Kat en hond

1999-08-06
  • Jaargang 43
  • nummer 16
Natuurlijk moesten er reacties komen op “Het hondje van Sollie”, het boek waarin Hans Werkman in romanvorm het verhaal vertelt van de kerkscheuring in 1967 in Kampen. In Opbouw van 28 mei is het zeer positief besproken door J.J. Lakerveld. Het Vrijgemaakte maandblad Nader Bekeken is er een stuk minder blij mee. Nou is dat niet zo verwonderlijk, want het is een blad waarin met argusogen iedere poging gevolgd wordt om het hekwerk rond de enig ware kerk te verlagen. In het juni-nummer schrijft ds P.L. Storm over het boek van Werkman. Zijn artikel kreeg als titel mee: “De kat in Het hondje van Sollie”. Die titel is ontleend aan de laatste zin:
“Het hondje van Sollie” bevat een kat naar het verleden, hoe handig en schijnbaar voor twee kanten vriendelijk ook verpakt.
Al eerder heeft Storm als totaalindruk van het boek gezegd:
De roman is voor mijn gevoel eigenlijk een verlate brochure uit de jaren zestig geworden waarin Werkman opkomt voor een manier van kerkzijn die door de kerkenraad die hij toen gevolgd is werd voorgestaan
(Hans Werkman, nu zelf Vrijgemaakt, was in Kampen “buiten verband”).
Nu wil het geval dat ik eigenlijk vind dat collega Storm wel een beetje gelijk heeft. Mijn beoordeling daarvan valt anders uit dan die van hem (daarover aan het eind meer), maar er zit in dit boek inderdaad te veel historie om nog fictie te kunnen zijn, en voor de neutrale lezer - die bij een boek als dit natuurlijk al helemaal niet bestaat - is duidelijk aan welke kant de sympathie van de schrijver ligt. Daarin heeft Storm gewoon gelijk.
Ik neem een paar gedeelten uit zijn artikel over.
Ter verduidelijking: Tijs Cox is het alter ego van Hans Werkman zelf, ds Oegema staat voor ds Mulder, en prof. Goes voor prof. Kamphuis; ds Carré is ds Visee. Klaas Goes tenslotte is in de roman een zoon van prof.
Goes, en vriend van Tijs Cox. Storm:
Eigenlijk wordt in de roman heel de breuk teruggebracht tot het botsen van twee karakters.
Dat komt bijvoorbeeld heel sterk uit in een cruciale passage waar de auteur zelf zijn lezers toespreekt.
Hij vertelt over een gesprek tussen Goes en Oegema en over hun grote karakterverschillen: “De één vond zijn gevoelens in de verrukking van de rechtlijnigheid, de ander bezat een hart dat op cruciale momenten wel eens buiten zijn oevers trad. Ze meenden het allebei oprecht" (76). Dat is het dus wat Werkman betreft geweest in die verdrietige jaren: een gevoelskwestie. Aan het eind van de roman wordt deze karikatuurvorming verder gevoed, wanneer door Klaas Goes het beeld geïntroduceerd wordt van tram en trollybus: “Goes en Oegema zijn net een tram en een trolly. Allebei aangesloten op de bovenleiding, maar op de grond is de trolly heel wat wendbaarder” (297). We zijn gauw met ons verleden klaar wanneer we de verschillen van de jaren zestig tot zulke proporties kunnen terugbrengen.
Maar (daarvoor) moet je je wel van de feiten afmaken.
De stille held en tegelijk het tragische slachtoffer in de roman is de oude wijze Sollie, die met zijn hondje door Kampen scharrelt. De man die Schilder en Billy Graham samenop leest en die zo enorm aangeslagen en verward raakt als de scheuring een feit blijkt dat hij met zijn Dafje achteruit de IJssel in rijdt en sterft na een mislukte reddingspoging.
De ware evangelische gereformeerde originaliteit die kapot gaat aan de onnodige theologenruzies van de jaren zestig! Het ging, wat Werkman alias Tijs Cox betreft, toen goed beschouwd nergens over.
De bedoelingen waren van iedereen eerlijk.
Iedereen was aan de bovenleiding aangesloten.
En dus had het nooit hoeven te breken. Ondertussen kiest Tijs Cox wel: hij blijft bij de kerkenraad van Carré en Oegema. Ze mogen dan wel eens òf wat te scherp en persoonlijk uit de hoek komen (Carré) òf nogal onhandig zijn (Oegema), maar ze staan wel voor de goede oecumenische ruimte die er in de kerk hoort te zijn.
Dat is de boodschap van Werkman.
Ik had bij het lezen van het artikel van Storm de grappige sensatie dat ik meermalen dacht: Ja, dat zou professor Goes in het boek nou precies net zo hebben kunnen zeggen.
Met name geldt dat voor een passage waarin Werkman verweten wordt de acta van de synode van Hoogeveen, waarin de ware feiten vermeld staan, niet te hebben geraadpleegd. Dat boekwerk is, aldus Storm, nog altijd één van de meest onmisbare bronnen om erachter te komen wat er nou echt - behalve kleinsteeds gekibbel - aan de hand is geweest in Kampen. Dus voor de èchte feiten: naar de acta.
Helaas voor Storm zijn acta de laatste jaren, ook in de kring van de GKV, niet meer zo in trek. Er is méér waarheid dan die te vinden is in die abstractie van de werkelijkheid die wij Acta noemen. Vele, minstens zo wezenlijke feiten liggen niet dáárin opgeslagen, maar in geblutste en gedeukte mensenzielen. Ik denk dat Storm gelijk heeft als hij “Het hondje van Sollie” een partijdig boek vindt.
Maar anders dan hij denk ik dat Werkman in dit boek wel (roman-)woorden heeft gevonden voor een gevoelen dat bij al meer Vrijgemaakten wordt gevonden: dat het namelijk in de zestiger jaren anders had gekund en ook anders had gemoeten. Moge dat gevoelen zich (wat mij betreft graag mede door dit boeiende boek) steeds breder verspreiden onder onze broeders en zusters aan de overzijde van de onzalige breuk van nu al weer ruim 30 jaar geleden.
Wie weet of kat en hond dan ooit nog eens de vrede zullen vinden...

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief