Wilde God 'bloed zien'?
1998-04-17
In onze dagen is er opnieuw een bewogen discussie losgebroken over de verzoening: dat God ons met zich verzoent op grond van het offer dat zijn Zoon voor ons gebracht heeft; dat Christus ons Gode gekocht heeft met zijn bloed, zoals het in het laatste bijbelboek heet (Openb. 5:9)- Jaargang 42
- nummer 8
Van tijd tot tijd in de lange geschiedenis van de kerk gaat het gesprek daarover.
Begrijpelijk, nietwaar, want het IS ook een wonderlijke weg die God gekozen heeft om ons weer tot zich terug te brengen. Het mag ons niet verbazen dat daar steeds weer opnieuw vragen over gesteld worden.
Maar nu wordt dit vragen vandaag ontsierd door een ruwe uitdrukking die een mens die God liefheeft over de ziel krast. Bloed zien, is de uitdrukking die ik nu bedoel. Het kan toch niet zo zijn, zegt men, dat de Here God om ons met zich te verzoenen bloed heeft willen zien? Het bloed nog wel van zijn eigen geliefde Zoon. Wanneer zeggen wij van iemand dat hij bloed wil zien? We hebben het dan over een bloed-dorstig wezen dat door niets anders tevreden gesteld kan worden dan door de dood van een bepaald mens of bepaalde mensen. 'Ik kan zijn of hun bloed wel drinken', zegt zo iemand dan, en hij geeft daarmee te kennen dat hij van een dodelijke haat vervuld is. Nu, zulke gevoelens mogen wij God toch niet toeschrijven, hoor je nu zeggen. En op deze wijze rekent men af met wat de christelijke kerk de eeuwen door als haar liefste geheim bewaard en gekoesterd heeft. In deze vertekening van een 'God die bloed wil zien' steekt iets kwaadaardigs. Een verfoeilijke uitdrukking moet dienen om wat we altijd geloofd hebben in een kwaad daglicht te stellen. Het is toch bepaald schokkend om de Here God die je van kindsbeen af eerbiedig bewonderd hebt om het werk van de verlossing door Christus, voorgesteld te zien als een soort kannibaal. Het is tot daaraantoe dat iemand moeite heeft met de ongewone weg die God voor onze verlossing gekozen heeft en om die reden de Schrift bevraagt of zij dit inderdaad wel leert. Dat moeten we kunnen hebben. De Schrift kan daar ook wel tegen. Maar we mogen elkaar toch wel vragen dergelijke insinuerende uitdrukkingen die God belasteren en mensen op het hart trappen, achterwege te laten.
'Eet Ik soms stierenvlees of drink Ik bokkenbloed?’ horen we de Here God in één van de psalmen verontwaardigd vragen (Psalm 50: 13). Hoeveel te minder dan het vlees en bloed van zijn eigen geliefde Zoon.
Toch komen we de uitdrukking 'bloed zien', van de Here God gebruikt, in de Schrift zelf ook tegen. En wel in de woorden die ik als tekst hierboven zette en die oorspronkelijk gesproken zijn ter gelegenheid van de instelling van het pascha in Israël. U weet dat Israël in de nacht van de uittocht bloed aan de deurposten moest strijken om gevrijwaard te blijven van de plaag die Egypte toen in de dood van zijn eerstgeborenen trof. We lezen: 'En de HERE zal Egypte doortrekken om het te slaan; wanneer Hij dan het bloed aan de bovendorpel en aan de beide deurposten ziet, dan zal de HERE die deur voorbijgaan en de verderver niet toelaten in uw huizen te komen om te slaan' (Exodus 12: 23). Hier stuiten we zowaar in de bijbel zelf op de uitdrukking dat de Here God bloed wil zien. Maar, rijst nu uit de woorden het beeld op van een bloeddorstige tyran die uit is op verder?
Integendeel! Heel de passage roept luide dat God erop uit is zijn volk te sparen en te behouden. Laten we daar een ogenblik bij stilstaan. Oermenselijk is het besef dat wij de ontmoeting met God niet kunnen doorstaan en dat wij in de confrontatie met Hem het leven erbij inschieten.
Van ouds heeft de mens dan ook geofferd als hij God wilde naderen. Hij slachtte daarvoor een dier of als de gewetensnood heel hoog ging een eigen kind. Iets heel kostbaars van zichzelf gaf hij dan met de gedachte dat hij alleen zo voor God in leven kon blijven. Angst voor God bepaalde zijn houding. God zag dat aan en het ging Hem aan zijn hart. Hij wilde daar verandering in brengen. Hij wilde dat de mens Hem weer zonder vrees kon ontmoeten, zoals Adam in het paradijs. Die zag immers elke dag uit naar het moment dat hij met God kon wandelen in de hof. God zelf verlangde daar ook weer naar. Maar God moest de mens in zijn vrees gelijk geven. Het was waar, de zondige mens kon voor Gods heiligheid niet bestaan. Er was gezegd: 'Ten dage dat ge daarvan eet, zult gij de dood sterven'. En de mens had gegeten ... Toen heeft God zich opgemaakt om zelf een weg uit deze impasse te zoeken. Hij zag de mensen offeren en zei toen: Als Ik nu eens zélf het bloed op jullie altaar geef om over jullie zielen verzoening te doen? De Israëlieten offerden beesten uit hun eigen stal, maar ze wisten dat het uiteindelijk God zou zijn die voor het verzoenende bloed zou zorgen.
Tenslotte is dat er ook van gekomen en gaf God zijn eigen Zoon die de plaats van het geofferde kind (Izak!) en van de offerdieren innam. Het bloed van Jezus Christus Gods Zoon is zelfs voldoende om de zonden van de hele wereld voor God te bedekken. Sindsdien is het offeren van dierenbloed, laat staan van mensenbloed overbodig geworden. Overbodig en verboden zelfs. Wilde God bloed zien, in die hatelijke zin waarin deze uitdrukking wordt gebruikt? Helemaal niet! Hij wilde het zóenbloed zien, omdat Hij gedachten des vredes in zijn hart had.
Het zoenbloed van Christus, waarvan dat bloed aan de deurposten een voorteken was. We mogen God innig dankbaar zijn voor zijn genadige ingreep waardoor Hij zelf gezorgd heeft voor het verzoenende bloed. God wilde het zien en daaraan merken we hoe veel Hij om ons geeft.
Willen wij dit ook zien? Als wij aardig over onszelf tevreden zijn (de mensen van vandaag worden zo zelfgenoegzaam, vindt u ook niet?), dan dringt de noodzaak van Christus' offerdood niet meer tot ons door. Dan vinden we die hele bloedgeschiedenis een achterhaalde zaak. Maar de Here God wil dat de herinnering aan Christus' zoendood levend zal blijven. Denk maar aan het heilig avondmaal. 'Doet dit tot mijn gedachtenis', heeft Christus gezegd, toen Hij ons het brood en de wijn als tekenen van zijn lichaam en bloed gaf. En Paulus noemt de drinkbeker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus (1 Cor. 10: 16). Dat is heel sterk uitgedrukt: gemeenschap met het bloed van Christus, en door het drinken uit de beker wordt dat nog versterkt. Met ziel en lichaam halen wij het offer des Heren naar ons toe en met heel onze existentie zijn we erop betrokken en ermee verbonden.
Kijk naar de beker en zie dan zijn bloed! Zie het en maak het u eigen door het geloof! Bloed zien en bloed zien - ik hoop dat ik u duidelijk gemaakt heb hoe totaal verschillend de gevoelswaarde van deze twee gelijke zegswijzen is. In de volksmond en in de Heilige Schrift. De ene keer, bij de mensen, uitdrukking van haat; de andere keer, bij God, blijk van liefde. Geloofd zij God en geloofd zij Christus door wiens bloed wij geheiligd zijn!
AMEN