander bezat een hart dat op cruciale momenten wel eens buiten zijn oevers trad. Ze meenden het allebei oprecht.”

Conflicten en karakter
Zo schetst Hans Werkman in Het hondje van Sollie de verhouding tussen de Kamper predikant Oegema en hoogleraar Goes, vlak voor de kerkscheuring in 1968. Het hondje van Sollie is in meerdere opzichten een bijzonder intrigerende roman geworden. Redactielid Lakerveld heeft er zeer terecht in Opbouw ruime aandacht aan besteed. Boeiend is ook dat Werkman in zijn roman laat zien dat een kerkstrijd ook met psychologische aspecten te maken heeft. De keuzen die we maken hebben ook met ons karakter te maken. De manier waarop we met elkaar omgaan tekent ook onze innerlijke belevingswereld. Het hondje van Sollie is een roman. Feitelijkheid en fictie lopen door elkaar.
De verleiding is groot om achter beide namen concrete personen te zien. En dan vraag je je af: zou het werkelijk zo zijn dat ds Oegema en Professor Goes zich niet hebben afgevraagd in hoeverre hun manier van reageren op elkaar ook met hun eigen karakter te maken had? De meeste volwassenen zullen zich vroeg of laat toch wel eens afgevraagd hebben waarom ze op een bepaalde manier reageren en waarom ze bepaalde keuzen maken. En ze zullen dan ook ontdekt hebben dat een bepaalde manier van reageren bij een bepaald persoon past. Een persoon die wordt getekend door aangeboren temperamentseigenschappen en door zijn levensgeschiedenis.

De .nder doet vervelend
Of volwassenen er iets mee kunnen, dat een conflict ook met hun eigen karakter te maken heeft is een andere vraag. Veel mensen zijn in een conflictsituatie geneigd om de schuld vervolgens toch maar snel op de ander af te schuiven. Jij streeft goede bedoelingen na, het recht staat aan jouw kant. Waarom doet die ànder dan toch zo vervelend?
In Het hondje van Sollie lijkt zoon Klaas Goes de rol van psychologisch observator op zich te hebben genomen. Hij laat zien hoe mensen op elkaar reageren. Klaas tekent - op zoek naar zijn eigen identiteit - soms op het scherp van de snede het karakter van zijn nauwgezette vader, voor wie de wereld heel voorspelbaar en ordelijk in elkaar moet zitten.

Ruzie op school
Conflicten kunnen zich voordoen in de kerk, thuis, op het werk. Soms heeft een conflict op het werk consequenties voor het kerkelijk leven. Neem nu het verhaal van Johan en Marco. Ze waren beiden betrokken bij dezelfde school, Johan als bestuurslid en Marco als onderwijzer. Ze zijn ook beiden lid van dezelfde kerkelijke gemeente. Op school was een ernstig verschil van mening ontstaan.
Uiteindelijk liep dit verschil van mening zó hoog op, dat er ontslag voor Marco werd aangevraagd.
Johan had zich ten tijde van het conflict afzijdig gehouden, omdat hij van mening was dat er sprake zou kunnen zijn van tegenstrijdige belangen.
Marco was hier heel boos over: broeders horen elkaar door dik en door dun te steunen. Wat had hij aan een kerkelijke gemeente, als je geen steun kreeg van je eigen gemeenteleden?

Ruzie in de kerk
Zo kreeg het arbeidsconflict ook gevolgen voor het samenleven binnen de kerkelijke gemeente.
Marco wilde niet meer samen met Johan het Heilig Avondmaal vieren, tenzij deze schuld zou belijden. Johan nam de dominee in vertrouwen.
De predikant was een zachtmoedig mens. Hij besteedde veel aandacht aan de nood waarin Johan was komen te verkeren.
Er volgden ook gesprekken met Marco en daarna met Johan en Marco samen. De gesprekken leidden echter niet tot een oplossing. Marco bleef op zijn standpunt staan: Johan moest schuld belijden. Johan verwachtte daarop dat de kerkenraad Marco kerkelijk tot de orde zou roepen. Dat gebeurde echter niet.

Boos op de dominee
Nu werd Johan steeds bozer op de dominee. Hij had hem in vertrouwen genomen en nu verwachtte hij dan ook een oplossing.
Maar er gebeurde -in de ogen van Johan - niets.
"Het enige wat de dominee zegt is dat we moeten proberen de vrede te herstellen, en dat kost tijd". Uiteindelijk werd voor Johan het functioneren binnen zijn kerkelijke gemeente steeds moeilijker.
Hij nam contact op met een therapeut.

Boos op je vader
Achteraf is Johan blij met deze gesprekken. Hij zegt: "Opeens kreeg ik door hoe mijn verhouding tot de dominee getekend is door mijn eigen levensgeschiedenis.
Toen ik in de puberteit zat en ik de steun van mijn vader erg hard nodig had was hij er niet voor mij. Mijn vader raakte in die tijd in een ernstige depressie. Ik voel de me toen in de steek gelaten. Ik verwachtte heel veel van hem, maar hij kon me niets bieden.
En nu verwachtte ik heel veel van de dominee. Ik dacht dat hij het wel even voor me op kon lossen.
Maar hij kon me ook niets bieden. De boosheid van toen op mijn vader vertaalde zich nu dus in boosheid op de dominee.
Toen ik dat ontdekte, ging ik ook anders naar mijn eigen functioneren kijken. Ik blijf het heel lastig vinden, deze spanning in onze kerkelijke gemeente.
Maar die boosheid op de dominee had ook met mijzelf te maken. Dat inzicht heeft me erg geholpen."

