Pluk de dag

1999-08-06
  • Jaargang 43
  • nummer 16
Ze zit bij ons op de ouderkring.
Een kring waar Christen-moeders met elkaar praten over de opvoeding van de kinderen.
Ze is rijk gezegend met vier dochters. De jongste is net een jaar geworden, de oudste is zes. Een druk gezin waarbij je als moeder wel eens het gevoel hebt dat je geleefd wordt.
Een paar weken geleden ontdekte ze het. Een knobbel in haar oksel.
Drie dagen later werd ze geopereerd. Borstkanker.
Een boze droom waaruit ze niet werd wakker geschud.
Het ouderkring-seizoen wordt afgesloten met een gezamenlijke maaltijd bij iemand thuis. Iedereen heeft een gerecht meegebracht.
Trouw als ze is, is ze ook van de partij. En als je niets zou weten, zou je echt niet denken dat je met een zieke vrouw te maken hebt. Ze is naar de kapper geweest. Het korte haar staat haar goed. Als ik dat zeg, confronteert ze mij met de harde werkelijkheid.
“Straks met de chemokuur word ik kaal, zo is de overgang minder groot.” Ik zoek even naar woorden.
Maar ze is mij voor.
“Hoe is je verhuizing gegaan?”, vraagt ze één van ons.
Tijdens het eten zit ik even naast haar. Ik zeg haar dat ik heel blij ben dat ze er is en dat ik bewondering heb voor de manier waarop ze met haar ziekte omgaat. “Het leven gaat door”, zegt ze.
“Natuurlijk staat eerst alles op z’n kop, het dagelijks leven, de toekomst.
Het is moeilijk om weer vertrouwen te krijgen. In het begin is er alleen maar angst, maar geleidelijk aan merk ik dat ik rustig word. Uit deze periode wil ik zoveel mogelijk positiefs halen. God geeft zoveel mooie, goede dingen om van te genieten.
Ik wil echt leren om dat te zien, om te genieten en dankbaar te zijn.” Er valt een korte stilte.
Dan vertelt ze verder: “We waren altijd zo druk, mijn man en ik. Weinig tijd voor elkaar, je kent dat wel. En nu ineens doen wij dingen die “vroeger” niet konden.
Over een week gaan we samen een weekend weg, zonder kinderen. Dat kan nu dus gewoon. Ik kijk er echt naar uit. Al dat druk, druk, druk... het is zo betrekkelijk omdat het leven zo kwetsbaar is. We hebben het niet zelf in de hand. De tijd en energie die ik nog krijg, wil ik graag aan mijn gezin geven. Ze hebben mij nog zo hard nodig.” Ik luister alleen maar. Wat moet ik zeggen?
Als ik thuis kom, is het al laat. Mijn man ligt in bed.
Hij is nog wakker. “Was het gezellig?” vraagt hij.
“Ja, het was fijn...iedereen was er... we hebben erg lekker gegeten... weet je waar ik aan zit te denken?
... ik wil zo graag weer eens met jou uit eten gaan... zonder kinderen bedoel ik... zullen wij daar binnenkort gewoon tijd voor maken?... oppas is zo geregeld.”

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief