Deelgenoten van Christus’ heerlijkheid
1998-05-29
In 1 Petr. 5:1 noemt Petrus zichzelf en zijn mede-ouderlingen deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden.- Jaargang 42
- nummer 11
Wat wil hij daarmee zeggen? Om dat wat naar ons toe te halen een voorbeeld.
Er is een professor in de medicijnen die een nieuwe, spectaculaire aanpak van een bepaalde ziekte ontwikkeld heeft. Hij wordt daardoor wereldberoemd. Maar hij werkte natuurlijk niet alleen, maar met een team.
Zijn aanzien en beroemdheid stralen nu af op de team-leden. Zij delen erin, zijn er deelgenoten van. Zo zijn wij deelgenoten van het aanzien, de eer, de heerlijkheid van Jezus Christus. Die straalt op ons af.
Dat is nu al zo, maar die heerlijkheid is nog niet geopenbaard. Het is nu nog als bij een beeldhouwer of een schilder die nog geen bekendheid geniet. Hij is nog niet beroemd.
Misschien wordt hij door velen zelfs genegeerd of verguisd. Maar toch zit het er dik in dat hij op een goede dag door zal breken en beroemd zal worden. Wie nu al met hem optrekt, hem steunt en van hem koopt, staat straks met hem in de schijnwerpers van de belangstelling en deelt dan in de beroemdheid die dan openbaar geworden is en van hem afstraalt. Zo zullen ook wij straks met Jezus in het volle licht staan. Zijn heerlijkheid zal op ons afstralen. Dat is nu nog niet openbaar.
De ouderlingen aan wie Petrus schrijft, waren beslist geen beroemdheden. Ze legden in Rome helemaal geen gewicht in de schaal. En ook nu geldt van de meeste christenen dat hun namen niet in de geschiedenisboeken komen en dat er in Brussel geen rekening met hen wordt gehouden. Maar straks, als Christus’ heerlijkheid geopenbaard wordt, zullen ze met Hem in het volle licht staan. Van die toekomstverwachting mogen we nu al uitgaan.