Christenen en boosheid
Ross Campbell besteedt in zijn boek Leer je kind omgaan met boosheid in een apart hoofdstuk aandacht aan Christenen en boosheid. Hij stelt dat met name predikanten, en zeker in deze tijd -als gevolg van hun zichtbare autoriteit- het mikpunt kunnen worden van boosheid van gemeenteleden.
"In zo'n situatie doet het er eigenlijk niet toe wat een dominee doet of laat, hij zal niet kunnen ontkomen aan het toenemende verzet en de onderliggende wrok van mensen die hij probeert te dienen."
Campbell schrijft dat hij veel predikanten in behandeling heeft gehad die door dit verschijnsel zijn lamgeslagen. Hij citeert het onderzoek Pastors at Risk (USA, 1991), waarbij een groot deel van de predikanten aangeeft ernstig onder stress-situaties te lijden.
Sommige protestantse kerken hebben de naam dat ze ook dominees-kerken zijn. “Ik ben lid van de gemeente van dominee Alberts.” Dat maakt de positie van deze predikanten tevens kwetsbaar.
Vooral christenen die onvoldoende in staat zijn om kritisch naar hun eigen handelen te kijken, hebben in een conflictstuatie de neiging om de predikant te zien als de personificatie van het kwaad.
Dat er spanningen zijn ligt niet aan hén, maar aan de dominee. En omgekeerd: als de dominee zou vertrekken, zouden er geen spanningen zijn.

Gewetensvol
"Ze meenden het allebei oprecht" schrijft Hans Werkman over ds. Oegema en prof. Goes. Campbell komt in feite tot dezelfde conclusie. Hij stelt dat de meest ernstige aanvaringen vaak zijn met de meest gewetensvolle gemeenteleden. "Een conscientieuze houding is gewoonlijk positief. Maar als die verkeerd is gericht, kan dat desastreuze gevolgen hebben." Hij noemt een plaatselijk concreet voorbeeld en relateert dat aan het verzoek van Johannes en Jakobus aan Jezus: mogen wij aan uw linker-en rechterzijde zitten? (Marcus 10 : 3745). Jakobus en Johannes waren zó consciëntieus dat zij 'geestelijker' wilden zijn dan de andere discipelen. Zo willen gewetensvolle christenen in hun ijver soms 'geestelijker' zijn dan hun pastor.
Deze houding leidt tot ernstige spanningen en conflicten. Campbell schrijft dat het werk van ambtsdragers en predikant er door wordt ondermijnd. "Maar het meest tragische is wel, dat predikanten die werkelijk proberen om hun gemeente te weiden, vaak het meeste te lijden hebben."

Zit de dominee ’dus’ goed?
Een predikant kan dus gemakkelijk het zwarte schaap van de gemeente worden. Maar.... hoe zit het dan met de dominee?
Ligt 'de fout' altijd bij dat dwarse gemeentelid? In een volgend hoofdstuk gaat Campbell in op een ander thema, onder de verouderde term: sociopaten in de schaapskooi.
"Deze voorgangers kunnen op het oog heel fatsoenlijk lijken, maar hun onderliggende bedoeling is mensen te gebruiken voor hun eigen belangen."
Zo'n predikant is dus geen herder, maar een huurling. Campbell zegt in dit hoofdstuk 'extreem' te zijn. De werkelijkheid ligt vaak genuanceerder.
Wel is duidelijk dat -net als gemeenteleden- ook predikanten moeten leren omgaan met hun eigen karakter.
Conflicten liggen niet alleen aan predikanten, ze liggen evenmin alleen aan de leden van een kerkelijke gemeente.

Alleen psychologisch?
In deze bijdrage lag een sterk accent bij de psychologische aspecten van kerkelijke conflicten. Maar: niet alles is psychologie, de psychologie is ook niet alles. Kijken naar de psyche is een bepaalde manier van kijken. Op basis van psychologische verklaringen kunnen we lang niet alles verklaren.
Achter de gebrokenheid, waarbij mensen elkaar niet meer kunnen bereiken, schuilt nog steeds de macht van het kwade.
Het voorgaande laat onverlet dat er soms (te?)veel van predikanten wordt verwacht. De schapen verwachten een super-schaap met 5 poten.
Ook predikanten verwachten soms teveel van zichzelf.
Ze werken als herder vaak solistisch in een gemeente met heel verschillende schapen. In dat werk komen ze zichzelf als persoon (met een eigen karakter en een eigen levensgeschiedenis) steeds meer tegen.
Daarom is het van groot belang dat de pastor zichzelf goed leert kennen.
Wie ben ik? Waarom reageer ik zoals ik reageer?
Waarom reageert dit gemeentelid zo op mij?
Supervisie of een klinisch pastorale vorming kan daarbij goede diensten bewijzen.

Geciteerde bronnen:
-J.J. Lakerveld, Overleven in een scheurende gemeente; Opbouw 1999/11
-Hans Werkman, Het hondje van Sollie; Kok, 1999
-Ross Campbell, Leer je kind omgaan met boosheid; Gideon, 1999

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief